Posts tonen met het label kunst. Alle posts tonen
Posts tonen met het label kunst. Alle posts tonen

donderdag 8 november 2018

Diego Rivera's radicale muurschilderingen in San Francisco

Wandelend door San Francisco kwam ik min of meer toevallig de befaamde Mexicaanse schilder Diego Rivera op het spoor. Rivera is bekend van zijn monumentale wandschilderingen in Mexico-Stad en Detroit. Hij was vanwege zijn communistische sympathieën niet altijd even populair in de Verenigde Staten. Zijn fresco Man at the Crossroads in New York werd kort na voltooiing zelfs verwoest door zijn kapitalistische opdrachtgevers, omdat het een portret van Lenin bevatte. Zijn werk in Detroit bleef ternauwernood een zelfde lot bespaard gedurende het McCarthy-tijdperk. Dat er ook werk van Rivera in San Francisco te zien was, was mij van tevoren onbekend.

Diego Rivera en zijn echtgenote Frida Kahlo
in San Francisco, 1930


Vanuit het Caltrain-station op 4th and King liep ik via het zakencentrum en Chinatown naar het noorden. San Francisco is een fascinerende stad van grote contrasten. Aan de ene kant is het de blinkende hoofdstad van het grootkapitaal van Silicon Valley, met hoofdkantoren van Facebook en Twitter. Aan de andere kant is het een stad met een ongekend groot aantal daklozen, een hardnekkig probleem dat wordt versterkt door de almaar stijgende huizenprijzen. Deze verschillen tussen arm en rijk zijn natuurlijk niet nieuw. Denk maar aan de Californische goldrush van 1848, toen mensen van over de hele wereld naar San Francisco trokken in de hoop een fortuin te vergaren. Waaronder veel Chinezen, die zich in Chinatown vestigden. Het is nog altijd een levendige buurt met een heel eigen karakter. Opvallend was de subtiele vlaggenstrijd die gaande leek tussen verschillende gebouwen. Sommige hadden trots de vlag van de Volksrepubliek China in top, anderen hadden de banier van Taiwan op het dak wapperen.

Chinatown
 
Uitzicht vanaf Telegraph Hill richting de
San Francisco-Oakland Bay Bridge

Ik liep verder naar het noorden en kwam uiteindelijk bij Coit Tower uit, waarover ik had gelezen dat er interessante muurschilderingen te bekijken waren. De toren is een betonnen art-deco monument (opgericht als eerbetoon aan de brandweer van San Francisco) op de top van Telegraph Hill, uitkijkend over de Baai van San Francisco. De toegang tot de toren bestaat uit een lobby die rondom de toren loopt en waarvan de wanden voorzien zijn van een omvangrijke cyclus schilderingen. De cyclus toont verschillende aspecten van het leven in Californië en is in 1934 gemaakt door een groep van 26 verschillende kunstenaars.

De schilderingen waren een initiatief van de beeldhouwer Ralph Stackpole en de schilder Bernard Zakheim, beidenbevriend met Diego Rivera en geïnspireerd door zijn grootse wandschilderingen in openbare gebouwen. Het werd mogelijk gemaakt door het Public Art Works Porject, een werkgelegenheidsproject voor kunstenaars dat onderdeel was van de New Deal van president Franklin Roosevelt. Sommigen van de kunstenaars hadden Rivera bij eerdere projecten geassisteerd, en het werk ademt dan ook de stijl en thematiek van de Mexicaanse meester. De politieke ondertoon van sommige panelen, zoals een exemplaar van das Kapital in een boekenkast, zorgden ook hier destijds voor de nodige opschudding. In dit geval uiteindelijk zonder destructieve gevolgen. Nadat ik me enigszins in de materie verdiept had, kwam ik er achter dat er ook werk van Rivera zelf in San Francisco te zien was. Op loopafstand zelfs. Ik daalde deze heuvel af en liep naar de voet van de volgende heuvel, Russian Hill.

Coit Tower van een afstand
In het San Francisco Intsitute of Art, de kunstacademie van de stad, is de schildering The Making of a Fresco Showing the Building of a City te zien. De titel spreekt voor zich, we zien schilders op een steiger die bezig zijn met een fresco over de bouw van een stad. Het werk is tegelijkertijd realistisch en onwerkelijk. Voor- en achtergrond lopen in elkaar over en de schildering lijkt zelfs een soort verlengstuk van de ruimte waar je zelf in staat. De man die in het midden op een balk zit, met de billen richting publiek, is Rivera zelf.  Dit werk kwam in 1931 tot stand en was de tweede muurschildering die Rivera in San Francisco voltooide. Kort daarvoor had hij een Allegorie van Californië geschilderd in het trappenhuis van de toenmalige San Francisco Stock Exchange. Tegenwoordig huist daar de besloten City Club of San Francisco, waardoor het kunstwerk helaas alleen op afspraak te bezichtigen is.

Gelukkig is The Making of a Fresco... beter toegankelijk. Je kunt de kunstacademie gewoon binnenlopen en van negen tot vijf is de zaal met de wandschildering gratis te bezichtigen. Dit past ook binnen de filosofie van Rivera, die het liefst zijn werk uitvoerde in openbare ruimtes, zodat het het grote publiek er van kon genieten. Inmiddels was ik er achter gekomen dat er een nog grotere schildering van Rivera in San Francisco te zien was. Alleen bevond die zich aan de andere kant van de stad, op de campus van het City College of San Francisco.

Het weer was ondertussen echter zodanig betrokken dat het niet meer zo aangenaam was om rond te wandelen. San Francisco is regelmatig in mist gehuld en deze middag was het ook weer zo ver. Ik was er niet helemaal opgekleed, aangezien het een dag eerder nog stralend warm weer was in de stad. Overigens verbleef ik nabij Palo Alto (zo'n 50 km naar het zuidoosten), waar het de gehele dag warm en zonnig was. De mist beperkt zich namelijk tot de kust en komt zelden de Santa Cruz Mountains over. Ik besloot mijn stadswandeling kort te sluiten en het grootste aaneengesloten fresco van Rivera te bezoeken. Vanaf het BART-station Montgomery nam ik de metro naar Balbao Park en vanaf daar was het nog slechts een korte winderige wandeling naar de sombere, betonnen campus.

