Posts tonen met het label politiek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label politiek. Alle posts tonen

woensdag 8 oktober 2014

Oproep aan de leden van de Staten-Generaal

Het laatste relletje rond ons aller koning WA is voor de meeste onderdanen wellicht niets meer dan een storm in een glas water, maar voor mij maakte het nog maar eens duidelijk wat voor verrot systeem de monarchie toch is. Zeker met de huidige lapzwans als koning, die niet door heeft dat de functie van staatshoofd niet perse gepaard hoeft te gaan met een opzichtige en verkwistende leefstijl. Op zijn moeder was eigenlijk weinig aan te merken en zo was er gedurende de ambtstermijn van Bea ook niet veel munitie voor de strijdvaardige republikein. Wat dat betreft is het huidige opperhoofd van het Koninkrijk dus wellicht een blessing in disguise voor degenen die smachten naar een Republiek.

Hoewel ik zelf nauwelijks belasting betaal in Nederland, meen ik me toch druk te moeten maken over een privé-aankoop van onze vorst.

Persoonlijk vind ik het alleen wat teleurstellend dat er eigenlijk nauwelijks partijen vertegenwoordigd zijn in de Tweede Kamer die een openlijk republikeinse koers varen. Ja, SP, GroenLinks en de PvdA hebben vast wel in hun beginselprogramma staan dat ze eigenlijk liever een Republiek hebben, maar in de praktijk hoor je ze er nooit over. De milde kritiek D66-leider van Alexander Pechtold deze week in de Volkskrant is wellicht symptomatisch. Alleen bij schandaaltjes wordt de trom geroerd. En dan nog met grote voorzichtigheid, alsof het om een heilig huisje gaat. De vraag of we nog wel een met publiek geld gefinancierd koningshuis nodig hebben, wordt stelselmatig ontweken.

Terwijl dat wel een vraag is die door volksvertegenwoordigers gesteld zou moeten worden. Het zal toch niet zo zijn dat 100% van de Nederlanders onvoorwaardelijk voor de monarchie is? De dissidente stemmen moeten ook in het parlement aan het woord komen!

Ik heb me zelf al eerder op deze plaats uitgelaten over waarom ik de monarchie een historische vergissing vind, die zo snel mogelijk republikeins rechtgezet zou moeten worden. De erfopvolging zorgt ervoor dat we in de praktijk niet kunnen verhinderen dat omhooggevallen patjepeeërs als Willem-Alexander tot staatshoofd verheven worden. Hij mag dan een chique vrouw aan de haak hebben geslagen, zelf is hij natuurlijk het niveau van Prins Pils eigenlijk nooit echt ontsteken. Hoewel de propaganda van de NOS ons graag anders doet geloven. Het succes van de persiflages van LuckyTV is volgens mij deels te verklaren door het feit dat de satire pijnlijk dicht bij de realiteit aan schuurt.



De platvloerse voorliefde voor snelle auto's van Willy is natuurlijk niet uit de lucht gegrepen. De betonnen steiger in Griekenland, die uit de staatsruif betaald is, dient immers alleen maar als aanlegplaats voor de gloednieuwe speedboot van de koning. Van mij mag Willem-Alexander alle mogelijke gekke hobby's hebben, maar ik wil hem niet als staatshoofd hebben. Binnen de huidige grondwet heeft het volk het echter niet voor het kiezen. We moeten het doen met wat er binnen het Huis van Oranje uitgepoept wordt. Daar mag wat mij betreft dus wel eens verandering in komen. En aangezien de grondwet alleen door de Staten-Generaal gewijzigd kan worden, zou ik persoonlijk een nadrukkelijker republikeins geluid in ons hoogste wetgevende orgaan zeer op prijs stellen.

donderdag 4 september 2014

Verkiezingshutjes

Over ruim een week, op zondag 14 september, zijn er verkiezingen in Zweden. De verkiezingen voor het nationale parlement (riksdag), de provinciale staten (landsting) en de gemeenteraden (kommunfullmäktige) vinden allemaal op dezelfde dag plaats.  Er wordt dus momenteel op alle fronten intensief campagne gevoerd. En dat is goed te merken. Niet alleen op radio, televisie en internet, maar ook in de stad.

