Posts tonen met het label boek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label boek. Alle posts tonen

zondag 17 augustus 2014

Rusland en Duitsland, twee handen op één buik?

Als er één land is dat een bijzondere relatie tot Rusland onderhoudt, dan is het wel Duitsland. Als land in het midden van het Europese continent, heeft het altijd zowel naar 'het Westen' als naar 'het Oosten' en meer bepaald Rusland gekeken. De geschiedenis kan rijkelijk getuigenis afleggen over de Duits-Russische relaties. Duitsland en Rusland konden het altijd goed met elkaar vinden totdat Duitse imperialisten en later een vanuit Oostenrijk tot rijkskanselier omhooggeklommen individu het in opeenvolgende wereldoorlogen in hun hoofd haalden om de Russische ruimte te willen veroveren.
Een niet zo willekeurig citaat uit een willekeurig artikel over de recente ontwikkelingen binnen Europa. Terwijl de Angelsaksische mogendheden sinds de val van de de Tsaar en de opkomst van Lenin, nu al bijna een volle eeuw, een vrij moeizame relatie hebben met de het grootste land ter wereld, heeft Duitsland in diezelfde periode (met uitzondering van 1933-1938 en 1941-195) een opvallend betere band met Rusland gecultiveerd.

Zonder Duitse hulp had Lenin dit huis in Zürich nooit kunnen verlaten.

Over de zeer opmerkelijke ontwikkelingen in de diplomatieke en politieke verhoudingen tussen Duitsland en Rusland (of liever de Sovjet-Unie) tussen de beide Wereldoorlogen, heeft de legendarische journalist en historicus Sebastian Haffner een zeer lezenswaardig boek geschreven. Het duivelspact vertelt het verhaal vanaf de Duitse list om Lenin naar Rusland te sturen om de revolutie over te nemen en een wapenstilstand tot stand te brengen, tot aan Operatie Barbarossa.

En hoewel Hitler inderdaad dacht dat hij de Sovjet-Unie in een paar maanden met zijn panzers op de knieën zou kunnen dwingen, zag hij een paar jaar eerder ook geen bezwaar in het sluiten van het beruchte Molotov-Ribbentrop-pact met zijn theoretische aartsvijand Stalin. Dit laatste verdrag is slechts één van de vele saillante diplomatieke episodes in de periode 1917-1941. Het verdrag van Rapallo in 1922, waarbij er midden in de nacht in pyjama's door de Duitse diplomatieke top koortsachtig overleg werd gevoerd om de volgende dag pijlsnel een vredesverdrag met Rusland te ondertekenen en zo de Britse premier Lloyd George buiten spel te zetten en verbijsterd en woedend achter te laten, wordt door Haffner gekenschetst als 'een van de grote gebeurtenissen van de eeuw, een aardschok die het gehele internationale toneel veranderde.'

Het verdrag van Rapallo zette de toon voor ruim tien jaar durende, intensieve Duits-Russische samenwerking. Niet alleen diplomatiek en economisch, maar vooral ook militair. De aan Duitsland in het verdrag van Versailles opgelegde beperkingen met betrekking tot landmacht, vloot en luchtmacht, werd in het diepste geheim ontweken door diep in Rusland, onttrokken aan het oog van de rest van de wereld, wapens te produceren en militairen op te leiden. De Sovjet-Unie profiteerde op zijn beurt van de geavanceerde Duitse techniek en tactieken door de bouw van fabrieken en gezamenlijke oefeningen. Zo lag de kiem voor de legers die elkaar in de jaren '40 op leven en dood bevochten, ironisch genoeg in de nauwe coöperatie van de beide grootmachten.

Een koele vriendschap of een warme rivaliteit?

Beide mogendheden hadden steeds wisselende motieven en bijbedoelingen met de samenwerking, maar constant was de dreiging van een oppermachtig Frans-Anglo-Amerikaans blok de kracht die de potentiële vijanden in elkaar armen dreef. En in dat opzicht is de situatie heden ten dage eigenlijk niet te vergelijken met de politiek-diplomatieke constellatie van het interbellum. Poetins buitenlandpolitiek doet wellicht nog wel wat aan de nationalistische paranoia van Stalin denken, maar Duitsland is tegenwoordig juist diep verankerd in de Noord-Atlantische alliantie. Dat Merkel echter van alle westerse leiders nog het best met het Kremlin over weg kan, zou je (met een lichtelijk teleologische redenering) wel aan de hand van de lange Duits-Russische geschiedenis kunnen verklaren. Rusland voelt zich, al dan niet terecht, duidelijk miskend en gedemoniseerd door het Westen en dan is het goed te weten dat er in elk geval één vooraanstaande westerse natie is, die vertrouwd is als trait-d'union tussen Oost en West te fungeren.