The Making of a Fresco Showing the Building of a City
(mijn matige foto's doen het werk overigens geen recht)

In 1940 keerde Rivera nog eenmaal terug naar San Francisco. Op Treasure Island, midden in de baai, was sinds 1939 de  Golden Gate International Expo aan de gang. Rivera was uitgenodigd om tijdens het tweede seizoen van de expositie een grote schildering op tien panelen te maken, die later in een nog te bouwen bibliotheek zou komen te hangen. Te midden van het publiek werkte hij samen met een flink aantal assistenten aan het fresco getiteld Pan American Unity, dat maar liefst 22,6 bij 6,7 meter zou beslaan. Om verschillende redenen kwam de geplande bibliotheek er nooit en zo bleven de voltooide panelen na expositie tientallen jaren buiten het zicht van het publiek.

Uiteindelijk kwam het werk dus terecht op de grauwe jaren-zestig-campus van het City College of San Francisco. In de smalle lobby van het Diego Rivera Theater is net voldoende plek om de volledige wandschildering op te stellen. Maar de ruimte is eigenlijk te klein om het werk tot zijn recht te laten komen. Er is wel een verstopt, klein balkon waarvandaan je een redelijk overzicht kunt krijgen. Onderwerp zijn verschillende aspecten van de Amerikaanse cultuur, van de Azteken via de Founding Fathers naar de moderne kunst en de industriële revolutie. Dit alles tegen de achtergrond van een panorama van de Baai van San Francisco, met prominent het expositieterrein op Treasure Island in beeld rechts van het midden.

Het voert te ver om de complexe iconografie in detail te gaan behandelen. Daarvoor heeft het City College een hele handige website gemaakt, waar het een en ander wordt uitgelegd. Rivera schilderde dit werk in een roerige tijd en dat komt ook in verschillende scenes naar voren. Onderaan paneel 4 zijn Stalin, Hitler en Mussolini als tiranniek driemanschap afgebeeld. Rivera mag dan van huis uit communist zijn geweest, hij had het al geruime tijd niet zo op de Sovjet-Unie. En door de moord op Trotsky, het Molotov-Ribbentroppact, de invasie van Polen, Finland en de Baltische Staten was Stalin voor hem op hetzelfde demonische niveau als Hitler gekomen. Op de schildering komt Amerika van linkerzijde ten hulp. Een beeld dat op dat moment eerder op hoop dan werkelijkheid berustte en waarmee Rivera het publiek van de tentoonstelling wilde aansporen het dan nog heersende isolationisme te doorbreken.

Een groots en indrukwekkend epos, dat desalniettemin door veel kenners niet als zijn beste werk wordt gezien. Wellicht speelt de ietwat obscure en vrij ontoegankelijke locatie van het fresco mee. Onbekend maakt immers onbemind.  En de te smalle lobby van een grijs jaren-zestig-gebouw biedt ook niet de monumentale architectonische omlijsting die zijn werken in Detroit en Mexico-Stad wel hebben. In vergelijking met Pan American Unity vond ik The Making of a Fresco... wel iets meer eenheid en harmonie uitstralen, hoewel dat ook op een kleinere schaal was. Dit was echter de eerste keer dat ik in levende lijve het werk van Rivera mocht aanschouwen, dus ik kan de relatieve kwaliteit niet helemaal beoordelen. Ik vond het in elk geval de omwegen meer dan waard en kan de wandschilderingen aan iedereen die ooit eens in de buurt komt aanraden.

dinsdag 6 november 2018

Wandelen door een verstild Los Angeles


Afgelopen zomer kwam een bezoek aan Los Angeles op mijn pad. Ik ben een zelfverklaard liefhebber van grote steden, maar LA stond mij van tevoren niet echt aan. Te veel auto's en te weinig openbaar vervoer, zo dacht ik. En te weinig interessante bezienswaardigheden. Uiteindelijk bleek het een zeer geschikte stad om wat rond te wandelen en er was genoeg te zien om mezelf in elk geval een paar dagen zoet te houden. Wat me opviel, was dat het op veel plekken zo rustig was. Het had vaak meer weg van een uitgestrekte woonwijk dan van een grote stad.

Nadat ik 's middags vanaf het vliegveld bij mijn hostel in Koreatown was aangekomen en mijn maag gevuld had met de nodige lokale specialiteiten, besloot ik dat het tijd was voor een wandeling naar de La Brea Tar Pits. Deze teerputten zijn vooral bekend vanwege de fossielen van kleine en grote zoogdieren die hier zo'n 20.000 jaar geleden in opborrelende dikke aardolie vast kwamen te zitten. In het begin van de twintigste eeuw werden de olievelden van het Los Angeles-bekken op grote schaal ontgonnen en kwamen hier botten van onder meer mammoeten, sabeltandtijgers en grondluiaards aan het licht. Het was ongeveer een uur lopen over 6th street langs art-deco appartementencomplexen en vooroorlogse LA mansions. Een aantrekkelijk en afwisselend straatbeeld, dat mij zeker positief verraste.

De teerputten zijn tegenwoordig onderdeel van Hancock Park, een openbaar park met een educatieve inslag. De olie komt er nog altijd uit de bodem pruttelen en er hangt duidelijk zwavelachtige lucht. Ik zou haast durven te spreken van een authentieke ervaring. Er is ook een museum, maar dat was al dicht tegen de tijd dat ik aankwam. Het museum is een interessante modernistische constructie, bekroond met een betonnen fries waarop een artistieke impressie van het leven rond teerputten is afgebeeld. In de grote vijver staat het beroemde beeld van de verzuipende mammoet, met vrouw en kind hulpeloos toekijkend op de oever. Een bordje geeft uitleg dat het geheel niet helemaal wetenschappelijk verantwoord is, aangezien de de mammoeten die vast kwamen te zitten in overgrote meerderheid solitair levende mannetjes waren.