Al weken is het centrale plein in Uppsala, Stora torget, het fysieke brandpunt voor alle campagne-activiteiten. Er zijn regelmatig sprekers en bijeenkomsten van partijen, maar het meest in het oog springend is toch wel de constante aanwezigheid van de verkiezingshutjes (valstuga, mv. valstugor) van de voornaamste partijen. De hutjes (of tenten of andere tijdelijke constructies) zijn geverfd in de partijkleuren en voorzien van campagneleuzen en zijn overdag bemand door vrijwilligers die met de geïnteresseerde burgers het gesprek aangaan.

In Uppsala is een duidelijke politieke verdeling van de hutjes over het plein zichtbaar. Stora torget wordt doorsneden door een busbaan en aan die busbaan vormt ook de politieke scheidslijn. Aan de noordzijde zijn de centrum-rechtse regeringspartijen vertegenwoordigd, samen met de extreem-rechtse Sverigedemokraterna. Aan de zuidzijde zijn de meer links georiënteerde partijen te vinden. Opvallend dit jaar is de prominente aanwezigheid van de partij Feministisk initiativ, een partij die feminisme als ideologie uitdraagt. In voorgaande jaren wisten ze nog geen potten te breken bij verkiezing, maar eerder dit jaar lukte het ze een zetel in het Europees Parlement te bemachtigen en het zou zomaar kunnen dat ze ook kiesdrempel van vier procent voor de riksdag weten te slechten.

De hutjes van de (linkse) oppositiepartijen op Stora torget in Uppsala.
Op de voorgrond het hutje van de Vänsterpartiet, vergelijkbaar met de Socialistische Partij in Nederland.
Van links naar rechts: de sociaaldemocraten, de milieupartij, het feministisch initiatief en de piratenpartij.
Drukte bij Feministisk initiativ, terwijl de hut van de piratenpartij op slot zit.
Campagneposters op de hutjes van de rechtse partijen.
Campagneactiviteiten bij de partijen van centrum-rechtse regeringsalliantie.

dinsdag 26 augustus 2014

De rechtsstaat op Lowlands ten onder

Een solide rechtsstaat wordt niet in een dag gebouwd!
Terwijl de Wereld in brand staat, lijkt de crisis in Nederland stilaan bezworen. Ondanks de impact van de Russische boycot krabbelt de economie langzaam weer op. Onder de nieuwe koning groeit het patriottisme en de hervonden nationale trots culmineert in de viering van twee eeuwen vaderland [sic]. Het kabinet herbront op een landgoed in Twente en komt binnenkort met nieuw beleid om het land op een koers naar de toekomst te zetten. Maar ondertussen kalft de rechtsstaat, haast ongemerkt, steeds verder af.

Een goed staatsbestel rust op drie solide, onafhankelijke pijlers: wetgevende macht, uitvoerende macht en rechterlijke macht. Dat parlement en regering in de hedendaagse realiteit nauw verweven zijn, is reeds lang een punt van zorg voor de staatssrecht-puristen. Maar in de praktijk is de uitvoerende macht zozeer verankerd in het stugge ambtenarenapparaat en wordt de wetgevende macht primair gestuurd door de politieke waan van de dag. Men zou zelfs kunnen stellen dat het kabinet eerder deel uit maakt van de wetgevende dan van de uitvoerende macht. Maar zelfs in dat geval heeft het stabiele uitvoerende bestel genoeg gewicht om de vluchtige politiek in evenwicht te houden. Montesquieu kan op dat vlak vooralsnog rustig slapen.

De derde stabiele factor in het landsbestuur zou de rechterlijke macht moeten zijn. En lang was dat ook een baken van rust in Nederland. Weledelgeleerde rechters spreken recht, gewiekste advocaten verdedigen en gedreven aanklagers klagen aan. Een fraaie Trias Justitia. Niets meer aan doen. Behalve dan dat het allemaal leidt tot een relatieve trage rechtsgang, waarin alle belangen en feiten eerlijk afgewogen dienen te worden. En dat is natuurlijk geen aantrekkelijk beeld in een tijd waarin meer veiligheid hoog op de agenda van het Volk staat.