zondag 18 mei 2014

De weerbarstige realiteit van het westerse boeddhisme

Zo als zoekende westerling op reis in Azië is het natuurlijk een klassieke topos om geïnteresseerd te raken in het boeddhisme. En in deze zal ik mijn volgelingen ook niet teleurstellen. Ik heb menig tempel bezocht. Zo hier en daar heb ik wat wierook gebrand. Ik heb What the Buddha taught van Walpola Rahula gelezen. Ik heb twee nachten te midden van monniken doorgebracht en daarbij tevens 's ochtends voor dag en dauw hun dagelijkse vuurritueel bijgewoond.

Santenkraam, er is denk ik geen andere taal een beter woord om de tempels van de Japanse Shingon-sekte te beschrijven.

Dit alles past natuurlijk in het gekende patroon van de zweverige gelukszoeker in het Verre Oosten. Maar ik heb geprobeerd dit cliché ietwat te ontkrachten, door mij ook te verdiepen in de keerzijde van het westers boeddhisme. Want dat is wellicht de eerste concessie aan de realiteit die gedaan moet worden door de serieuze Dharma Bum. Dat een persoon geboren en getogen binnen een westerse cultuur en maatschappij die het boeddhisme omarmt, automatisch ook een westerse invulling aan de levensbeschouwing geeft.

Dat is uiteraard niks nieuws. Evengoed heeft het boeddhisme in zijn tocht van India naar Japan, via China en Korea, meerdere kleinere en grotere invloeden van de plaatselijke gebruiken, rituelen en denkwijzen ondergaan. Het feit dat het boeddhisme in feite een gedecentraliseerde stroming is, maakt het bij uitstek geschikt voor allerhande aanpassingen en interpretaties. Dit blijkt alleen al in Japan uit de veelheid van stromingen en sektes binnen het boeddhisme die in heden en verleden tot bloei zijn  gekomen.

Wat dat betreft is het dus niet gek dat ook in het Westen het boeddhisme een voedingsbodem heeft gevonden en er westerse interpretaties van het boeddhisme zijn ontstaan, die ontegenzeggelijk geïnspireerd zijn op inheemse wijsgerige en levensbeschouwelijke tradities. Vandaar dat ik tijdens mijn verblijf in de Oriënt ook Cruel Theory - Sublime Practice: Toward a Revaluation of Buddhism ter hand heb genomen. Het boek bestaat uit drie essays van evenzovelen auteurs, die ik in een drietal beschouwingen zal pogen te bespreken.

 Ik heb eens gehoord dat als je drie argumenten paraat hebt, dat je dan moet beginnen met het op één na beste argument, vervolgens het minste argument moet geven en om het beste argument tot het laatst moet bewaren. Bij het lezen van Cruel Theory - Sublime Practice moest ik aan die les in retorica denken. Het eerste essay van Tom Pepper kon mij bij tijd en wijle zeer bekoren, het opstel van Glenn Wallis was duidelijk minder en het afsluitende stuk van Matthias Steingass vond ik geweldig. Al bij al een lezenswaardige publicatie die een scherpe blik werpt op de weerbarstige realiteit van een imperfecte levensbeschouwing.

donderdag 20 maart 2014

Liever Turks dan Wilders

Bij het lezen van het boek The Rise of Western Christendom, Triumph and Diversity, A.D. 200 - 1000 van Peter Brown stuitte ik op een interessant citaat in de inleiding tot de herziene derde editie. Het was een citaat van ons aller Geert Wilders, uitgesproken tijdens een redevoering in Rome op 25 maart 2011:
Rome is the cradle of our Western civilization - the most advanced and superior civilization the world has ever known. ... the history of Rome ... serves as a warning ... [for Rome] suffered a loss of belief in its own civilization. The Romans ... did not perceive the immigration of the Barbarians as a threat until it was too late. ... But then on 31st of the year 406, the Rhine froze and tens of thousands of Germanic Barbarians crossed the river, flooded the Empire and went on a Rampage, destroying every city they passed. ... The fall of Rome was a traumatic experience.

