Posts tonen met het label ideologie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label ideologie. Alle posts tonen

vrijdag 22 november 2013

Ideologie en technocratie, van de regen in de drup?

Naar aanleiding van de kritiek op mijn eerdere artikel over ideologie, ben ik al ingegaan op het aspect populisme. Nu is het tijd om een verhandeling te weiden aan technocratie. Ik verkondigde eerder dat er geen causaal verband is tussen de opkomst van populisme en de neergang van ideologieën. Technocratie is echter volgens mij wél een mogelijk gevolg van het losschudden van ideologische veren of zelfs van democratisch verval. Op het gebied van de technocratie ben ik het dus in principe eens met mijn anonieme opponent, ook in de zin dat ik überhaupt geen heil zie in een puur technocratische politiek. Hoe ik dit alles beschouw, zal ik proberen toe te lichten.

 
McCloskey & Söderberg
Uw correspondent





















Eerst wist ik niet zo goed wat ik met het concept technocratie aan moest. Het is een nogal lastig begrip en ik weet er sowieso buitengewoon weinig van af. Totdat ik vandaag de buitengewoon interessante promotie van Gabriel Söderberg in Uppsala bijwoonde en ik de grondstoffen voor dit artikel aangereikt kreeg. In de rede van de opponent, professor Deirdre McCloskey, en tijdens Söderberg's verdediging, werd mij langzaam duidelijk waar de schoen wringt als het om technocratie gaat. Politici schuiven verantwoordelijkheden af op de (economische) wetenschappen en verwachten dat de wetenschappers alle problemen kunnen oplossen. Zo simpel werkt het natuurlijk niet.

Al was het maar omdat economen en andere wetenschappers het aantoonbaar slechter doen, als zij aan het roer worden gezet, dan democratisch gekozen leken. Zo heeft de de Deense econoom Bent Flyvbjerg overtuigend aangetoond. En dat is wellicht wel zo geruststellend, want dan hoeft onze huidige democratie nog niet meteen bij het grofvuil. Maar het feit is dat zodra politici zich minder door ideologieën laten leiden, ze meer geneigd zijn tot het afschuiven van verantwoordelijkheid.

En economen en andere wetenschappers zijn nooit de onafhankelijke experts die ze wellicht beweren te zijn. Ten eerste is een echte expert geen wetenschapper, want: een echte expert is bang nieuwe dingen te leren, omdat hij dan geen expert meer zou zijn, om de notoir anti-intellectuele president Truman te parafraseren. En echt onafhankelijk zijn technocraten natuurlijk ook nooit. Wie betaalt, bepaalt, is ook hier de gouden regel. En hoe je het ook wendt ook keert, technocratische wetenschappelijke adviseurs zullen altijd de belangen van hun opdrachtgevers in het oog houden. En als er de wetenschappers zelf een rationeel technocratisch regime stichten, dan zullen ze ook meer belang hechten aan het aan de macht blijven, dan de geïdealiseerde Platonische filosoof-koning wellicht zou moeten doen. Macht corrumpeert immers zonder aanziens des persoons.

Over het geloof dat politici in de economische wetenschap stellen, zei McCloskey: "Belief in science is like magic. politici verwachten van economen simpele en onfeilbare antwoorden op complexe vragen en sommige economen menen ook nog eens dat dat mogelijk is." Iets waar ik het, gezien mijn eerdere litanie van gelijke strekking, natuurlijk alleen maar mee eens kan zijn.

Nog niet gelezen, uiteraard

De oplossing voor de richtingloosheid die de politiek treft sinds velen hun ideologische kompas verloren hebben, ligt dus niet per definitie in de wetenschap. En meer technocratie is wat mij betreft niet persé een wenselijke ontwikkeling. Advies inwinnen bij adviseurs is zeker niet slecht, maar uiteindelijk moeten de politici beslissen en verantwoordelijkheid nemen. En zij zullen zich daarbij in de eerste plaats moeten laten leiden hun eigen idealen, politieke doelen en machtshonger. De oorlogsmisdadiger Henry Kissinger schijnt gezegd te hebben: "Academic politics are so vicious because the stakes are so small." Laten we dat vooral zo houden en de wetenschappers de universiteiten laten besturen en niet het land.

maandag 18 november 2013

Is de renaissance van de sociaaldemocratie aanstaande of doet de laatste sociaaldemocraat het licht uit?