 


Ik liep terug over Wiltshire Boulevard en onderweg kwam ik een een vreemd groot wit gebouw met vrijmetselaarssymbolen tegen. En in de omgeving zag ik borden die gewag maakten van een installatie van Olafur Eliasson, de bekende Deens-IJslandse kunstenaar. Ik besloot de zaak uit te zoeken en kwam er achter dat het grote witte gebouw dienst deed als een galerie waar de installatie Reality Projector van Eliasson te zien was. En dat het zelfs gratis was, op voorwaarde dat je van tevoren online een kaartje wist te bemachtigen. Dit alles dankzij de vrijgevigheid van de gebroeders Marciano, rijk geworden van het kledingmerg Guess. Ik slaagde er in een kaartje voor de volgende dag te reserveren en kon mij zodoende verheugen op een onvervalste Amerikaanse trickle-down kunstbeleving.

Nadat ik mezelf op een onvervalst Amerikaans ontbijt getrakteerd had, met pannenkoeken en al, ging ik op pad richting de kunsthal. Het was net als gisteren bepaald niet te warm (zo'n 18 graden), grotendeel bewolkt en dus een goede dag voor een wandeling. De Marciano Art Foundation bleek inderdaad in een voormalige vrijmetselaarsloge gehuisd te zijn. Het gebouw had een tijd leeg gestaan en was net gerenoveerd voor de nieuwe bestemming. De installatie van Eliasson was in een grote lege donkere ruimte, die eerder dienst had gedaan als het theater van de loge. Het kunstwerk bestond uit een projectie van verschuivende kleurvlakken op een groot filmdoek, dat de gehele achterwand besloeg. De beelden werden begeleid door een abstract-industriële soundtrack. In de opengewerkte dakconstructie van de hal waren in de openingen verschillende kleurenfilters bevestigd waarachter twee projectors heen en weer bewogen. Het was wel weer een mooie belevenis en ik denk dat de kunstenaar zelf het best kan vertellen wat zijn bedoelingen met het werk waren.


Ik vervolgde mijn weg door een van de meer welgestelde delen van Central LA. Omgeven door mooie klassieke Amerikaanse villa's, dreven mijn gedachten weg naar films als Sunset Boulevard en ik vroeg me af of hier zich ook vergeten filmsterren achter de gordijnen schuilhouden. Ze liepen in elk geval niet over straat, want ik was zo ongeveer de enige voetganger in de buurt. Het werd iets levendiger toen ik Larchmont Village binnenliep, wat een soort hipster-enclave scheen te zijn. Met een ware farmers market, en de gebruikelijke koffietentjes. Dit soort buurtjes zijn toch inmiddels wel vrij inwisselbaar. Het hoge prijspijl van de koopwaar op de markt was hier nog wel het meest opmerkelijke. Maar later kwam ik er achter dat supermarkten in Californië ook een stuk duurder zijn dan in Europa en dat het dus wellicht relatief allemaal nog wel meeviel. Ik was overigens nog niet aan eten toe, dus ik vervolgde mijn weg richting Hollywood.

Ik kwam langs de Paramount Studios, de enige van de grote filmstudio's die nog in Hollywood gevestigd is. De andere grote spelers zijn al geruime tijd in andere delen van Los Angeles gevestigd, waar meer plek was om uit te breiden. Ik liep verder richting Santa Monica Boulevard, waar ik omgeven werd door half-louche autodealers en lichtelijk vervallen strip malls. Hollywood mag dan synoniem zijn voor glitter en glamour, in werkelijkheid is het bepaald niet de rijkste wijk van Los Angeles. Ik sloeg rechtsaf om een bezoek te brengen aan een van de meer obscure bezienswaardigheden van de filmstad: Hollywood Forever Cemetary. Deze begraafplaats, geopend in 1899, is een uitgestrekt, parkachtig veld met palmbomen. Waarop her en der pronkgraven van meer en minder bekende grootheden uit het verleden prijken, te midden van vele 'gewone' voormalige buurtbewoners, waarvan een opvallend groot deel een Armeense achtergrond bleek te hebben. Het verbaasde me weinig dat juist de Flaming Lips op deze vervreemdend, melancholieke locatie eens een optreden gaven, met een toegift de volgende ochtend.

 
 

Na de necropolis te hebben verkend, was ik wel redelijk hongerig geworden. De wat goedkopere buurt bood ook betaalbare etablissementen. En met behulp van mijn trouwe vriend Google wist ik een degelijke Mexicaanse tent op te sporen. Het eten viel bepaald niet tegen. Uitgerust en voldaan kon ik mij derhalve opmaken voor de toeristenmassa's van Hollywood Boulevard. Het was niet ver naar de straat met de sterren in de stoep. De illusie dat dit de plek is waar het allemaal gebeurt trekt blijkbaar nogal wat mensen aan, want ik was er bepaald niet de enige. Het was voorlopig gedaan met de rust.

Gelukkig was er wel wat interessante architectuur te bekijken, want anders is het toch wel een onvervalste tourist trap. Voor mij sprong het Capitol Records Building in het oog, waar onder meer de Beach Boys een deel van hun oeuvre opnamen en waar de bobo's huisden die het grootste deel van de verdiensten opstreken. Verder zijn de monumentale bioscopen uit de jaren '20 een lust voor het oog. Helaas was ik niet in de gelegenheid in een van deze filmhuizen een voorstelling bij te wonen, want dat schijnt ook nog wel de moeite waard te zijn. Voor de rest wordt het straatbeeld bepaald door allerhande Amerikaanse toeristenonzin, waar ik verder geen woorden aan vuil wens te maken.