Dus wordt er een list verzonnen om veiligheid en gerechtigheid in topsnelheid naar een groot festival te brengen. De suffe rechters kunnen in stoffige sociëteiten blijven en de gewiekste advocaten worden expliciet niet uitgenodigd. Aanklacht en oordeel worden gecombineerd en de verdachte moet zichzelf maar zien te verdedigen. Als iemand zo stom is een gebruikshoeveelheid verboden middelen niet goed te verstoppen, kan die meteen afrekenen: boete en strafblad. Er wordt aangeraden van beroep af te zien, want dan kan je meteen pinnen. Ik kan het niet eens een schijnproces noemen, want de schijn van een eerlijk proces wordt niet eens opgehouden.

Gelukkig zijn er enkele gehaaide advocaten die deze misstand hebben opgemerkt en de vuile was buiten hebben gehangen. Maar het ergste is natuurlijk dat de naamsverandering van het Ministerie van Justitie naar het Ministerie van Veiligheid meer dan een cosmetische wijziging is gebleken. Het streven naar gerechtigheid staat klaarblijkelijk niet meer bovenaan het prioriteitenlijstje van de heren Opstelten en Teeven. Veiligheid wordt schijnbaar gemeten in de gemiddelde lengte van het strafblad van de Nederlandse burger: hoe langer, hoe beter. Een ontnuchterende constatering. Ik kan slechts hopen dat er nog mensen in Den Haag zijn, die de rechtsstaat, of wat daar nog van over is, wel serieus nemen.

Partners in crime bij het slopen van onze rechtsstaat.

woensdag 20 augustus 2014

Naar de grens

Een reis naar Korea was voor mij niet compleet zonder een bezoek aan de Demilitarized Zone (DMZ), die het schiereiland al ruim 60 jaar in noord en zuid verdeelt. Zowel vanuit de noordelijke Democratische Volksrepubliek Korea als vanuit de zuidelijke Republiek Korea is deze grenszone voor toeristen met een georganiseerde tour te bezoeken. En aangezien ik enkele dagen in Seoul zou verblijven, had ik van tevoren een dagtour naar langs de verscheidene hoogtepunten van deze befaamde grenszone geboekt. Er zijn eigenlijk opvallend weinig restricties om aan zo'n tour deel te nemen: je mag geen staatsburger van Korea of een niet-vriendschappelijke natie zijn, je moet je uiterlijk vier dagen van tevoren opgeven en betalen, je moet je paspoort meenemen, je mag geen aanstootgevende kleding dragen en je moet de aanwijzingen van de gidsen opvolgen.

De tour vertrok 's ochtends in alle vroegte met een volle bus vanaf de USO-compound in hartje Seoul. De ochtendspits kwam al op gang, maar het was vooral richting het centrum, terwijl wij uiteraard koers zitten richting de ommelanden en dus goed op konden schieten. De reis voerde langs de noordoever van de Han-rivier en al gauw kon ik de eerste hekwerken en wachtposten van het Zuid-Koreaanse leger waarnemen. Hoe dichter we de Zone naderden, hoe frequenter en opvallender de militaire aanwezigheid.

Militaire roadblock op weg naar de DMZ.

Na ruim een uur rijden kwam de bus aan bij de Amerikaans-Koreaanse basis Camp Bonifas, aan de zuidrand van de DMZ. Daar nam onze Koreaanse gids tijdelijk afscheid van ons en kregen we een korte, propagandistische briefing van een niet al te snuggere Amerikaanse infanterist over de lokale geopolitieke stand van zaken. Deze soldaat (afkomstig uit de Deep South) was samen met een collega rekruut ook onze gids binnen de zogeheten Joint Security Area (JSA). Dit was het enige onderdeel van de tour waar we daadwerkelijk binnen de DMZ waren en waar we uiteindelijk zelfs een paar meter over de streep in Noord-Koreaans grondgebied mochten vertoeven. In de JSA gelden allemaal strenge regels, met name ten aanzien van fotografie en onze militaire begeleiders hadden dan ook grote moeite om alle schietgrage toeristen in toom te houden.