De huidige tijd, waarin het failliet van het kapitalisme eens te meer aan het licht wordt gebracht, zou toch een zegen moeten zijn voor elke rechtgeaarde sociaaldemocraat. Als volleerde Cassandra's zouden ze nu toch en masse van de daken moeten schreeuwen dat het grootkapitaal het, zoals reeds lang tevoren voorspeld, verprutst heeft en dat het tijd is dat het gewone werkvolk orde op zaken stelt. Alleen wat je in de praktijk hoort, is doodse stilte. De corruptie van de macht lijkt de sociaaldemocratie van binnen te hebben uitgehold. Alle levenskracht is weggezogen door liberaal-economische parasieten. Operatie geslaagd, patiënt overleden.

De vraag rest of er nog reanimatie mogelijk is en of dat wenselijk is. Wellicht is het beter met een schone lei te beginnen zonder achtervolgd te blijven worden door de spoken uit het verleden. Maar het lijkt aan de andere kant ook niet zo handig om het wiel voor de tweede keer uit te moeten vinden. Liggen er nog sociaaldemocratische kroonjuwelen in de kast, die het waard zijn om afgestoft te worden? Of kunnen we de boedel, inclusief de langspeelplaten met strijdliederen, de rode banieren en de internationale solidariteit, beter meteen op Marktplaats dumpen?

Das war einmal...
Toen de lucht nog schoon was en de seks vies...

Laten we eerst maar even de huidige stand van zaken opnoteren. De hedendaagse partijen die zich nog sociaaldemocratisch durven te noemen, durven niet langer nog te pleiten voor maatregelen die tot een meer egalitaire maatschappij leiden. Waarom niet? Omdat ze zodanig geïndoctrineerd zijn door quasi-meritocratische eigen-verantwoordelijkheids-quatsch, dat ze zelf niet langer meer geloven in een gelijke spreiding van onderwijs, zorg, welvaart en kansen. Participatiesamenleving mijn achterwerk: als ze echt werk zouden wíllen maken van emancipatie en volksverheffing, dan zouden ze actief beleid moeten propageren dat dat ook daadwerkelijk voorstaat.

Want het punt is gewoon, dat in de dagelijkse praktijk op geen enkel moment blijkt dat sociaaldemocratische politici nog werkelijk geloven in de klassieke, tijdloze sociaaldemocratische idealen. Nu heb ik bewust een 'gedateerd' woord als volksverheffing gebruikt. Velen zullen zeggen dat dat een achterhaald begrip is. Maar willen zij mij dan ook even het bewijs leveren dat er geen onderklasse meer bestaat in de huidige maatschappij? Juist. De ongelijkheid groeit  en groeit en tegelijkertijd groeit de onvrede onder het volk, omdat juist de minst bedeelden zien dat er niks structureels aan hun achtergestelde positie wordt gedaan.

Natuurlijk, er zijn koopkrachtplaatsjes en berekeningen van het centraal planbureau. Maar met dat soort bureaucratisch en technocratisch gewauwel win je geen verkiezingen. Je moet de kiezers aanlokkelijke vergezichten tonen en ze wegen tonen om die vergezichten binnen bereik te brengen.Wat wil je doen om de participatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt te vergroten? De bladibla-toeslag met 0,5% verhogen of stel je het volk goedkopere kinderopvang en ruimhartig ouderschapsverlof voor beide ouders in het vooruitzicht, met de kanttekening dat dat betaald wordt door een belastingverhoging. Het gaat om prioriteiten stellen, neem je genoegen met betekenisloze halve maatregelen of ben je bereid offers te vragen voor echt nieuw beleid?

Dit is maar een voorbeeld, maar als je de kiezer belooft dat de overheid wat voor ze kan betekenen, dan moet je ze niet beloven dat dat gratis en voor niks kan. Voor wat hoort wat en voor niets gaat de zon op. Wees realistisch in beloftes, maar durf ook ambitie te hebben.

Zoek de verschillen...
Wat wil ik?




