In plaats van mij nog langer in de hersenloze massa's te verliezen, besloot ik een tip van een vriendin ter harte te nemen. Zij had me gewezen op het nabijgelegen park Runyon Canyon. Het park bestaat uit een droog rivierdal en wat heuvels, die een weids uitzicht bieden over Hollywood en de rest de stad. Het was een mooie plek om even tot rust te komen en terug te kunnen kijken op de gelopen route. Het panorama van de eindeloze stad was indrukwekkend. Hoewel ik nog niet volledig overtuigd was van de zegeningen van LA, was het me ook niet tegen gevallen.

Route dag 1
Route dag 2



maandag 13 november 2017

Padua, in het voetspoor van Goethe

Gedurende mijn verblijf in Padua las ik een reisverslag van een andere noordeling die ruim tweehonderd jaar geleden Italië aandeed. Goethe was in 1786 vanuit Frankfurt op weg naar Rome. Hij nam de route over de Brennerpas en zijn eerste reisdoel was Venetië. Zo kwam hij dus ook langs Padua, waar hij een dag of twee verbleef.

Padua was eind achttiende eeuw vooral befaamd vanwege de gerenommeerde universiteit. De eeuwenoude academie maakte op Goethe echter een belabberde indruk:
>Das Universitätsgebäude hat mich mit aller seiner Würde erschreckt. Es ist mir lieb, daß ich darin nichts zu lernen hatte.
Er was een aspect van de universiteitsstad dat de geleerde Duitser wel kon bekoren, de botanische tuin:
Der botanische Garten ist desto artiger und munterer. Es können viele Pflanzen auch den Winter im Lande bleiben, wenn sie an Mauern oder nicht weit davon gesetzt sind. Man überbaut alsdann das Ganze zu Ende des Oktobers und heizt die wenigen Monate. Es ist erfreuend und belehrend, unter einer Vegetation umherzugehen, die uns fremd ist.  
Gelukkigerwijs is de botanische tuin zoals Goethe die bezocht, vandaag de dag ook nog te bewonderen. Het is de oudste botanische tuin ter wereld en tevens UNESCO werelderfgoed. De oudst nog levende plant is de zogeheten Goethepalm. Deze, inmiddels tot hoge struik uitgegroeide, Europese dwergpalm is in 1585 geplant en is daarmee even oud als de tuin zelf.


De botanische tuin, met de Goethepalm in een speciaal gebouwde kas
De palm wordt niet expliciet in de Italienische Reise vermeld, maar dankt zijn naam aan de passage die Goethe er in zijn Geschichte meines botanischen Studiums wijdt. De observaties die hij maakte aangaande deze boom, zouden dienen voor zijn latere studie Versuch die Metamorphose der Pflanzen zu erklären (1790), een van zijn meer invloedrijke natuurwetenschappelijke publicaties. Het voert te ver om precieze inhoud en context van dit werk te bespreken (zie hier), dus laat ik mij beperken door te vermelden dat ene Charles Darwin het met aandacht heeft gelezen.

De idee dat alle planten naar een soort archetypische Urpflanze zijn gemodelleerd, speelde al in Italië door het hoofd van Goethe (zie hier voor meer interessante achtergrondinfo). Juist bij het beschouwen van de ongekende floristische verscheidenheid van de tuin in Padua, raakt hij van de gedachte doordrongen dat alle planten wellicht een gemeenschappelijke vorm hebben van waaruit ze zich ontwikkeld hebben:
Hier in dieser neu mir entgegentretenden Mannigfaltigkeit wird jener Gedanke immer lebendiger, daß man sich alle Pflanzengestalten vielleicht aus einer entwickeln könne.
De Goethepalm is een van de pronkstukken van de tuin, die ook zijn oorspronkelijke indeling en architectuur nog heeft behouden. Naast het historische gedeelte van de tuin is er op een kleine, doch respectvolle afstand, ook een grote, moderne kas. Hierin zijn verscheidene tropische biotopen herschapen en wordt de bezoeker op educatieve wijze ingelicht over de ongekende verwoesting die de mens op Aarde zo her en der aanricht.


De tropische kas van binnen
De kas van buiten, met de basiliek van Santa Giustina op de achtergrond

Goethe was natuurlijk van alle markten thuis en in Italië ging zijn aandacht begrijpelijkerwijs vooral uit naar het alomtegenwoordige culturele erfgoed. In de Italienische Reise worden vele kunstwerken van naam uitvoerig door hem becommentarieerd. Zoals elke kritische toerist, heeft ook Goethe een bewuste selectie gemaakt uit het cultuuraanbod. De keuzes die hij maakt reflecteren zijn persoonlijke voorkeuren en de tijdgeest. In de Veneto schrijft hij met verve over het oeuvre van Palladio, een bouwmeester die hem na aan het hart lag en in de achttiende eeuw helemaal in de mode was.

Maar het kwam ook voor dat Goethe qua smaak zijn tijd vooruit was. In Padua bezocht hij onder meer de Eremitani-kerk, met de fresco's van Andrea Mantegna in de Ovetari Kapel. Goethe was uiterst lovend over het werk van de meester uit de vijftiende eeuw:
In der Kirche der Eremitaner habe ich Gemälde von Mantegna gesehen, einem der älteren Maler, vor denen ich erstaunt bin. Was in diesen Bildern für eine scharfe, sichere Gegenwart dasteht!
In de voetnoten van mijn editie vermeldt Herbert von Einem dat deze roem opmerkelijk is en in schril contrast staat tot de hoon die Mantegna in de tijd van Goethe meestal ten deel viel:
Goethes Bemerkungen über Mantegna sind von hohem kunstgeschichtligem Wert. Während sein Führer Volkmann die Fresken noch als "gotisch und sehr maniriert" aburteilt, hat Goethe die eigenwürchsige Kraft Mantegnas und die geschichtlige Bedeutung seiner Kunst klar erkannt.
Helaas kon ik het meesterwerk niet in volle glorie aanschouwen, want juist de Ovetari-kapel is verwoest tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het grootste deel van Padua is oorlogsgeweld bespaard gebleven, maar een Amerikaans bombardement gericht op nabijgelegen Duitse barakken trof op 11 maart 1944 de Eremitani-kerk.