Het bewijs, wellicht ten overvloede, maar toch

Het beeld dat de blonde Limburger oproept, is een beeld van hordes barbaren die de beschaafde wereld om zeep helpen en de aanzet geven tot eeuwen van verval en achterlijkheid. En wat hij er natuurlijk mee wil zeggen, is dat als we niet oppassen eenzelfde doemscenario ons nu weer wacht. De islam in al haar verschrikkelijke uitwassen staat klaar om de hoogstaande joods-christelijk cultuur omver te werpen en ons zo doende wederom in de donkere middeleeuwen te storten. De vraag is natuurlijk of het beeld dat Geert schetst over Rome en de barbaren ook iets met de historische werkelijkheid te maken heeft. En de historische werkelijkheid achterhalen, dat is de expertise van een historicus als Peter Brown. Ik citeer de eminente geleerde dus ook maar even:
The story of the fall of Rome has always left in the back of our minds a heavy sediment of fear and regret. Such a narrative is calculated to be disturbing. It presents a complacent empire, a silent build-up of pressure from outside , a sudden breakthrough, a murderous rampage and then, silence ... the extinction of civilization for many centuries. What is regrettable is that this narrative should erupt, from time to time, to serve the purposes of toxic political movements in contemporary Europe. For this reason it is particularly important to get the story right. What really happened in western Europe between 400 and 800 A.D.?

Wat gebeurde er nou echt in West-Europa tussen 400 en 800 na Christus? Dat is een vraag die Wilders natuurlijk helemaal niet interesseert. Dat de werkelijkheid wel eens complexer zou kunnen zijn dan een clichématige clash tussen beschaving en barbarij, daar heeft onze favoriete demagoog natuurlijk niks aan. Hij is alleen maar geïnteresseerd in het aanwijzen van zondebokken, het scheppen van verdeeldheid en het zaaien van haat. Peter Brown zet in zijn boek helder uiteen dat de vroege Middeleeuwen wellicht het eind van de klassieke oudheid betekende, maar niet het eind van elke vorm van beschaving. De Europese beschaving kreeg alleen een ander aanzien en vele aspecten van onze cultuur die we als typisch westers beschouwen vinden juist hun oorsprong in de 'donkere' Middeleeuwen en niet in de Oudheid.

Een aanrader!
En het mooie aan Brown's boek is dat het niet slechts een beperkte blik op West-Europa biedt. Want hoewel de titel The Rise of Western Christendom anders doet vermoeden, besteedt hij ook in ruime mate aandacht aan het oostelijk christendom en de islam. En daar komen we natuurlijk bij een ander favoriet stokpaardje van Wilders, dat de islam inherent een achterlijke cultuur zou zijn. Als we echter sec de geschiedenis beschouwen, dan valt daarin weinig hard bewijs voor zulks een stelling te vinden.

Nu zullen de fellow travelers van de PVV natuurlijk met het weerwoord klaarstaan dat de islam van vandaag niet de islam van de vroege middeleeuwen is. Maar de islam was juist in de zevende en achtste eeuw bij uitstek een vitale en expansionistische beweging, die, veel meer dan in onze huidige tijd, de christelijke westerse wereld tot op het bot wist te tarten. In de huidige wereld zijn de groepen als de Taliban en Al Qaida de verliezers van de globalisering, die geen realistische bedreiging vormen voor het  globale machtsevenwicht. Fareed Zakaria stelt dan ook terecht in zijn recensie van The World is Flat van Thomas Friedman dat strijd tegen het Islamisme in wezen een achterhoede-gevecht is.
Terrorism remains a threat, and we will all continue to be fascinated by upheavals in Lebanon, events in Iran and reforms in Egypt. But ultimately these trends are unlikely to shape the world's future. The countries of the Middle East have been losers in the age of globalization, out of step in an age of free markets, free trade and democratic politics. The world's future -- the big picture -- is more likely to be shaped by the winners of this era. And if the United States thought it was difficult to deal with the losers, the winners present an even thornier set of challenges.

Gedurende de Tachtigjarige Oorlog was het motto van de Geuzen Liever Turks dan Paaps. Een tijdloze klassieker. En ik ben uiteraard een goed patriot en ik weet de vrijheidslievende idealen van de Geuzen en hun rechtvaardige strijd tegen het Spaanse juk zeker op waarde te schatten. Daarom lijkt het mij ook niet verkeerd om de wapenspreuk van de Geuzen een nadere wending te geven: Liever Turks dan Wilders. Ik zou zelf liever ingezetene zijn van een welwillende Islamistische staat dan moeten leven in een land dat geregeerd wordt door de crypto-fascistische Wilders. Geert Wilders is immers niet minder fundamentalistisch dan de meest radicale moellahs in Pakistan.