Zelf zou ik mezelf niet zo gauw als sociaaldemocraat willen classificeren. Zoals wellicht wel bekend is, hou ik niet zo van ideologische categorisatie. Ik heb echter wel sympathie voor het sociaaldemocratische gedachtegoed en ik vind het eigenlijk wel jammer dat het tegenwoordig zo slecht voor het voetlicht wordt gebracht door de daarvoor aangewezen instanties en personen. Maar goed, de tijd zal het leren of er ooit nog wat van terecht komt. Ik sluit niet uit dat er wellicht een nieuw progressief gedachtegoed geformuleerd zal worden, dat de plaats in zal nemen van de versleten frasen en holle strijdkreten. Er gloort voor alsnog in elk geval nog geen hernieuwde sociaaldemocratisch dageraad aan de horizon, terwijl de sterren toch gunstig staan.

zondag 17 november 2013

Is zonder ideologieën de weg vrij voor ongebreideld populisme?

Nadat ik in een vorig artikel het concept ideologie had zwartgemaakt, kreeg ik enige terugkoppeling die de validiteit van mijn stellingen in twijfel trok. Uiteraard zijn mijn schrijfsels slechts de weerslag van gedachte-experimenten, waar verder niet al te veel waarde aan moet worden gehecht. Desondanks neem ik alle serieuze kritiek serieus, zeker als het de aanleiding kan vormen voor weer een gedachte-experiment.

Het centrale punt van mijn tegenstander was, dat het wegvallen van ideologieën de weg vrijmaakt voor nihilistisch populisme en immorele technocratieën. Een ieder die mijn blog goed gelezen heeft zal het met mij eens zijn dat ideologieën vaak een gestructureerde vorm van populisme bevatten, dus dat het wellicht niet ondenkbeeldig is, dat de wil des volks zonder ideologieën op een andere wijze gekanaliseerd wordt. Het klassieke schrikbeeld van volksmenners doemt hierbij al gauw op. Als men tenminste niet in ogenschouw neemt, dat vrijwel alle succesvolle volksmenners een sterk ideologisch gefundeerd programma propageerden.

Is zonder ideologie het hek van de dam? Of is populisme juist ideologisch geïnspireerd?

Evengoed zullen er mensen zijn die claimen dat we momenteel in een postideologische cultuur leven en dat de opkomst van allerlei populistische groeperingen her en der, daar een direct gevolg van is. De opkomst van populisme en zelfs politiek extremisme zal ik niet ontkennen en ik zal ook zeker niet zeggen dat dat geen zorgelijke ontwikkeling is. Ik wil echter wel er op wijzen dat al die groeperingen wel degelijk een ideologie uitdragen. Dat het geen ideologie is die als zodanig herkenbaar was in het twintigste-eeuwse politieke landschap, zorgt wellicht er voor dat commentatoren abusievelijk menen dat deze bewegingen postideologisch zijn.

Een ander kritiekpunt, dat ik van een andere commentator kreeg aangereikt, was dat ik de zaken niet expliciet bij de naam noem. Nou ben ik het met die kritiek uiteraard niet eens, maar wil toch eens te meer duidelijk maken dat ik niet bang ben man en paard te noemen, als ik dat nodig acht. Dat zal ik in dezen doen, door aan te tonen dat Geert Wilders geenszins een postideologisch figuur is, maar dat hij wel degelijk een vastomlijnde ideologie vertegenwoordigt. Het is alleen zo dat die ideologie niet primair in manifesten en programma's is vervat en daarom vermoedelijk minder herkenbaar is, dan de 'vertrouwde' ideologieën.

De ideologie waar Wilders zijn publiek mee tracht te verleiden, is denk het best te omschrijven als een nationalistisch en xenofobisch reactionair-conservatief gedachtegoed. Al zijn uitlatingen suggereren dat het vroeger allemaal beter was en dat het de schuld is van volksvreemde elementen (Islam en/of immigranten) en het verlies aan nationale soevereiniteit (Europese Unie) dat het tegenwoordig minder goed gaat dan vroeger. Dat Wilders de klassiek-populistische techniek gebruikt van het aanwijzen van zondebokken, een concept waar René Grrard in zijn werk La Violence et le Sacré een heel boek over heeft volgeschreven, in casu de islam, de immigratie en de EU, doet niks af aan het feit dat zijn politiek wel degelijk als ideologisch kan worden omschreven.