Sinds die tijd is de kerk weer heropgebouwd en heeft men aan de hand van teruggevonden fragmenten het fresco met pijn en moeite weer enigszins gereconstrueerd. Het werk is vooral van belang vanwege de revolutionaire toepassing van perspectief, met name in de scene die het martelaarschap van Sint-Jacob verbeeldt. Doordat de leegtes tussen de fragmenten door een zwart-wit reproductie worden opgevuld, is het meesterschap van Mantegna nog altijd te bewonderen.


Het martelaarschap van Sint-Jacob in de Ovetari Kapel
Zoals ik de vorige keer schreef, waren de fresco's van Giotto in de Scrovegni Kapel voor mij de voornaamste aanleiding om Padua te bezoeken. Goethe laat dit werk opvallend genoeg in geen van zijn geschriften de revue passeren en heeft het dus waarschijnlijk dan ook niet gezien. Von Einem vindt dat, met rede, eeuwig zonde:
Es ist tief bedaurlich, daß Goethe eine ähnlich starke persönliche Begegnung in der Cappella dell' Arena mit Giottos berühmten Fresken versagt geblieben ist.
Waarschijnlijk is deze omissie te wijten aan de relatief geringe statuur die het werk van Giotto in de achttiende eeuw had, hoewel Goethe hem wel degelijk enige malen in zijn geschriften bij name noemt. Dus helemaal vergeten was hij zeker niet. Maar van de roem die Giotto bij leven toekwam, was niet veel meer over.

Voor Goethe was het bezoek aan Padua niet veel meer dan een aangenaam en inspirerend oponthoud op weg naar Venetië. Daar kon hij zich verbazen over de wonderbaarlijke handelsstad gebouwd midden in de Lagune. Goethe had het voorrecht als een van de eerste echte toeristen de laatste ademteugen van de Venetiaanse Republiek vast te leggen. Tien jaar later maakte Napoleon een definitief einde aan La Serenissima. Voor mij was Venetië een brug te ver deze zomer. Wellicht dat ik in het laagseizoen ooit eens een poging waag, maar vooralsnog schrikt het overweldigende massatoerisme mij af.


De route die Goethe tussen 1786 en 1788 door Italië volgde

maandag 30 oktober 2017

Padua, een korte confrontatie met Giotto

Deze zomer bracht mij voor het eerst in lange tijd weer naar Italië. Waar ik in vroeger tijden verscheidene keren Toscane had aangedaan, wachtten nu de uitgestrekte vlaktes van de Veneto. Het eigenlijke doel van mijn reis was het westen van Slovenië (waarover later wellicht meer). Maar aangezien mijn vlucht mij naar de luchthaven van Venetië bracht, besloot ik eerst een paar dagen in het Padua door te brengen.

Venetië vanuit het vliegtuig

Waarom Padua? Een woord: Giotto. In Toscane en Rome heb ik in voorgaande jaren al verscheidene hoofdwerken uit de schilderkunst van de Renaissance mogen bewonderen, maar er was in mijn ogen nog een allergrootste omissie. En dat was de vermaarde Scrovegni Kapel in Padua. En waarom dan niet Venetië, toch ook een van de centra van de Renaissance? Tja, tussen droom en werkelijkheid staan praktische bezwaren. Venetië is in juli een van de plaatsen waar ik nou niet bepaald wil zijn. De globale toerisme-apocalyps in uitvoering. Duur en verschrikkelijk druk.

Padua is daarentegen een relatief slaperige universiteitsstad, waar het in de zomer opvallend rustig is. En gezegend met een grote goed bewaarde Middeleeuwse binnenstad met vele interessante bezienswaardigheden. Waarvan de Scrovegni Kapel dus het onvermijdelijke klapstuk is. De kapel is overigens ook wel bekend als de Arena Kapel, dit omdat hij gesitueerd is naast de ruïnes van een Romeins amfitheater.

De Scrovegni Kapel, met restanten van de Romeinse arena links

De kapel is gebouwd in opdracht van Enrico Scrovegni, een rijke lokale bankier. Hoewel bankier wellicht een te neutrale term is. De ziel van Enricos vader Reginaldo wordt door Dante in de zevende cirkel van de hel geplaatst, als zijnde een berucht woekeraar. Zoonlief vond het blijkbaar nodig de zondes van het familiebedrijf af te kopen met een kapel, grenzend aan het (niet bewaard gebleven) stadspaleis van de Scrovegni's.

Voor de decoratie van de ruim bemeten kapel nam Enrico niet de eerste de beste in dienst. Zoals het een patserige parvenu betaamt, spaarde hij kosten noch moeite en gaf hij de opdracht aan de schilder die op ieders lippen lag en de meest modieuze kunst van zijn tijd produceerde. Giotto had reeds in Assisi en aan het pauselijk hof in Rome gewerkt en was wellicht de eerste kunstenaar sinds de oudheid was die bij leven een landelijke beroemdheid was. Hij beschilderde tussen 1303 en 1305 (samen met zijn assistenten) de muren en gewelven volgens een nauwkeurig uitgedacht schema, met onder meer scènes uit het leven van Jezus en Maria.

Scènes uit het leven van Jezus
Overigens komt ook Giotto in de Goddelijke Komedie (geschreven vrij kort na de voltooiing van de kapel in Padua) voorbij. In een passage in het vagevuur (XI, 91-96) mijmert Dante over de vergankelijkheid van de roem. Waar eerst Giotto's leermeester Cimabue de scepter zwaaide, is deze nu door zijn pupil in naam en faam reeds lang voorbij gestreefd. Faam die wellicht toch niet zo vergankelijk was als Dante dacht, want ruim 700 jaar later geniet Giotto nog altijd een zekere beroemdheid.