Toeristen betreden de barakken die over de grens tussen Noord- en Zuid-Korea zijn gebouwd.

Het ging er allemaal behoorlijk routinematig aan toe. Er wordt tijdens de korte tour door de JSA een strak schema gevolgd, waar absoluut niet van afgeweken mocht worden. Je wordt eerst opgesteld op een soort podium, krijgt wat uitleg over wat je allemaal om je heen ziet en dan mag je een van de barakken een tiental minuten in. In de barak kun je de jure Noord-Koreaans grondgebied betreden, omdat het vroeger de plek was waar delegaties uit Noord en Zuid elkaar troffen voor onderhandelingen en zodoende precies over de grens is gebouwd. Nadat je na een paar minuten met een vrij grote groep in een vrij kleine barak hebt gestaan en je, strak in het gelid, weer naar buiten gedirigeerd bent door de soldaten, gaat de hele groep weer de bus in en wordt je langs nog een aantal andere bezienswaardigheden/curiositeiten van de JSA gevoerd.

Zicht op de Democratische Volksrepubliek Korea.

Eerst wordt de hele groep weer uitgeladen bij een uitzichtpunt richting Propaganda Village (aldaar bekend als Peace Village of Kijong-dong, 평화리) in Noord-Korea, dat voornamelijk bekend is vanwege de gigantische vlaggenmast. Een stellage die vermoedelijk uiting geeft aan de onderlinge penisnijd tussen Noord en Zuid. Ten zuiden van de grens is namelijk een gelijkaardig, doch net iets kleiner, fallussymbool opgericht. Overigens was het ten strengste verboden foto's te maken van objecten die zich aan de zuidzijde van de demarcatielijn bevonden. Plaatjes schieten van alles wat los en vast stond was prima zolang het zich maar in Noord-Korea bevond, maar als je je fototoestel richting het zuiden richtte, kon je op zijn minst een scheldkanonnade en niet mis te verstane dreigementen van de Amerikaanse chaperons verwachtten. Vanuit de bus kregen we verder nog de Bridge of No Return en de locatie van het Axe murder incident te zien. Smullen dus voor de connaisseurs van de meer obscure episodes uit de twintigste eeuwse geschiedenis. De bus reed daarna, door de mijnenvelden en de tankgreppels die de grens van de DMZ aan zuidelijke zijde vormen, weer terug naar Camp Bonifas, waar je snuisterijen in de souvenirwinkel kon kopen en nog een propagandistisch museum over de geschiedenis van de JSA en de DMZ kon bezoeken. De taak van de Amerikaanse militairen ("voorkomen dat de onnozele toeristen geen Derde Wereldoorlog veroorzaken") zat er toen op en de Koreaanse gidsen (die de DMZ niet binnen mogen) namen het voor de rest van de dag weer over.

"On this spot was located the yellow poplar which was the focal point of the ax murder of two United Nations Command officers. Captain Anton Bonifas and first lieutenant Mark Barrett, who were attacked and killed by North Korean while supervising a work party trimming the tree on august 16 1976."

Het eigenlijke hoogtepunt was dus nu achter de rug, de JSA is immers een geopolitieke hot-spot hors catégorie, maar er stond desondanks nog een vol programma te ingepland. Eerst lunch in een kantine bij het propagandistische treinstation van Dorasan. Waarna een onvermijdelijk bezoek aan het treinstation zonder functie, behalve het symboliseren van de wil van de Zuid-Koreaanse samenleving om naar hereniging van het verdeelde schiereiland te streven. Het gigantische stationsgebouw is ruim tien jaar geleden gebouwd in de hoop dat er ooit passagierstreinen naar Pyongyang zullen vertrekken en aankomen. Het staat er, gezien de politieke realiteit, echter ongebruikt bij en er is niks te beleven behalve een bezoek aan de goed gesorteerde souvenirwinkel, waar ik nog Noord-Koreaanse wijn en likeur op de kop wist te tikken. Vervolgens naar het uitzichtpunt Dora Observatory, waar ik geheime grensinstallaties van het Zuiden wist te fotograferen.