Het is misschien wel ironisch te noemen dat de meest postideologische partij in de Nederlandse politiek, D66, ook meteen een van de meest prominente antagonisten van Wilders' PVV is. Dit om nog maar eens aan te tonen dat gebrek aan ideologie en gemakzuchtig populisme wat mij betreft niet altijd hand in hand gaan. Goed, D66 is pragmatisch te noemen, maar ik zou ze toch beslist niet als uitgesproken populistisch willen kwalificeren.

Een ander, internationaal meer bekend, voorbeeld van ideologisch geïnspireerd populisme is de invloed van het werk van Ayn Rand op de Tea Party. Deze stroming binnen de Amerikaanse Republikeinse partij dweept te pas en te onpas met Rands magnum opus: Atlas Shrugged. In dat werk pleit Rand voor een zeer vergaand kapitalisme en individualisme en het is met afstand het op één na favoriete boek onder Tea Party-aanhangers. Ik denk dat de Tea Party zonder twijfel zeer populistisch is, maar het valt ook niet te ontkennen dat de Tea Party zeer sterk ideologisch geïnspireerd is en er is wellicht zelfs wel sprake van een specifieke Tea Party-ideologie.

Mijn punt is dus dat minder ideologie niet persé hoeft te leiden tot een algeheel verval van de politiek tot populistisch geraaskal. Dat de politiek wellicht aan het vervallen is tot populistisch geraaskal (als er tenminste sprake is van verval en niet zozeer van een status quo, iets dat mij persoonlijk eigenlijk waarschijnlijker lijkt), is volgens mij niet te wijten aan een verlies van ideologisch elan. Dat er getwist kan worden over het nut van ideologieën in de politiek, zal ik niet ontkennen. Zoals ik eerder al schreef, hebben ideologieën beslist een nut, in de zin dat ze een essentiële stroming in het volk kunnen vangen en theoretiseren. Ook heb ik de kwestie van de technocratie als mogelijke tegenpool voor de ideologisch gestructureerde democratie nog onaangeroerd gelaten, aangezien dat een kwestie is die ik nog moet overpeinzen en waar ik wellicht later op terugkom.

zaterdag 9 november 2013

God is dood. Wacht de wetenschap eenzelfde lot?

Zoals Nietzsche God doodverklaarde, zo is het nu wellicht tijd de wetenschap dood te verklaren. De wetenschap wordt voor velen steeds meer als een geloof beleefd, dan als poging tot waarheidsvinding. Zodra de opvatting wetenschap als geloof de overhand gaat krijgen, is de wetenschap wat mij betreft ten dode opgeschreven. Het proces van aftakeling is reeds zichtbaar in de vorm van schimmige figuren als Richard Dawkins. De vraag of Dawkins in de eerste plaats wetenschapper of polemist is, laat ik hier in het midden. Feit is dat hij zich als wetenschapper profileert en zo zal ik hem vooralsnog dus dan ook maar beschouwen.

Dawkins beweert dat een ieder die in God gelooft aan een serieuze persoonlijkheidsstoornis lijdt. Zelf propageert hij de wetenschap als een soort van ersatz-geloof, dat het antwoord kan geven op alle vragen des levens. Zowel zijn gebrek aan respect voor de metafysische opvattingen van anderen als zijn mystificatie van de reikwijdte van het wetenschappelijk kunnen geven mij weinig vertrouwen in zijn rationeel denkvermogen. En als hij met zijn met drogredeneringen doorspekte oeuvre model moet staan voor de hedendaagse wetenschapper, dan raak ik er meer en meer van overtuigd dat de wetenschap in de terminale fase is beland.

