Posts tonen met het label boeddhisme. Alle posts tonen
Posts tonen met het label boeddhisme. Alle posts tonen

zondag 31 augustus 2014

Een pijnlijke pelgrimage

Gestimuleerd door mijn succesvolle avontuur een dag eerder naar Seokbulsa en de wervende teksten op de website Dale's Korean Temple Adventures, besloot ik voor de volgende tocht nog een excursie richting belangrijk boeddhistisch erfgoed te plannen. Alleen was het dit keer niet op steenworp afstand van mijn basiskamp in Busan, maar in Bulguksa (불국사), bijna twee uur met de trein naar het noorden. Op papier al een hele onderneming, gezien de eentaligheid van het Koreaanse openbaar vervoer, maar in de praktijk bleek het een lijdensweg, want ik was de hele dag doodziek. Dat ik toch heb doorgezet, tot aan de op een heuveltop gelegen Seokguram-grot aan toe en ook weer (min of meer) heelhuids thuis wist te komen, geeft wellicht wel een idee van mijn gedrevenheid om mijn bedevaart tot een goed einde te brengen. In eerste instantie had ook nog gedacht om in de middag een bezoek te brengen aan de nabijgelegen stad Gyeongju, maar gelukkig had ik nog net wel voldoende gezond verstand om dat voornemen voor een volgende reis te laten.

Om te begrijpen waarom ik mij zoveel moeite getrooste om een paar tempels te bezoeken, eerst maar een citaat afkomstig van Dale's eerder genoemde en zeer aanbevelenswaardige blog:

Bulguksa Temple (“Buddhist Country Temple”) is a must to any trip to Korea, whether it’s one year or one day. For this reason, Bulguksa Temple is recognized as one of ten UNESCO World Heritage Sites in Korea for good reason.

En dat gaat alleen nog maar over het tempelcomplex. Op de top van de naburige heuvelrug is een wel zeer bijzonder boeddhistisch heiligdom te vinden: de Seokguram-hermitage (석굴암), een door mensenhanden geconstrueerde grot met daarin verscheidene sculpturen en in het bijzonder een groot beeld dat 'de historische Boeddha' (Seokgamoni-bul) verbeeldt. Dale schrijft hier over:

...in my very humble opinion, Seokguram Hermitage possesses the most beautiful artifact in all of Korea: the grotto’s gorgeous granite statue of the Seokgamoni Buddha.
en:
With the most beautiful and crowning achievement of religious artistry in Korea, Seokguram Hermitage rates a perfect ten out of ten.  In all of my travels throughout various temples in Korea, I have yet to be spell-bound as much as I am (and subsequent times) when I visit Seokguram Hermitage.  Other temples and hermitages may be bigger in size and scope or have greater historical/cultural significance, but all pale in comparison to the simple beauty the hillside grotto radiates.

Dat moest ik dus zien. 

En gelukkig heb ik het ook gezien. En uiteindelijk was het de moeite zeker waard, maar het het heeft wat moeite gekost. Ik werd 's ochtends vroeg misselijk wakker en ik moest gelijk overgeven. Ik hoopte en verwachte dat de misselijkheid snel over zou zijn, maar dat was niet het geval. Ik heb de hele dag geen eten binnen kunnen houden en eigenlijk ook nauwelijks kunnen drinken. Wat natuurlijk best vervelend is als je een lange, ingewikkelde reis maakt.

En een ingewikkelde reis was het toch wel een beetje. Ik verbleef in Busan in het stadsdeel Haeundae.Vanaf het station om de hoek zou ik volgens de reisplanner in Google Maps eenvoudig de trein richting Bulguksa kunnen nemen. Alleen was Google Maps helaas nog niet helemaal up to date. Er was namelijk net een nieuwe spoorlijn geopend en als gevolg daarvan was het station van Haeundae zo'n vijf kilometer verplaatst. In het hostel wisten de mensen aan de balie van niks. De meeste gasten reizen met de hogesnelheidslijn vanaf Seoul, komen dan aan op het centraal station van Busan en nemen vanaf daar de metro naar Haeundae. Slechts weinigen gaan blijkbaar op eigen gelegenheid op avontuur richting het binnenland. Maar uiteindelijk wist ik er toch achter te komen welke bus ik moest nemen naar het station, alleen het probleem met bussen in Korea is dat meestal wel duidelijk is welke bus je moet nemen (er staan immers nummers op), maar dat het vaak lastig is om er achter te komen waar je uit moet stappen. Als er in de bus al informatie is over de volgende halte, dan is die meestal alleen in het Koreaans.