Ah, de goeie ouwe tijd!

dinsdag 14 januari 2014

Het verdriet van Europa

Het is inmiddels bijna 100 jaar geleden dat de duisternis over Europa neerdaalde en het Belle Epoque ten einde kwam. We kunnen ons afvragen hoe veel verder we nu zijn gekomen. Zijn de wonden geheeld, is de oude orde hersteld? In vele opzichten vormde de Eerste Wereldoorlog een cesuur sans précédent in de Europese geschiedenis. Vervolgens kwam 14-18  (met name in Nederland) natuurlijk in de lange slagschaduw van 39-45 terecht, al was het maar omdat vaak genoeg gesuggereerd is dat het tweede conflict het eigenlijke sluitstuk van het, eerste onafgesloten conflict vormde. Op die hardnekkige veronderstelde causaliteit kom ik later wellicht nog terug, maar in dit artikel wil ik de aandacht vestigen op een belangwekkend boek aangaande de Eerste Wereldoorlog dat enige jaren geleden door de Britse econoom-historicus Niall Ferguson is geschreven: The pity of war (in het Nederlands verschenen als De erbarmelijke oorlog).

Dat de Eerste Wereldoorlog gewonnen werd door Frankrijk en Groot-Brittannië is met het oog op het resultaat eigenlijk moeilijk vol te houden. Het was een klassieke pyrrusoverwinning. De westerse geallieerden wisten de koloniale bezittingen van Duitsland te verdelen, maar daar tegenover stond ook voor hun een groot verlies. En die koloniën waren ze binnen veertig jaar toch allemaal weer kwijt. Het is sowieso de vraag wat het hele negentien/twintigste-eeuwse koloniale verhaal heeft opgeleverd. Ferguson suggereert dat het met name voor Groot-Brittannië nogal wat extra kapitaal opleverde, wat in de Eerste Wereldoorlog goed van pas kwam. Ferguson poneert zelfs de stelling dat het niet zo zeer industriële productie, als wel economische kapitaalkracht uiteindelijk de doorslag gaf in het verloop van de oorlog. En het kapitaal dat Groot-Brittannië had vergaard in de loop van de negentiende eeuw legde dus meer gewicht in de schaal dan het Kruppstaal uit het Ruhrgebied. Maar nu verklap ik een deel van Fergusons conclusies reeds.

Niet het gehele boek is met zo'n afstandelijke rationeel-wetenschappelijke blik geschreven als de delen waarin hij de economische toestand van de grootmachten analyseert. Het is deels ook een duidelijk Brits geschiedenisboek. En een centrale vraag met betrekking tot de rol van Groot-Brittannië in de oorlog is of het wel de moeite waard was om Duitsland de oorlog te verklaren. Ferguson komt met een duidelijk antwoord op die vraag: de oorlogsverklaring was "nothing less than the greatest error of modern history," omdat Duitsland volgens hem uiteindelijk geen reële bedreiging vormde voor de Britse belangen. Groot-Brittannië stond er financieel veel beter voor dan Duitsland en had in wezen weinig belangen op het Continent. Als Duitsland Frankrijk zou hebben verslagen en vervolgens, zoals Ferguson veronderstelt, een Bismarckiaanse proto-EU had gevormd, dan was dat in wezen alleen maar ten goede gekomen aan de Britse diplomatieke en handelsrelaties met Europa. En op koloniaal vlak waren Rusland en Frankrijk de belangrijkste rivalen van Groot-Brittannië, de mantra keep your friends close, but keep your enemies closer was immers de leidende gedachte geweest bij de vorming van de Triple Entente. Duitsland was in 1914 dus geen directe bedreiging voor The Empire. En daarom schrijft Ferguson de escalatie van het conflict voor een belangrijk deel op Brits conto: "it was the British government which ultimately decided to turn the continental war into a world war, a conflict which lasted twice as long and cost many more lives".