Ik zal nog wat nader ingaan op de meest algemene misvatting over wat de wetenschap vermag: de wetenschap als heilsleer. Zowel onder leken als onder ingewijden leeft sterk de opvatting dat de wetenschap ons naar een betere, meer rationele wereld kan leiden; bevrijd van onreine gevoelens en irrationele overtuigingen. Door zo'n geloof in rationele vooruitgang uit te dragen als kern van de wetenschap, wordt de wetenschap juist steeds meer in het domein van de geloofsovertuiging geplaatst en wordt de wetenschap volgens mij juist steeds kwetsbaarder voor irrationeel verval.

Ik zal niet beweren dat een waardevrije wetenschap haalbaar of wenselijk is, verre van zelfs. In de uitoefening van de wetenschap heeft ethiek bijvoorbeeld een belangrijke rol. Het gaat om het doel van de wetenschap en de daaraan gekoppelde zingeving. Natuurwetenschap heeft bijvoorbeeld ten doel om onze kennis over de natuur te vergroten. En het is naar mijn mening intrinsiek zinvol om de natuur beter te begrijpen. De natuurwetenschap moet volgens mij echter niet het creëren van een Brave New World tot doel hebben. Als ik het zo stel, zal vrijwel iedereen het met mij eens zijn. Doch is het koppelen van wetenschappelijke vooruitgang aan (imaginaire) maatschappelijke vooruitgang in de praktijk vanzelfsprekend.

Ik heb altijd gelijk, W.F. Hermans

In een van de eerdere delen van Zomergasten, liet ik Willem Frederik Hermans aan het woord in casu het zingevende vermogen van de wetenschap. Met grote instemming herhaal ik nogmaals zijn woorden:

Men denkt dikwijls dat de wetenschap, de exacte wetenschap, antwoord kan geven op wat wel in de wandeling de zin des levens wordt genoemd. En misschien zijn er ook wel veel mensen die de wetenschap met het oog daarop beoefenen. Maar ik geloof dat dat een illusie is en ook altijd een illusie blijven zal.

Er zullen slechts weinig wetenschappers zijn die toe zullen geven dat ze met hun wetenschappelijk werk feitelijk een poging wagen de zin des levens te achterhalen. Echter als je een groep wetenschappers vraagt: "Waar geloof je in?" Dan acht ik de kans groot een significant aandeel zal antwoorden: "De wetenschap" Terwijl als je diezelfde groep vraagt: "Wat is de wetenschap?" Dat dan niemand zal antwoorden: "Een geloof." Deze incongruentie lijkt onschuldig, maar is wat mij betreft de kroniek van een aangekondigde dood.

vrijdag 8 november 2013

Ideologie: opium voor het volk?

Het befaamde citaat van Karl Marx "Die Religion ... ist das Opium des Volkes" wordt meestal gemakzuchtig vertaald als dat godsdienst de opium voor het volk zou zijn. Het is waarschijnlijk de ironie van de geschiedenis dat het uiteindelijk juist het gedachtegoed van Marx was dat de opium voor het volk werd in de Sovjet-Unie, de staat die vaak bij uitstek met het Marxisme vereenzelvigd wordt. Daarom is het wellicht interessant te verkennen in hoeverre niet godsdienst, maar juist politieke ideologie de functie van opium voor het volk heeft (gehad) in de moderne samenleving.

Laten we maar beginnen met het eerste voorbeeld verder uit te benen: de Sovje-Unie. Wat begon als een buitengewoon bloedig revolutionair project onder Lenin, verwerd onder Stalin tot een nog bloediger militair-industrieel nationaal-conservatief project. De communistische ideologie werd door zowel Lenin als Stalin gebruikt als een middel om het volk te laten geloven dat alle offers noodzakelijk waren om het door Marx beloofde doel van de communistische heilstaat te verwezenlijken. De Sovjet-Unie was een heilig maatschappelijk project dat koste wat het kost zou moeten slagen.

De weg naar de hel is geplaveid met goede bedoelingen.