Met goede moed begon ik dus zodoende 's ochtends vroeg aan mijn dagtochtje. De bus reed als een gek door de vroege ochtendspits, iets wat ik gezien mijn precaire gesteldheid niet echt kon waarderen. Doordat ik het straatbeeld op Google Maps in me op had genomen, ik wist wanneer de bus op de halte aan zo moeten komen en ik dacht dat de halte omgeroepen werd, stapte ik op een gegeven moment uit. Het was vanaf de bushalte nog een paar honderd meter lopen naar het station, dus het was niet meteen duidelijk dat ik op de juiste plek was uitgestapt. Het bleek gelukkig allemaal te kloppen

Op het station aangekomen, was de volgende hindernis dat ik aan een kaartje moest zien te komen. Ik zag geen automaten, die wellicht nog een Engels menu zouden kunnen hebben gehad, dus ik moest mijn geluk maar aan het loket beproeven. Uiteraard sprak er niemand Engels, maar ik had Bulguksa in het Koreaans opgeschreven en blijkbaar zonder spelfouten, want men begreep waar ik heen wilde. De treinreis was verrassend goedkoop, een paar euro voor een reis van toch wel anderhalf uur. In de trein had ik ook nog behoorlijk last van wagenziekte, terwijl het toch een stuk rustiger zat, dan in een bus die met topsnelheid door de bochten scheurt.

Vanaf het station van Bulguksa moest ik nog een bus nemen om bij de tempel te komen. En ook hier bleek de info die ik van Google Maps had afgeleid niet te kloppen. Uiteindelijk wist ik de juiste bushalte te vinden en ook de lijn die me naar de tempel zou brengen. Wat het reisgemak dan weer wat ten goede kwam, was dat je ook op het platteland in de lokale bussen dezelfde chipkaart kon gebruiken als in de metro van Seoul en Busan. En de chipkaart kon je eenvoudig met contanten opladen bij elke gemakswinkel.

Het overdreven sportieve rijgedrag van de Koreaanse buschauffeurs was helaas niet beperkt tot de grote steden. Ook de bus naar de tempel ging weer zo hard mogelijk door alle bochten heen en volgens mij werden de verkeersregels ook met een korreltje zout genomen. Uiteindelijk kwam ik rond een uur of tien behoorlijk afgepeigerd bij de tempel aan. Dat het inmiddels in de felle zon behoorlijk warm begon te worden, hielp ook niet echt.

Maar zoals gezegd liet ik me niet ontmoedigen door fysiek ongemak. Het leven is immers lijden. En het zou toch wel te gek worden als ik me door fysiek lijden zou laten weerhouden een bezoek te brengen aan een van de absolute boeddhistische hoogtepunten van Korea.

De tempeltuin

De tempel van Bulguksa was een stuk toeristischer dan die van Seokbulsa, die ik een dag eerder had bezocht. Aan de rand lagen grote parkeerterreinen, die bezet waren door vele bussen. Het pad naar de tempel werd omzoomd door tentjes die eten, drinken en snuisterijen verkochten. Voor deze tempel moet wel een kaartje worden gekocht en na de poort wandel je eerst nog een stukje door een fraaie tuin totdat je bij het eigenlijke tempelcomplex aankomt.

Helaas werd de algehele indruk wat ontsierd door een hoge metalen doos die boven de tempel uittorende. Eerst dacht ik dat het wanstaltig modernistisch bezoekerscentrum was, in een poging ook het Koreaanse werelderfgoed van een 21ste eeuws cachet te voorzien. Het bleek gelukkig een bouwwerk van meer tijdelijke aard te zijn, dat op een van de binnenplaatsen was opgericht om restauratiewerkzaamheden te faciliteren.