Ferguson is thuis in de economie en de Duitse taal en cultuur en dat is te merken. Waar andere Angelsaksische geschiedschrijving vaak een nogal eenzijdig perspectief biedt, weet Ferguson de Duitse motieven gedurende het verloop van het conflict goed weer te geven. De Franse, Russische, Oostenrijk-Hongaarse en Ottomaanse kant van de zaak komt minder aan bod, maar dat wijst er alleen maar op dat de auteur zich van zijn beperkingen bewust is en zich met name richt op de elementen van de geschiedenis waar hij daadwerkelijk wat interessants over te vertellen heeft. Allereerst weet hij een aantal hardnekkige mythes door te prikken over de tijdgeest waarbinnen de Europese machtspolitiek tot een militaristisch kruitvat uitgroeide. En hij weet, zoals gezegd, de invloed van geld en kapitaal op het handelen van de strijdende partijen helder te duiden. Daarnaast gaat hij ook nog in op het complexe begrip publieke opinie en de rol propaganda in de vorming van het beeld van de oorlog bij burgers, soldaten en nageslacht. Ook wordt er aandacht besteed aan de motivatie van soldaten om te gaan vechten, om door te blijven vechten en om uiteindelijk te stoppen met vechten. Tenslotte wordt er ook nog nadrukkelijk aandacht besteed aan het na-oorlogse economische beleid, de herstelbetalingskwestie en de uiteindelijk tragische gevolgen daarvan.

Maar ik zal niet al die aspecten bespreken. Wie daar meer over wil weten moet immers maar het boek lezen, waarin de auteur zijn volledige argumentatie ontvouwt. Kortgezegd valt samen te vatten dat het militarisme niet een extreem sterke kracht was. Wat wel de oorzaak is van de Oorlog komt minder goed naar voren, maar de suggestie van ongelukkige samenloop van omstandigheden wordt gewekt. En wie het boek The Guns of August van Barbara Tuchman heeft gelezen, die weet dat het het wellicht eerder een gebrek aan daadkracht van de leidende partijen was om een oorlog te vermijden, dan een daadwerkelijke wil om een oorlog te beginnen.

De leiders hadden geen zin om de oorlog te stoppen, dus kwam er een oorlog. Oorlog werd niet als iets slechts gezien. Dat een oorlog voor alle strijdende partijen nadelig zou kunnen zijn, was niet aan de orde. En er was ook geen besef van de enorme economische inzet die nodig zou zijn om de oorlog te winnen. Het concept 'totale oorlog' was nog onbekend. Zowel Groot-Brittannië, Frankrijk als Duitsland kwamen ernstig gehavend uit de oorlog. Voor Oostenrijk-Hongarije en het Ottomaanse Rijk betekende de oorlog de doodsteek. En de gevolgen van de revoluties, die veroorzaakt werden door het dramatische strijdverloop aan het Oostfront, in Rusland zijn genoegzaam bekend. Een tijdperk kwam ten einde, een generatie liet het leven en er kwam een nieuw (inherent labiel?) staatkundig evenwicht tot stand.


De enige juiste kijk op de geschiedenis?
Fergusons boek is extra actueel nu in Groot-Brittannië nogal een rel is ontstaan doordat de conservatieve minister van onderwijs Micheal Gove de zogenaamd linkse historici de maat neemt en stelt dat de moed en het patriottisme van de soldaten in de Grote Oorlog te weinig aandacht krijgt. Ook vindt hij dat het voor eens en altijd duidelijk moet worden gemaakt dat toch echt alleen Duitsland schuld had aan het uitbreken van de oorlog en dat Groot-Brittannië van elke blaam gezuiverd dient te worden. Het is in dit verband goed te weten dat de revisionistisch geschiedschrijving van Ferguson allerminst marxistisch of links geïnspireerd genoemd kan worden. Ferguson is juist een rechtgeaarde conservatief. Dat uitgerekend Niall Ferguson, na gedegen historisch onderzoek, tot de conclusie komt dat de oorzaak van de Eerste Wereldoorlog minder zwart-wit is dan ons traditioneel vaak voorgespiegeld wordt, geeft te denken over de validiteit van de opvattingen van Gove. Waarschijnlijk is het juist de eenzijdige blik op de geschiedenis van Micheal Gove, die gestuurd wordt door politieke opvattingen.

woensdag 4 december 2013

The open society revisted, waar is Karl Popper als je hem nodig hebt?

We must plan for freedom, and not only for security, if for no other reason than only freedom can make security more secure.