Dat het onder Stalin volledig uit de klauwen liep op het vlak van "het doel heiligt de middelen", mag inmiddels toch wel algemeen bekend worden geacht. Maar ook onder Lenin werd de botte bijl niet geschuwd voor het verwezenlijken van ideologisch geïnspireerde doelen. Klassenvijandige elementen werden uit de weg geruimd, dissidente geluiden werden niet getolereerd en de communistische ideologie werd met behulp van de geheime dienst en het rode leger nadrukkelijk meer dan slechts een papieren tijger. Interessant is om vast te stellen dat Lenin expliciet de mening van Marx deelde, als het ging om godsdienst als opium voor het volk:

Religion is one of the forms of spiritual oppression which everywhere weighs down heavily upon the masses of the people, over burdened by their perpetual work for others, by want and isolation. Impotence of the exploited classes in their struggle against the exploiters just as inevitably gives rise to the belief in a better life after death as impotence of the savage in his battle with nature gives rise to belief in gods, devils, miracles, and the like. Those who toil and live in want all their lives are taught by religion to be submissive and patient while here on earth, and to take comfort in the hope of a heavenly reward. But those who live by the labour of others are taught by religion to practise charity while on earth, thus offering them a very cheap way of justifying their entire existence as exploiters and selling them at a moderate price tickets to well-being in heaven. Religion is opium for the people. Religion is a sort of spiritual booze, in which the slaves of capital drown their human image, their demand for a life more or less worthy of man.

Het is de vraag natuurlijk in hoeverre Lenin zich er van bewust was dat men in bovengenoemd citaat zonder problemen religion kan vervangen door Marxisme-leninisme, wanneer het zijn beleid in de Sovjet-Unie betrof. Waarschijnlijk was hij verblind door zijn eigen waandenkbeelden, maar wellicht dat het in een moment van reflectie hem ook wel duidelijk werd dat hij feitelijk een nieuwe heilsleer met geweld aan het volk en de wereld wilde opdringen.

De War on Terror van de VS is wellicht een voorbeeld van de bloedige gevolgen van religieus fanatisme en volledig doorgeschoten ideologieën.

Het punt is dat door middel van een ideologie een gesimplificeerd wereldbeeld wordt geschetst met heldere idealen, een duidelijke verdeling in goed en kwaad, een herkenbaar taalgebruik en vaak ook een typische iconografie. Wat mij betreft is niet alleen het communisme op deze manier te duiden, maar ook meer alledaagse ideologieën zoals christendemocratie, sociaaldemocratie, het liberalisme en neoconservatisme. Hoewel het bij wollige ideologieën zoals de christendemocratie vaak minder duidelijk is welke ideale wereld er precies wordt nagestreefd; wat wellicht een verklaring is waarom die stroming duidelijk minder succesvol is als ideologie. De christendemocratie als machtsstructuur gelieerd aan de kerk was zeer succesvol, maar zodra de kerken aan aanzien en invloed verloren, bleek de christendemocratie als ideologie vrij weinig voor te stellen en dus ook weinig mensen te kunnen drogeren met haar aantrekkingskracht.

Wat dat betreft zijn het liberalisme, het neoconservatisme en zelfs de sociaaldemocratie betere voorbeelden, aangezien dat ideologieën zijn die heden ten dage nog wel enig succes hebben als ideologie an sich. Ik denk dat we genoegzaam kunnen vaststellen dat de meeste fervente aanhangers van zulke ideologieën allen vroeg of laat vervallen in een simplistisch hokjesdenken en vervolgens een geïdealiseerd en vereenvoudigd zwart-wit wereldbeeld uitdragen aan hun volgelingen. Wat vervolgens weer de vraag oproept in hoeverre de verdovende werking van de ideologie op de hersenen van het volk een slechte zaak is. Wellicht is het zelfs wel goed dat de wilde gevoelens en wensen van het ontembare gepeupel in gebaande paden wordt geleid door een ideologie? En in zekere zin werkt onze parlementaire democratie niet zonder gecondenseerde ideaalbeelden, gepropagandeerd door politieke partijen. Zelf ben ik van al deze georganiseerde simplificaties niet zo'n fan, zeker als het overgrote deel van de mensen zich niet van enige simplificatie bewust is en in de beloofde sprookjes gelooft. Dan rijst de vraag of er een alternatief denkbaar is voor een politiek stelsel dat gedomineerd wordt door ideologieën. Ik heb hier helaas geen passend antwoord op, maar het lijkt mij goed te beseffen dat het huidige systeem niet ideaal is.