Zoals eigenlijk alle houten tempels in Azië is ook de huidige staat van Bulguksa het resultaat van een reeks restauraties. Maar waar veel oude tempels in Japan eigenlijk onafgebroken zijn onderhouden (met de tempel van Hōryū-ji als schoolvoorbeeld), is dat in Korea nadrukkelijk niet het geval geweest. Bulguksa stamt oorspronkelijk uit de zogenaamde Verenigde Silla-periode (668–935), toen het boeddhisme in Korea een grote artistieke bloei kende. Maar in de latere Joseon-dynastie (1392-1897) werd het boeddhisme van overheidswege bepaald niet gestimuleerd en in zekere zin zelfs onderdrukt ten faveure van het confucianisme. Bulguksa raakte zodoende ook danig en verval. Een situatie die niet bepaald verbeterd werd door de Japans overheersingin de eerste helft van de twintigste eeuw en de daarop volgende oorlogen .

Pas in de jaren zeventig, onder het bewind van de dictator Park Chung-hee, kreeg het (boeddhistische) erfgoed uit de Silla-dynastie aandacht van het landsbestuur. Terwijl in Seoul en Busan oude stadswijken in hoog tempo plaats moesten maken voor snelwegen en hoogbouw, werd de oude Silla-hoofdstad Gyeongju onder strenge monumentenzorg geplaatst en werd ook het nabijgelegen Bulguksa gerestaureerd. 

De vraag rijst allicht in hoeverre wat je nu ziet origineel is. De stenen fundament stammen uit de Silla-periode, maar eigenlijk alle houten gebouwen zijn van later datum en alle felgekleurde geverfde ornamenten moeten sowieso elke tien jaar worden bijgehouden. Maar in wezen is dat natuurlijk een haast filosofische kwestie. Alle cellen in mensenlichaam worden gedurende een mensenleven meermalen vervangen. Maar verandert daardoor de persoon dan ook? Ik zou zeggen van niet. Bij monumenten ligt het nog iets complexer, omdat het voor kan komen dat latere aanpassingen aantoonbaar niet origineel zijn. De leien daken van Carcassonne schieten mij zo te binnen. In Bulguksa leek het mij allemaal met zorg te zijn gedaan en het geheel kwam op mij in elk geval authentiek over. Maar ja, wat is dus authenticiteit en wie ben ik om daar over te oordelen?


Ondanks de vrij grote stroom toeristen en de status als nationaal monument was de tempel ook nog wel degelijk in gebruik. In bepaalde paviljoens waren diensten aan de gang, er werd hartstochtelijk wierook gebrand en je mocht geen foto's maken van de tempelinterieurs. Het bovenop de naastgelegen heuvel gelegen heiligdom Seokguram had een nog sterkere atmosfeer van een actief spiritueel centrum. Hier had je echt het idee dat dit eerder als bedevaartsoord functioneerde, dan als toeristische attractie. 

Ik had eerst gedacht omhoog naar Seokguram te lopen, maar gezien mijn zwakke gesteldheid besloot ik toch maar de bus te nemen. De weg ging sterk slingerend door haarspeldbochten omhoog en indachtig het reeds genoemde rijdgedrag van de Koreaanse bussen kan men zich wellicht wel voorstellen dat de busreis niet noodzakelijk veel prettiger was dan een voettocht bergop. Maar gelukkig wel korter en boven aangekomen kon ik rustig even uitblazen en van het uitzicht genieten.

Vanaf de parkeerplaats ging er een kronkelend, breed pad naar de Seokguram toe. Het pad was versierd met lampions en vlaggen, iets wat er wellicht mee te maken had dat twee dagen later de verjaardag van Siddharta Gautama gevierd wordt en dat juist dit heiligdom specifiek aan de historische Boeddha is gewijd. Maar misschien hangen die versierselen er wel het hele jaar.

In de grot zelf mochten geen foto's gemaakt worden.

De eigenlijke grot is vrij klein en daardoor lijkt het Boeddhabeeld nog wat groter dan het toch al is. Helaas wordt het zicht op het sublieme kunstwerk beperkt door een plexiglazen scherm dat er uit conservatie-overwegingen geplaatst is tussen publiek en Boeddha. Het deed nogal provisorisch aan en het is ook te hopen dat het een tijdelijke oplossing is en dat in de toekomst een betere afscheiding geplaatst wordt, die beter tegemoet komt aan de wensen van conservators en bezoekers. Desalniettemin maakten de beelden en de hele ruimte de indruk van een magistraal meesterwerk. 