Wat was er dan zo belangwekkend aan zijn schilderingen, dat juist Giotto niet vergeten is en het overgrote deel van zijn tijdgenoten wel? Wel nu, Giotto wordt vaak, terecht of niet, als een soort aartsvader van de Renaissance beschouwd. De fresco's in de Scrovegni Kapel zijn het best bewaarde en het meest omvangrijke met zekerheid aan Giotto toegeschreven werk en deze worden vaak als een keerpunt in westerse kunstgeschiedenis gezien. De formalistische byzantijnse stijl, die tot dan toe ook de westerse schilderkunst domineerde, maakt hier plaats voor een meer naturalistische stijl.
[Uiteraard is dit een ietwat vereenvoudigde verklaring en het valt te zeggen dat de trend richting naturalisme al eerder was ingezet en Giotto eerder trendvolger dan trendbreker was.]

De bewening van Christus, waarschijnlijk de beroemdste scène van de cyclus
Binnen de byzantijnse traditie worden scenes uit de bijbel binnen een strikt vaststaand patroon afgebeeld en is er weinig relatief ruimte voor persoonlijke interpretaties van de kunstenaar. Giotto had ogenschijnlijk lak aan deze versteende conventies en presenteerde in de Scrovegni Kapel een hele eigen artistieke weergave van de Bijbelverhalen. Hij streefde naar een zo natuurlijk mogelijk weergave van de verschillende scenes en presenteerde de Bijbelse personages als mensen van vlees en bloed met menselijke emoties. Zijn aanpak was, op zijn zachtst gezegd, invloedrijk en hij kreeg al snel vele navolgers.

De Scrovegni Kapel maakt tegenwoordig onderdeel uit van het gemeentelijke museale ensemble Musei Civici di Padova en toegang is streng gereguleerd. Je moet vooraf bespreken en wordt dan met een kleine groep 15 minuten in de de kapel gelaten. Dat is natuurlijk eigenlijk wat te kort om het grootse Gesamtkunstwerk op je in te laten werken, maar de beheerders beweren dat het noodzakelijk is uit conservatie-oogpunt. De korte ervaring is desalniettemin indrukwekkend en overweldigend, naar mijn bescheiden mening.

In Padua is natuurlijk nog wel een stuk meer te zien. Maar daar zal ik nu niet veel verder over uitweiden. Het is zoals in elke Italiaanse stad ook uitstekend culinair genieten, zeker als je de betere kleine restaurants in de achterafstraatjes van het oude centrum weet te vinden. Padua trekt al eeuwenlang toeristen, al waren het vroeger meestal welgestelde heren die Italië op hun grand tour aandeden. Volgende keer zal ik mijn licht laten schijnen op de ervaringen in Padua van wellicht de bekendste Italiëganger. Dan zal ook blijken dat Giotto in de tijd van Goethe helemaal niet over onvergankelijke roem leek te beschikken. Dante had het dus niet helemaal bij het verkeerde eind.

Het Laatste Oordeel

zondag 31 augustus 2014

Een pijnlijke pelgrimage

Gestimuleerd door mijn succesvolle avontuur een dag eerder naar Seokbulsa en de wervende teksten op de website Dale's Korean Temple Adventures, besloot ik voor de volgende tocht nog een excursie richting belangrijk boeddhistisch erfgoed te plannen. Alleen was het dit keer niet op steenworp afstand van mijn basiskamp in Busan, maar in Bulguksa (불국사), bijna twee uur met de trein naar het noorden. Op papier al een hele onderneming, gezien de eentaligheid van het Koreaanse openbaar vervoer, maar in de praktijk bleek het een lijdensweg, want ik was de hele dag doodziek. Dat ik toch heb doorgezet, tot aan de op een heuveltop gelegen Seokguram-grot aan toe en ook weer (min of meer) heelhuids thuis wist te komen, geeft wellicht wel een idee van mijn gedrevenheid om mijn bedevaart tot een goed einde te brengen. In eerste instantie had ook nog gedacht om in de middag een bezoek te brengen aan de nabijgelegen stad Gyeongju, maar gelukkig had ik nog net wel voldoende gezond verstand om dat voornemen voor een volgende reis te laten.

Om te begrijpen waarom ik mij zoveel moeite getrooste om een paar tempels te bezoeken, eerst maar een citaat afkomstig van Dale's eerder genoemde en zeer aanbevelenswaardige blog:

Bulguksa Temple (“Buddhist Country Temple”) is a must to any trip to Korea, whether it’s one year or one day. For this reason, Bulguksa Temple is recognized as one of ten UNESCO World Heritage Sites in Korea for good reason.

En dat gaat alleen nog maar over het tempelcomplex. Op de top van de naburige heuvelrug is een wel zeer bijzonder boeddhistisch heiligdom te vinden: de Seokguram-hermitage (석굴암), een door mensenhanden geconstrueerde grot met daarin verscheidene sculpturen en in het bijzonder een groot beeld dat 'de historische Boeddha' (Seokgamoni-bul) verbeeldt. Dale schrijft hier over:

...in my very humble opinion, Seokguram Hermitage possesses the most beautiful artifact in all of Korea: the grotto’s gorgeous granite statue of the Seokgamoni Buddha.
en:
With the most beautiful and crowning achievement of religious artistry in Korea, Seokguram Hermitage rates a perfect ten out of ten.  In all of my travels throughout various temples in Korea, I have yet to be spell-bound as much as I am (and subsequent times) when I visit Seokguram Hermitage.  Other temples and hermitages may be bigger in size and scope or have greater historical/cultural significance, but all pale in comparison to the simple beauty the hillside grotto radiates.

Dat moest ik dus zien. 