Kort gezegd meen ik te moeten concluderen dat politieke ideologieën, samen met religieus fanatisme en blind geloof in de wetenschap, een zeer aanzienlijke beperking vormen op de vrije ontwikkeling van gedachten en ideeën over de complexe werkelijkheid.

zondag 27 oktober 2013

Het modernisme als utopisch denken

In een vorig artikel schreef ik dat de casus Pruitt-Igoe wellicht geen definitief bewijs levert dat de moderne architectuur an sich schuld had aan het mislukken van het project. Het is evenwel interessant verder te spitten in de theorieën die ten grond slag lagen aan Pruitt-Igoe en die sterk bepalend waren voor de beeldvorming rond de moderne architectuur en stedenbouw. In dit artikel ga ik wat nader in op de ontwikkeling van modernistische architectuur-theorie en hoe de verwoestingen van de Tweede Wereldoorlog in wezen de perfecte voedingsbodem schiepen voor een meer radicale stedenbouw.

Le Corbusier

Het is niet zozeer de modernistische vormentaal, voor het eerst geformuleerd door Adolf Loos in Ornament und Verbrechen, als wel het utopische aspect van het modernisme, dat bijdroeg aan de negatieve weerklank van het modernisme in de oren van sommige critici. Het modernisme streefde naar het herscheppen van de maatschappij zodat het zou passen bij de Nieuwe Tijd. De ware modernist bouwde aan een nieuwe wereld die radicaal anders zou zijn dan de oude, met nieuwe regels, nieuwe gebouwen, nieuwe infrastructuur, voor de nieuwe mens.  Le Corbusier, waarschijnlijk de invloedrijkste theoreticus van alle modernistische denkers, schreef: "De machine, een nieuwe factor in menselijke aangelegenheden, heeft een nieuwe geest doen ontstaan." en "Een groot tijdperk is aangebroken. Er is sprake van een nieuwe geest." Peter Gay merkte in zijn boek Het Modernisme op dat deze vastberaden frasen geenszins een weerspiegeling waren van de realiteit, maar "eerder zijn verlangens uitdrukten dan vaststaande feiten uit de contemporaine samenleving".

Vogelvluchtblik op La Ville Radieuse

Het was dan ook geenszins zo dat de ideeën van Le Corbusier snel ten uitvoer werden gebracht. De meeste van zijn invloedrijke geschriften werden ver voor de Tweede Wereldoorlog gepubliceerd, maar pas na de oorlog werden enkele van zijn hersenspinsels daadwerkelijk in beton gegoten. De meeste van zijn publicaties bevatten namelijk radicaal andere oplossingen voor stedenbouwkundige problemen dan tot dan toe gebruikelijk was. Het project La Ville Radieuse uit 1924 voorzag het toenemende belang van de automobiel door ruimbaan te geven aan de auto en voetgangers van al het snelverkeer te scheiden. Huisvesting was gepland in torenflats, die ook weer ruimtelijk gescheiden werden van industrie en dienstverlening en andere werkgelegenheid. Tot dan toe waren wonen en werken in steden ruimtelijk vrijwel onafscheidelijk, maar Le Corbusier vermoedde dat de almaar toenemende mobiliteit tot een toenemende ontvlechting van functies zou (moeten) leiden.

Le Corbusier's radicale Plan Voisin uit 1925 voor een 'modern' Parijs

Al deze ingrijpende wijzigingen in de staande praktijk zorgden er voor dat de plannen van Le Corbusier op nogal wat weerstand stuiten bij het maatschappelijk establishment. Het is in retrospectief dan ook eigenlijk niet zo verrassend dat de ideeën van Le Corbusier in eerste instantie nog het meest weerklank vonden binnen de voor-oorlogse radicaal-revolutionaire regimes, die streefden naar het herscheppen van de maatschappij aan de hand van een 'moderne' ideologie. Met name in fascistisch Italië wisten architecten zoals Gaetano Ciocca de principes van Le Corbusier praktisch toe te passen. En tussen 1928 en 1932 poogde Le Corbusier tevergeefs Stalin als mecenas aan zich te binden. De schijnbare sfeer van jeugdigheid en inventiviteit rond het eerste vijfjarenplan trof de architect zo zeer, dat hij enige stedenbouwkundige plannen voor Moskou ontwikkelde, uiteindelijk culminerend in zijn revolutionaire ontwerp voor het Paleis van de Sovjets. Dat het communisme in de praktijk soms eerder conservatief dan revolutionair was, werd eens te meer duidelijk toen Le Corbusier's ontwerp in 1932 werd afgewezen, ten faveure van het relatief traditionele neo-klassieke ontwerp van Boris Iofan. Teleurgesteld liet hij de Sovjet Unie achter zich en wist zo als een geluk bij een ongeluk de stalinistische zuiveringen van de jaren '30 te ontlopen. Het is wellicht typend voor het conservatisme van Stalin dat het winnende ontwerp van Iofan, hoewel nooit verwezenlijkt, uiteindelijk model zou staan voor de protserige 'Stalinistische' architectuur die zich na de oorlog samen met het communisme van Centraal- en Oost-Europa meester maakte.