Het is inmiddels bijna zeventig jaar geleden dat Karl Popper The open society and its enemies publiceerde, maar zijn boek lijkt momenteel urgenter dan ooit te voren. Goed, de dreiging van marxisme en fascisme lijkt vandaag de dag minder dan in de jaren rond de Tweede Wereldoorlog en 800 pagina's polemische politieke filosofie is niet aan iedereen besteed, maar de boodschap is nog altijd actueel. 

Dat voor de meeste lezers nu waarschijnlijk al duidelijk is waar ik het over ga hebben, zegt waarschijnlijk al genoeg. Dat het tijd wordt dat we ons expliciet uitspreken tegen de groeiende drang van overheden om ons dagelijks leven in de gaten te houden. Veiligheid is wat mij betreft niks waard als ik me niet vrij kan voelen. Wat dat betreft hebben ze het in New Hampshire begrepen: Live free or die.

Popper maakt in zijn tijdloze werk duidelijk dat vrijheid voor veiligheid moet gaan. Veiligheid kan uiteindelijk niet gegarandeerd worden en de overheid moet in elk geval geen vrijheden van burgers opofferen in haar streven de veiligheid van diezelfde burgerste vergroten.
  
The claim that if you want security you must give up liberty has become a mainstay of the revolt against freedom. But nothing is less true. There is, of course, no absolute security in life. But what security can be attained depends on our own watchfulness, enforced by institutions to help us watch—i.e. by democratic institutions which are devised (using Platonic language) to enable the herd to watch, and to judge, their watch-dogs. 

Het grote probleem van de stapsgewijze toename van het mandaat van de veiligheidsdiensten is natuurlijk dat tegelijkertijd de rol van Poppers watch-dogs wordt uitgehold. Er is in de praktijk immers nauwelijks democratische controle mogelijk op veiligheidsdiensten. Wat de overheid ons ook probeert te geloven, door elke aankondiging van het uitbreiden van bevoegdheden vergezeld te laten gaan door een belofte van strengere interne controles.

Er zullen wellicht mensen zijn die bovengenoemde passage juist zien als een pleidooi voor democratische veiligheidsdiensten, maar ik zie dat niet zo. Een veiligheidsdienst staat wat mij betreft haast per definitie haaks op een open, vrije en democratische samenleving. Het is een noodzakelijk kwaad, met de nadruk op kwaad en een vraagteken achter noodzakelijk. Institutions that help us watch, zijn geen instellingen die alleen de regering informatie geven, maar juist de instellingen die ons een vrije blik op de werkelijkheid geven. De vrije pers, onafhankelijke parlementariërs, klokkenluiders, anonieme blogs op het internet.

Zodra institutions that help us watch aan banden worden gelegd door institutions that help the government watch, komt de open samenleving in gevaar. Uiteraard klinkt dan al gauw het cliché, dat je niks te vrezen hebt, als je niks te verbergen hebt, maar dat is volstrekte onzin. De onafhankelijkheid van de burger komt in gevaar zodra de overheid stelselmatig iedereen mag afluisteren. Nu is de overheid wellicht nog te vertrouwen, maar wie kan mij garanderen dat dat in de toekomst ook zo is? Niemand. Als in de toekomst een minder verlichte groepering aan de macht komt, komen zij in een gespreid bedje terecht als het gaat om de mogelijkheden tot totale controle over alle gedragingen van de eigen bevolking.

Het nieuwe hoofdkantoor van de AIVD?

Over wat er kan gebeuren als de veiligheidsdiensten te veel macht krijgen, zijn kasten vol geschiedenisboeken geschreven en zal ik nu verder niet uitweiden. Ook Big Brother uit Orwells 1984 komt regelmatig voorbij, maar ik heb dat nooit echt een goed boek gevonden. Al was het maar omdat hij excessieve burgerbewaking haast onlosmakelijk koppelt aan een over-the-top kwaadaardig totalitair regime. Wat mij betreft is het veel angstaanjagender dat een ogenschijnlijk vreedzaam regime, zoals bijvoorbeeld in Brave New World, er in het geniep allerlei duistere praktijken op na houdt, maar dat het voor de gewone burger onmogelijk is om daar weet van te krijgen. Als de democratische controle wordt afgeschaft en de  open samenleving ten grave wordt gedragen, is dat een doemscenario dat wel eens dichterbij zou kunnen zijn dan we nu denken.