En gelukkig heb ik het ook gezien. En uiteindelijk was het de moeite zeker waard, maar het het heeft wat moeite gekost. Ik werd 's ochtends vroeg misselijk wakker en ik moest gelijk overgeven. Ik hoopte en verwachte dat de misselijkheid snel over zou zijn, maar dat was niet het geval. Ik heb de hele dag geen eten binnen kunnen houden en eigenlijk ook nauwelijks kunnen drinken. Wat natuurlijk best vervelend is als je een lange, ingewikkelde reis maakt.

En een ingewikkelde reis was het toch wel een beetje. Ik verbleef in Busan in het stadsdeel Haeundae.Vanaf het station om de hoek zou ik volgens de reisplanner in Google Maps eenvoudig de trein richting Bulguksa kunnen nemen. Alleen was Google Maps helaas nog niet helemaal up to date. Er was namelijk net een nieuwe spoorlijn geopend en als gevolg daarvan was het station van Haeundae zo'n vijf kilometer verplaatst. In het hostel wisten de mensen aan de balie van niks. De meeste gasten reizen met de hogesnelheidslijn vanaf Seoul, komen dan aan op het centraal station van Busan en nemen vanaf daar de metro naar Haeundae. Slechts weinigen gaan blijkbaar op eigen gelegenheid op avontuur richting het binnenland. Maar uiteindelijk wist ik er toch achter te komen welke bus ik moest nemen naar het station, alleen het probleem met bussen in Korea is dat meestal wel duidelijk is welke bus je moet nemen (er staan immers nummers op), maar dat het vaak lastig is om er achter te komen waar je uit moet stappen. Als er in de bus al informatie is over de volgende halte, dan is die meestal alleen in het Koreaans.

Met goede moed begon ik dus zodoende 's ochtends vroeg aan mijn dagtochtje. De bus reed als een gek door de vroege ochtendspits, iets wat ik gezien mijn precaire gesteldheid niet echt kon waarderen. Doordat ik het straatbeeld op Google Maps in me op had genomen, ik wist wanneer de bus op de halte aan zo moeten komen en ik dacht dat de halte omgeroepen werd, stapte ik op een gegeven moment uit. Het was vanaf de bushalte nog een paar honderd meter lopen naar het station, dus het was niet meteen duidelijk dat ik op de juiste plek was uitgestapt. Het bleek gelukkig allemaal te kloppen

Op het station aangekomen, was de volgende hindernis dat ik aan een kaartje moest zien te komen. Ik zag geen automaten, die wellicht nog een Engels menu zouden kunnen hebben gehad, dus ik moest mijn geluk maar aan het loket beproeven. Uiteraard sprak er niemand Engels, maar ik had Bulguksa in het Koreaans opgeschreven en blijkbaar zonder spelfouten, want men begreep waar ik heen wilde. De treinreis was verrassend goedkoop, een paar euro voor een reis van toch wel anderhalf uur. In de trein had ik ook nog behoorlijk last van wagenziekte, terwijl het toch een stuk rustiger zat, dan in een bus die met topsnelheid door de bochten scheurt.

Vanaf het station van Bulguksa moest ik nog een bus nemen om bij de tempel te komen. En ook hier bleek de info die ik van Google Maps had afgeleid niet te kloppen. Uiteindelijk wist ik de juiste bushalte te vinden en ook de lijn die me naar de tempel zou brengen. Wat het reisgemak dan weer wat ten goede kwam, was dat je ook op het platteland in de lokale bussen dezelfde chipkaart kon gebruiken als in de metro van Seoul en Busan. En de chipkaart kon je eenvoudig met contanten opladen bij elke gemakswinkel.

Het overdreven sportieve rijgedrag van de Koreaanse buschauffeurs was helaas niet beperkt tot de grote steden. Ook de bus naar de tempel ging weer zo hard mogelijk door alle bochten heen en volgens mij werden de verkeersregels ook met een korreltje zout genomen. Uiteindelijk kwam ik rond een uur of tien behoorlijk afgepeigerd bij de tempel aan. Dat het inmiddels in de felle zon behoorlijk warm begon te worden, hielp ook niet echt.

Maar zoals gezegd liet ik me niet ontmoedigen door fysiek ongemak. Het leven is immers lijden. En het zou toch wel te gek worden als ik me door fysiek lijden zou laten weerhouden een bezoek te brengen aan een van de absolute boeddhistische hoogtepunten van Korea.

De tempeltuin

De tempel van Bulguksa was een stuk toeristischer dan die van Seokbulsa, die ik een dag eerder had bezocht. Aan de rand lagen grote parkeerterreinen, die bezet waren door vele bussen. Het pad naar de tempel werd omzoomd door tentjes die eten, drinken en snuisterijen verkochten. Voor deze tempel moet wel een kaartje worden gekocht en na de poort wandel je eerst nog een stukje door een fraaie tuin totdat je bij het eigenlijke tempelcomplex aankomt.

Helaas werd de algehele indruk wat ontsierd door een hoge metalen doos die boven de tempel uittorende. Eerst dacht ik dat het wanstaltig modernistisch bezoekerscentrum was, in een poging ook het Koreaanse werelderfgoed van een 21ste eeuws cachet te voorzien. Het bleek gelukkig een bouwwerk van meer tijdelijke aard te zijn, dat op een van de binnenplaatsen was opgericht om restauratiewerkzaamheden te faciliteren.


Zoals eigenlijk alle houten tempels in Azië is ook de huidige staat van Bulguksa het resultaat van een reeks restauraties. Maar waar veel oude tempels in Japan eigenlijk onafgebroken zijn onderhouden (met de tempel van Hōryū-ji als schoolvoorbeeld), is dat in Korea nadrukkelijk niet het geval geweest. Bulguksa stamt oorspronkelijk uit de zogenaamde Verenigde Silla-periode (668–935), toen het boeddhisme in Korea een grote artistieke bloei kende. Maar in de latere Joseon-dynastie (1392-1897) werd het boeddhisme van overheidswege bepaald niet gestimuleerd en in zekere zin zelfs onderdrukt ten faveure van het confucianisme. Bulguksa raakte zodoende ook danig en verval. Een situatie die niet bepaald verbeterd werd door de Japans overheersingin de eerste helft van de twintigste eeuw en de daarop volgende oorlogen .