Le Corbusier's ontwerp voor het Paleis van de Sovjets

Gedurende de Tweede Wereldoorlog zag Le Corbusier dat zich eens te meer een kans ontbood om de maatschappij te herscheppen. Hij flirtte met Vichy-regime in Frankrijk en uitte zijn bewondering voor de dadendrang van Hitler in een brief aan zijn moeder:

“Here is the great problem facing the French government. We are in the hands of a conqueror whose attitude could be devastating. If he is sincere in his promises, Hilter could crown his life by an overwhelming creation: the accommodation of Europe. This is a stake that may tempt him, rather than a preference for a fruitless vengeance… Personally I believe the outcome could be favorable. France, barring a criminal transplantation or a German invasion, is a mouthful not to be chewed, and if the problem consists of assigning each nation its role, getting rid of the banks, solving real—realistic—tasks, the prognosis is good. It would mean the end of speeches from the tribunal, the endless meetings of committees, of parliamentary eloquence and sterility. Such a revolution will be made in the direction of order and not without consideration of human conditions” (Weber, Nicholas F. Le Corbusier: A Life. New York: Knopf, 2008. 487). 

Het is uiteraard de vraag hoeveel waarde je moet hechten aan guilt by association. Le Corbusier komt in mijn ogen vooral naar voren als een idealistische en egocentrische opportunist, die steeds optimaal van het historische momentum gebruik trachtte te maken om zijn eigen visioenen van een betere wereld tot werkelijkheid te scheppen. Feit is in elk geval, dat de meeste van zijn ideeën pas gerealiseerd werden in non-totalitaire na-oorlogse democraitiën.

In Chandigarh (Noord-India) kreeg Le Corbusier voor het eerst de kans om zijn theorieën op, de door hem zo gewenste, grote schaal in de praktijk te brengen

Na de Tweede Wereldoorlog had het idee van het creëren van een moderne maatschappij, zonder banden met de verdorven geschiedenis, aan populariteit gewonnen. Een idee waar Le Corbusier, ook om zijn eigen persoonlijke redenen, alleen nog maar sterker in was gaan geloven. De puinhopen moesten opgeruimd worden, een tabula rasa moest gecreëerd worden waarop de nieuwe samenleving naar de nieuwste inzichten gebouwd kon worden. Dit ging in de praktijk veel verder dan enkel wederopbouw in de letterlijke zin. Ook in gebieden die nauwelijks materieel geleden hadden onder het oorlogsgeweld, of die zelfs niet eens bij de oorlog betrokken waren, werden oude stadswijken geruimd om plaats te maken voor hoogbouw en autowegen.

In het licht van deze ontwikkelingen kan de bouw Pruitt-Igoe ook gezien worden. En in ogenschouw nemende dat het deels modernistische stedenbouwkundige ideeën waren die aan het project ten grondslag lagen, is het ook niet heel verwonderlijk dat critici van het modernisme het falen van Pruitt-Igoe extrapoleerden naar het falen van het modernisme als geheel. Of dit een gerechtvaardigde extrapolatie is, laat ik hier in het midden. In hoeverre de utopische aspecten van het modernisme een verklaring kunnen zijn voor  de problemen waar na-oorlogse wijken over de hele wereld mee kampen, is iets waar ik later wellicht nog op terug kom.