donderdag 28 november 2013

De mens na het einde der tijden

Het einde der tijden komt. En de kans is groot dat de mens als soort het overleeft. Er zijn immers mensen in groten getale over de hele wereld en er zijn nog altijd plekken op Aarde waar de mens in staat is een min of meer zelfvoorzienend bestaan te leven. Want met het einde der tijden denk ik niet aan een soort goddelijke apocalyps, maar aan het ineenstorten van de beschaving zoals we die kennen. Wat dat betreft is de toekomstvisie die David Mitchell in zijn hier reeds eerder benoemde boek Cloud Atlas schetst erg vormend voor mij geweest. Hierin wordt eerst een beangstigende toekomst geschetst waarin de menselijke hybris een hoogtepunt bereikt in een soort wanstaltige Brave New World van consumentisme en kapitalisme. In een volgende episode wordt dan het lot van de mensheid na de Val geschetst. Hierin is de mensheid vervallen tot tribale clans die elkaar ouderwets met middeleeuwse wapens het leven zuur maken.

De dystopische toekomstvisie van David Mitchel, zoals verbeeld door George Hull.

Hoe het precies tot de Val is gekomen, wordt in het boek verder niet gespecificeerd. Er wordt wel zo hier en daar wel verwezen naar ecologische en klimatologische rampspoed, maar de exacte oorzaak of het complex aan oorzaken wordt (gelukkig) aan de verbeelding van de lezer over gelaten. En het verhaal van hoe de mensheid na de Val voortleeft, wordt ook meer in metaforische zin, dan in letterlijke zin behandeld. Wellicht dat daarom ook de verfilming van Cloud Atlas gedoemd was te mislukken, een boek dat drijft op metaforen en ideeën is immers lastig in een vastomlijnd script te vatten.

Een andere schets die George Hull voor de verfilming van Cloud Atlas maakte.

Maar goed, wat wacht de mens in een wereld zonder beschaving of alomtegenwoordige technologie? Keren we terug naar de steentijd? Raken grote delen van de planeet ontvolkt? Nemen door ons genetisch materiaal gevormde cyborgs de macht over? Het zijn allemaal mogelijke scenario's, die een ding gemeen hebben. De mensheid zal over het nodige aanpassingsvermogen moeten bezitten, wil het de catastrofes die on wachten te boven komen. Er is wel gesuggereerd dat in de vroege geschiedenis van de Moderne Mens er al eens een bijna-doodervaring is geweest voor de mensheid toen zo'n 70.000 jaar geleden de supervulkaan Toba uitbarstte. Uiteindelijk is Homo sapiens die tegenslag te boven gekomen, aangezien we heden ten dage ons meester van onze planeet achtten.

Een vulkaan als Toba kan echter op elk moment weer uitbarsten, een epidemie kan uitbreken, een planetoïde kan inslaan. Met het geluk valt niet te spotten. En het is de vraag of de mens vandaag de dag niet kwetsbaarder is dan 70.000 jaar geleden. De omvang en verspreiding van onze soort mag dan vele malen groter zijn dan toen, ons aanpassingsvermogen is echter omgekeerd evenredig afgenomen. Onze samenlevingen zijn zo extreem complex geworden, dat een kleine verstoring van het evenwicht er al toe kan leiden dat bijvoorbeeld de voedselvoorziening voor miljoenen mensen acuut in gevaar komt. En het labiele evenwicht wordt constant bedreigd, niet in de laatste plaats door de roofbouw die we zelf op onze planeet plegen.

Er zijn mensen die uit voorzorg terug proberen te gaan naar een meer autarkische samenlevingsvorm. Echter als je uit voorzorg voor de opwarmende atmosfeer en de stijgende zeespiegel in de binnenlanden van Scandinavië een boerderij begint, dan zul je altijd zien dat de Golfstroom er ook mee ophoudt, waardoor Noord-Europa alsnog in een toendra verandert. Catastrofes zijn in de regel niet te voorspellen. Het lijkt mij dan ook maar het beste om het devies van Schopenhauer "het ergste moet nog komen" ter harte te nemen en verder met stoïcijnse onverschilligheid of epicuristisch optimisme de harde werkelijkheid van alledag te aanvaarden.


dinsdag 27 augustus 2013

De blik uit het Oosten

Het algemene beeld dat mensen in Nederland hebben van de Tweede Wereldoorlog wordt voornamelijk gevormd door de gebeurtenissen in West-Europa tussen mei 1940 en mei 1945. De bezetting, de Jodenvervolging, de bombardementen, Westerbork, D-Day, het verzet, collaboratie, Een Brug te Ver, Auschwitz, Soldaat van Oranje en de bevrijding. Dat dekt qua thematiek wel ongeveer het collectieve geheugen.