Pas in de jaren zeventig, onder het bewind van de dictator Park Chung-hee, kreeg het (boeddhistische) erfgoed uit de Silla-dynastie aandacht van het landsbestuur. Terwijl in Seoul en Busan oude stadswijken in hoog tempo plaats moesten maken voor snelwegen en hoogbouw, werd de oude Silla-hoofdstad Gyeongju onder strenge monumentenzorg geplaatst en werd ook het nabijgelegen Bulguksa gerestaureerd. 

De vraag rijst allicht in hoeverre wat je nu ziet origineel is. De stenen fundament stammen uit de Silla-periode, maar eigenlijk alle houten gebouwen zijn van later datum en alle felgekleurde geverfde ornamenten moeten sowieso elke tien jaar worden bijgehouden. Maar in wezen is dat natuurlijk een haast filosofische kwestie. Alle cellen in mensenlichaam worden gedurende een mensenleven meermalen vervangen. Maar verandert daardoor de persoon dan ook? Ik zou zeggen van niet. Bij monumenten ligt het nog iets complexer, omdat het voor kan komen dat latere aanpassingen aantoonbaar niet origineel zijn. De leien daken van Carcassonne schieten mij zo te binnen. In Bulguksa leek het mij allemaal met zorg te zijn gedaan en het geheel kwam op mij in elk geval authentiek over. Maar ja, wat is dus authenticiteit en wie ben ik om daar over te oordelen?


Ondanks de vrij grote stroom toeristen en de status als nationaal monument was de tempel ook nog wel degelijk in gebruik. In bepaalde paviljoens waren diensten aan de gang, er werd hartstochtelijk wierook gebrand en je mocht geen foto's maken van de tempelinterieurs. Het bovenop de naastgelegen heuvel gelegen heiligdom Seokguram had een nog sterkere atmosfeer van een actief spiritueel centrum. Hier had je echt het idee dat dit eerder als bedevaartsoord functioneerde, dan als toeristische attractie. 

Ik had eerst gedacht omhoog naar Seokguram te lopen, maar gezien mijn zwakke gesteldheid besloot ik toch maar de bus te nemen. De weg ging sterk slingerend door haarspeldbochten omhoog en indachtig het reeds genoemde rijdgedrag van de Koreaanse bussen kan men zich wellicht wel voorstellen dat de busreis niet noodzakelijk veel prettiger was dan een voettocht bergop. Maar gelukkig wel korter en boven aangekomen kon ik rustig even uitblazen en van het uitzicht genieten.

Vanaf de parkeerplaats ging er een kronkelend, breed pad naar de Seokguram toe. Het pad was versierd met lampions en vlaggen, iets wat er wellicht mee te maken had dat twee dagen later de verjaardag van Siddharta Gautama gevierd wordt en dat juist dit heiligdom specifiek aan de historische Boeddha is gewijd. Maar misschien hangen die versierselen er wel het hele jaar.

In de grot zelf mochten geen foto's gemaakt worden.

De eigenlijke grot is vrij klein en daardoor lijkt het Boeddhabeeld nog wat groter dan het toch al is. Helaas wordt het zicht op het sublieme kunstwerk beperkt door een plexiglazen scherm dat er uit conservatie-overwegingen geplaatst is tussen publiek en Boeddha. Het deed nogal provisorisch aan en het is ook te hopen dat het een tijdelijke oplossing is en dat in de toekomst een betere afscheiding geplaatst wordt, die beter tegemoet komt aan de wensen van conservators en bezoekers. Desalniettemin maakten de beelden en de hele ruimte de indruk van een magistraal meesterwerk. 

Om het allemaal even te laten bezinken en om nog een busrit nog even uit te stellen, besloot ik het pelgrimspad naar beneden te lopen. Het liep over de beboste heuvelhelling en begon vrij steil, maar werd geleidelijk aan vlakker. Na een uur was ik weer bij de tempel van Bulguksa. Daar besloot ik dat het wel mooi geweest was voor deze dag. Het was nog maar aan het begin van de middag en ik zou nog wel genoeg tijd hebben gehad om een kort bezoek te brengen aan Gyeongju. Maar mijn hoofd en mijn buik stonden daar niet meer naar en dus nam ik de bus naar het station van Bulguksa.

Op het station sprak de man bij het loket zowaar wat Engels, ik moest echter nog wel ruim een uur op de trein wachten. Gelukkig hield mijn lichaam zich rustig zolang ik er maar geen eten in gooide en ook de treinreis verliep relatief probleemloos. Op het station van Haeundae aangekomen, wachtte mij nog de opgave om terug naar het hostel te komen. Ik had gelezen dat taxi's in Korea goedkoop waren en gezien mijn brakke toestand vond ik dat ik me die luxe nu wel kon permitteren. Het lukte me echter niet aan de taxichauffeur duidelijk te maken waar ik naar toe wilde. En vrouw die mijn gestamel aanhoorde, begreep wel waar ik heen moest en wees mij op een bus die even verderop stond die mij naar het centrum van Haeundae zou kunnen brengen. Haar tip bleek een schot in de roos. Dit was een hele andere buslijn dan die ik in de ochtend had genomen en bracht me rechtstreeks van het treinstation van Haeundae naar het metrostation Haeundae, waar mijn hostel naast was.

Moe, afgemat, ziek, maar vooral voldaan kroop ik niet veel later in mijn bedje. De volgende dag moest ik weer vroeg op, om de veerboot van Busan naar Fukuoka in Japan te nemen. Maar dat is uiteraard stof voor een volgende episode.

Hier zijn nog van mijn foto's wat van Busan en omgeving te bekijken. En tenslotte nog twee video's, één van Dale, die een indruk geeft van een bezoek aan Seokguram en één van de Koreaanse overheid, over de geschiedenis en architectuur van de grot