Om het allemaal even te laten bezinken en om nog een busrit nog even uit te stellen, besloot ik het pelgrimspad naar beneden te lopen. Het liep over de beboste heuvelhelling en begon vrij steil, maar werd geleidelijk aan vlakker. Na een uur was ik weer bij de tempel van Bulguksa. Daar besloot ik dat het wel mooi geweest was voor deze dag. Het was nog maar aan het begin van de middag en ik zou nog wel genoeg tijd hebben gehad om een kort bezoek te brengen aan Gyeongju. Maar mijn hoofd en mijn buik stonden daar niet meer naar en dus nam ik de bus naar het station van Bulguksa.

Op het station sprak de man bij het loket zowaar wat Engels, ik moest echter nog wel ruim een uur op de trein wachten. Gelukkig hield mijn lichaam zich rustig zolang ik er maar geen eten in gooide en ook de treinreis verliep relatief probleemloos. Op het station van Haeundae aangekomen, wachtte mij nog de opgave om terug naar het hostel te komen. Ik had gelezen dat taxi's in Korea goedkoop waren en gezien mijn brakke toestand vond ik dat ik me die luxe nu wel kon permitteren. Het lukte me echter niet aan de taxichauffeur duidelijk te maken waar ik naar toe wilde. En vrouw die mijn gestamel aanhoorde, begreep wel waar ik heen moest en wees mij op een bus die even verderop stond die mij naar het centrum van Haeundae zou kunnen brengen. Haar tip bleek een schot in de roos. Dit was een hele andere buslijn dan die ik in de ochtend had genomen en bracht me rechtstreeks van het treinstation van Haeundae naar het metrostation Haeundae, waar mijn hostel naast was.

Moe, afgemat, ziek, maar vooral voldaan kroop ik niet veel later in mijn bedje. De volgende dag moest ik weer vroeg op, om de veerboot van Busan naar Fukuoka in Japan te nemen. Maar dat is uiteraard stof voor een volgende episode.

Hier zijn nog van mijn foto's wat van Busan en omgeving te bekijken. En tenslotte nog twee video's, één van Dale, die een indruk geeft van een bezoek aan Seokguram en één van de Koreaanse overheid, over de geschiedenis en architectuur van de grot




donderdag 28 augustus 2014

Hoog verheven boven Busan

Busan is de grootste havenstad van het Koreaanse schiereiland en traditioneel het venster op de Wereld. Alle hoogwaardige industriële producten die binnen de Republiek geproduceerd worden, worden vanaf hier naar alle uithoeken van onze planeet verscheept. Het is ook het traditionele verbindingspunt met Japan, een belangrijk financieel centrum, een uitbundige badplaats, een brandpunt voor scheepsbouw en visserij. Met andere woorden bij uitstek een Werelds knooppunt voor het moderne globale kapitalisme. Op mij kwam het over als een soort kruising tussen Rotterdam, New York en Dubai (hoewel ik moet toegeven nog nooit in Dubai te zijn geweest).

Busan: dubbele snelwegen en glinsterende wolkenkrabbers aan zee.

Niet bepaald een centrum van spirituele contemplatie dus. En behalve een enkel boeddhistisch centrum weggestopt in een flatgebouw of een christelijke prediker hier en daar, was het bij uitstek een puur materialistische stad. Geen rustpunten in de vorm van tempeltuinen en contemplatieve heiligdommen. Althans niet in de stad zelf. Busan wordt gevormd door dichtbebouwde dalen, die worden onderbroken door beboste heuvels. En in die heuvels liggen enkele van de fraaiste en indrukwekkendste tempels van Korea verscholen.

Het bekendst zijn wellicht de aan zee gelegen tempel Haedong Yonggungsa (해동 용궁사) en het grote tempelcomplex van Beomeosa (범어사) ten noorden van de stad. Ik was echter tijdens mijn voorbereidingen op een obscuurder parel gestuit: Seokbulsa (석불사). De foto's die ik op internet vond, toonden een tempel hoog in de heuvels boven de stad met indrukwekkende sculpturen uitgehakt in de rotswand. De verslagen online waarschuwden echter ook dat de tempel wel eens lastig te vinden kon zijn, dus ik had mij op lastige odyssee door woeste heuvels en donkere bossen voorbereid. Het viel gelukkig alles mee met de onvindbaarheid, maar over de serene schoonheid van de eindbestemming was geen woord gelogen.