Daarnaast is er dan nog de geschiedenis in de Oost. Oost en Zuidoost Azië. Japan, China, Nanjing, Indonesië, Singapore, de Birmaspoorweg, island hopping, Hiroshima, Nagasaki. Voor veel mensen een vergeten bladzijde, voor anderen, om uiteenlopende redenen, een open wond. Hier valt zeker een blog vol over te schrijven, maar daar heb ik helaas de kennis, noch de moed voor.

Het Oostfront in Europa is een essentieel element in de Tweede Wereldoorlog dat, in Nederland in elk geval, wat mij betreft nog te weinig aandacht krijgt. De strijd op leven en dood tussen Nazi-Duitsland en de Sovjet-Unie. Het slagveld waar de beslissing viel. Miljoenen soldaten aan beide kanten gesneuveld en doodgehongerd. Miljoenen burgers vermoord en uitgehongerd. De plek waar de zwartste bladzijden in de geschiedenis van de mensheid geschreven werden. In een aantal vervolg-artikelen zal ik, aan de hand van films uit de Sovjet-Unie, een aantal woorden aan deze materie wijden.

Timothy Snyder noemde het strijdtoneel in Oost-Europa, in zijn gelijknamige boek uit 2010, de Bloedlanden . Zijn diepgravende en gruwelijke historische beschrijving beslaat de periode van 1930 tot de dood van Stalin in 1953. Snyder geeft de achtergrond weer, tegen welke de films die ik later ga bespreken gezien moet worden. Twee totalitaire regimes, die niet op een mensenleven meer of minder kijken, in directe confrontatie met elkaar.

Het boek van Snyder brengt enkele vergeten hoofdstukken van de Tweede Wereldoorlog aan het licht. Een aantal daarvan hebben specifiek betrekking op de filmbesprekingen in mijn volgende blogposts. Los daarvan is het een boek dat ik, onlangs de afschrikwekkende inhoud, een ieder aan kan raden die geïnteresseerd is in de Tweede Wereldoorlog of beter de duistere kant van de mensheid probeert te begrijpen.

Als het om het Oostfront gaat, is de algemeen ontwikkelde buitenstaander meestal wel van een paar  zaken op de hoogte. Operatie Barbarossa, de Slag bij Stalingrad, de Slag bij Kursk, de Slag om Berlijn. Zeker Stalingrad en Berlijn hebben de laatste jaren flink in de belangstelling gestaan, met name door de boeken van Antony Beevor, films als Der Untergang en het verschijnen van Leven en Lot van Vassily Grossman in het Nederlands.

Het belang van het Oostfront vanuit een  puur militair-historisch perspectief wordt tegenwoordig ook algemeen erkend. De militaire overzichtsgeschiedenissen van Andrew Roberts en wederom Antony Beevor schenken veel aandacht aan het oostelijk strijdperk en stellen beide dat het daar was dat Duitsland de oorlog verloor. Ook in Amerika dringt langzamerhand het besef door dat wellicht de VS de uiteindelijk zege aan de Sovjet-Unie te danken had en niet andersom, zie bijvoorbeeld de recente documentaire-serie Oliver Stone's Untold History of the United States.

Het is derhalve ook niet verwonderlijk dat er ook in Sovjet-Unie nogal wat films over de Tweede Wereldoorlog zijn gemaakt en dat de meeste daarvan de strijd aan het Oostfront als onderwerp hebben. Met onze westerse vooroordelen zouden we wellicht verwachten dat deze films een geïdealiseerd beeld schetsen van de heldhaftige strijd van de gewone arbeiders, boeren, en kameraden tegen de fascistische vijand in de Grote Patriottische Oorlog. Dit clichébeeld gaat wellicht op voor het grootste deel van de films, net zo goed als de meeste Hollywood-producties over de Tweede Wereldoorlog een sterk propagandistisch karakter hebben. Maar de vooringenomenheid mag geen reden zijn om de Sovjet-oorlogsfilm daarom maar helemaal links te laten liggen. Er zitten namelijk wel degelijk parels tussen, waarvan ik enkele voorbeelden nader zal brspreken. Na deze wijdlopige introductie zal ik in een volgende post allereerst de film Idi i Smotri (Come and See) van Elen Klimov uit 1985 behandelen.