Vanaf het Geumgang Park (금강공원) in het noorden van het centrum van Busan ging ik met de kabelbaan omhoog naar de top van de heuvelrug. Op deze manier bespaarde ik mezelf een klim van een paar honderd meter. Het was immers vakantie en ik vond dat ik mezelf niet te veel uit hoefde te sloven. Boven aan gekomen werd ik begroet door hordes Koreanen die het weekend te baat hadden genomen om ook in de heuvels te gaan wandelen en zo de stadse drukte voor even te ontvluchten. Vanaf het eindpunt van de kabelbaan was het een paar kilometer lopen naar de muur van het gereconstrueerde heuvelfort Geumjeongsanseong (금정산성). Bij de zuidelijke poort van het fort aangekomen ging ik naar links op weg naar het dorpje Nammun (남문마을). Daar aangekomen was het ook gelijk tijd voor de lunch. Niet dat ik nou al zo ver gelopen had, maar het dorpje bestond feitelijk uit een bonte verzameling eettentjes en ik was absoluut niet voornemens zo'n culinaire verleiding te weerstaan.


Wat er zoal op het menu stond was volstrekt onduidelijk voor mij. Het enige wat ik kon lezen waren de prijzen. Ik probeerde te vragen wat voor soort eten ze serveerden, maar ik geloof dat ze dachten dat ik zei dat ik vegetarisch was. Ik kreeg in elk geval een vegetarisch gerecht voorgeschoteld, waar ik op zich ook geen probleem mee had. Het was lekker en vullend. De mannetjes aan een aangrenzende tafel namen de gelegenheid te baat mij er op te wijzen dat er ook sterke drank beschikbaar was en dat zij in elk geval hun uitje van een gelukzalige alcoholische roes voorzagen. Ik bedankte vriendelijk voor het aanbod. Wellicht was ik door mijn boeddhistisch verantwoorde middagmaal in een wat meer ascetische bui gekomen.


Vanaf Namman was het eerst nog een gemoedelijk stukje lopen over een bospad stroomafwaarts langs maagdelijke witte kersenbloesems door een smal beekdal. Uiteindelijk kwam ik bij een verharde weg uit en vanaf dat punt rechtsaf zijn het nog slechts de laatste zwaar loodjes die omhoog leiden naar de tempel. De weg ging dus nog even behoorlijk steil omhoog, maar echt ver was het niet meer. En het was typisch zo'n einddoel die alle van tevoren geleverd inspanningen direct doet vergeten of zelfs in een gouden daglicht plaatst. Goed, dat is wellicht ietwat overdreven. Bovengekomen was daar dan het bescheiden, doch kleurrijke tempelcomplex op een terras tegen de rotswand gekleefd, van waar je een prachtig uitzicht had op de stad, de heuvels en de zee.

Nadat ik de klokkentoren gepasseerd was, liep ik langs de stenen pagodes, ging ik de trap op, die tussen twee tempelgebouwen ingeklemd was en kwam ik uit op de binnenplaats. Daar was te zien waar de tempel zijn naam aan ontleent. Seokbulsa betekent zoveel als de tempel van de stenen Boeddha's en die naam draagt de tempel met eer. Aan drie zijdes wordt de binnenplaats begrenst door hoge rotswanden en in de rotswanden zijn grote figuren uitgehouwen. Boeddha's en boeddhistische personificaties. De binnenplaats zelf wordt voor het grootste deel ingenomen door een plateau waarop de gelovigen knielen en bidden, nadat ze hun schoenen hebben uitgedaan en hun bidmatje hebben uitgespreid.

Het was een vrije zaterdag en de meeste Koreanen die ik eerder tegenkwam waren voornamelijk van de geneugten des levens aan het genieten. Hier leken echter vrijwel alle bezoekers als hoofddoel om in stilte eer te bewijzen aan de Verlichte en aanverwante geesten. Een heel verschil met tempels die ik later in Japan zou bezoeken, die vaker primair een toeristische attractie dan godshuis schenen te zijn. Er waren wel enkele westerse toeristen die deze goed verstopte parel ook hadden weten te vinden, maar het waren toch vooral Koreanen die de tempel als spiritueel rustpunt opnamen in hun wandeltocht.

Achter de binnenplaats kon je over in de rotswand uitgehouwen tredes nog verder omhoog klauteren, om vanuit een ander perspectief van het uitzicht en de sculpturen te genieten. Daarna was het ook nog een optie om je door nauwe rotsspleten te wurmen en dan uiteindelijk bij een klein heiligdom in een rotsspleet uit te komen. Hier hadden eerdere bezoekers offers in de vorm van sinaasappels, snoep en geld bij een Boeddhabeeld achtergelaten.

Er waren behoorlijk wat bezoekers die zo af en aan gingen. Ze keken wat rond, bogen voor de her en der verspreide altaren, knielden op het bidplateau en gingen weer verder. Ondanks dat het voor zo'n afgelegen tempel vrij druk was, hing er een verstilde sfeer. Ik maakte nog een praatje met wat andere belangstellenden en nadat ik mij er van gewist had dat ik echt alles goed had gezien en ervaren besloot ik weer af te dalen.

Terug ging ik over de weg en wandelpaden richting de stad. Het was af en toe een beetje gissen welke kant op, maar door het reliëf was het vrij makkelijk een overzicht te houden op de omgeving en me zo te oriënteren. Het doel was om bij het metrostation Mandeok (만덕) uit te komen. En dat lukte. Ik nam de metro Suyeong (수영구) en liep vanaf daar naar het strand van Gwangalli (광안리 해수욕장). Hier ging de zon langzamerhand al achter de wolkenkrabbers verscholen en zo kwam een eind aan een bevredigende dag.

Meer foto's van mij uit Busan zijn hier te bekijken.

zondag 18 mei 2014

De weerbarstige realiteit van het westerse boeddhisme

Zo als zoekende westerling op reis in Azië is het natuurlijk een klassieke topos om geïnteresseerd te raken in het boeddhisme. En in deze zal ik mijn volgelingen ook niet teleurstellen. Ik heb menig tempel bezocht. Zo hier en daar heb ik wat wierook gebrand. Ik heb What the Buddha taught van Walpola Rahula gelezen. Ik heb twee nachten te midden van monniken doorgebracht en daarbij tevens 's ochtends voor dag en dauw hun dagelijkse vuurritueel bijgewoond.

Santenkraam, er is denk ik geen andere taal een beter woord om de tempels van de Japanse Shingon-sekte te beschrijven.

Dit alles past natuurlijk in het gekende patroon van de zweverige gelukszoeker in het Verre Oosten. Maar ik heb geprobeerd dit cliché ietwat te ontkrachten, door mij ook te verdiepen in de keerzijde van het westers boeddhisme. Want dat is wellicht de eerste concessie aan de realiteit die gedaan moet worden door de serieuze Dharma Bum. Dat een persoon geboren en getogen binnen een westerse cultuur en maatschappij die het boeddhisme omarmt, automatisch ook een westerse invulling aan de levensbeschouwing geeft.

Dat is uiteraard niks nieuws. Evengoed heeft het boeddhisme in zijn tocht van India naar Japan, via China en Korea, meerdere kleinere en grotere invloeden van de plaatselijke gebruiken, rituelen en denkwijzen ondergaan. Het feit dat het boeddhisme in feite een gedecentraliseerde stroming is, maakt het bij uitstek geschikt voor allerhande aanpassingen en interpretaties. Dit blijkt alleen al in Japan uit de veelheid van stromingen en sektes binnen het boeddhisme die in heden en verleden tot bloei zijn  gekomen.

Wat dat betreft is het dus niet gek dat ook in het Westen het boeddhisme een voedingsbodem heeft gevonden en er westerse interpretaties van het boeddhisme zijn ontstaan, die ontegenzeggelijk geïnspireerd zijn op inheemse wijsgerige en levensbeschouwelijke tradities. Vandaar dat ik tijdens mijn verblijf in de Oriënt ook Cruel Theory - Sublime Practice: Toward a Revaluation of Buddhism ter hand heb genomen. Het boek bestaat uit drie essays van evenzovelen auteurs, die ik in een drietal beschouwingen zal pogen te bespreken.

 Ik heb eens gehoord dat als je drie argumenten paraat hebt, dat je dan moet beginnen met het op één na beste argument, vervolgens het minste argument moet geven en om het beste argument tot het laatst moet bewaren. Bij het lezen van Cruel Theory - Sublime Practice moest ik aan die les in retorica denken. Het eerste essay van Tom Pepper kon mij bij tijd en wijle zeer bekoren, het opstel van Glenn Wallis was duidelijk minder en het afsluitende stuk van Matthias Steingass vond ik geweldig. Al bij al een lezenswaardige publicatie die een scherpe blik werpt op de weerbarstige realiteit van een imperfecte levensbeschouwing.