Tenslotte wachtte ons nog een claustrofobische afdaling in een van de infiltratietunnels die vanuit het Noorden onder de DMZ door zijn gegraven om een mogelijke invasie te faciliteren. Waarvan er een aantal door het Zuiden ontdekt zijn opgespoord en die nu een mooie tourist-trap vormen. Een bijna letterlijke tourist-trap, omdat het een flinke inspanning vereist om vanuit de diepte van de tunnel weer terug naar de oppervlakte omhoog te zwoegen. Boven gekomen was ik lichamelijk en geestelijk behoorlijk verzadigd en tijdens de busreis terug naar Seoul kon ik de opgedane indrukken op mij in laten werken. Aan de ene kant was het uitgebreide rondleiding door een soort propagandistisch pretpark, maar tegelijkertijd was het ook een harde confrontatie met een reële frontlinie van een nog altijd niet afgesloten oorlog.

Hoopvolle propaganda over een spoorverbinding die ooit het Koreaanse schiereiland met de rest van de Wereld zal verbinden. In het treinstation Dorasan.
Links Zuid-Korea, rechts Noord-Korea, gezien vanaf Dora Obervatory. Inclusief de grensinstallaties aan de zuidelijke kant, die ik dus absoluut niet mocht fotograferen.
Onze Koreaanse gids vertelt over de derde infiltratie-tunnel.

zondag 17 augustus 2014

Rusland en Duitsland, twee handen op één buik?

Als er één land is dat een bijzondere relatie tot Rusland onderhoudt, dan is het wel Duitsland. Als land in het midden van het Europese continent, heeft het altijd zowel naar 'het Westen' als naar 'het Oosten' en meer bepaald Rusland gekeken. De geschiedenis kan rijkelijk getuigenis afleggen over de Duits-Russische relaties. Duitsland en Rusland konden het altijd goed met elkaar vinden totdat Duitse imperialisten en later een vanuit Oostenrijk tot rijkskanselier omhooggeklommen individu het in opeenvolgende wereldoorlogen in hun hoofd haalden om de Russische ruimte te willen veroveren.
Een niet zo willekeurig citaat uit een willekeurig artikel over de recente ontwikkelingen binnen Europa. Terwijl de Angelsaksische mogendheden sinds de val van de de Tsaar en de opkomst van Lenin, nu al bijna een volle eeuw, een vrij moeizame relatie hebben met de het grootste land ter wereld, heeft Duitsland in diezelfde periode (met uitzondering van 1933-1938 en 1941-195) een opvallend betere band met Rusland gecultiveerd.

Zonder Duitse hulp had Lenin dit huis in Zürich nooit kunnen verlaten.

Over de zeer opmerkelijke ontwikkelingen in de diplomatieke en politieke verhoudingen tussen Duitsland en Rusland (of liever de Sovjet-Unie) tussen de beide Wereldoorlogen, heeft de legendarische journalist en historicus Sebastian Haffner een zeer lezenswaardig boek geschreven. Het duivelspact vertelt het verhaal vanaf de Duitse list om Lenin naar Rusland te sturen om de revolutie over te nemen en een wapenstilstand tot stand te brengen, tot aan Operatie Barbarossa.

En hoewel Hitler inderdaad dacht dat hij de Sovjet-Unie in een paar maanden met zijn panzers op de knieën zou kunnen dwingen, zag hij een paar jaar eerder ook geen bezwaar in het sluiten van het beruchte Molotov-Ribbentrop-pact met zijn theoretische aartsvijand Stalin. Dit laatste verdrag is slechts één van de vele saillante diplomatieke episodes in de periode 1917-1941. Het verdrag van Rapallo in 1922, waarbij er midden in de nacht in pyjama's door de Duitse diplomatieke top koortsachtig overleg werd gevoerd om de volgende dag pijlsnel een vredesverdrag met Rusland te ondertekenen en zo de Britse premier Lloyd George buiten spel te zetten en verbijsterd en woedend achter te laten, wordt door Haffner gekenschetst als 'een van de grote gebeurtenissen van de eeuw, een aardschok die het gehele internationale toneel veranderde.'

Het verdrag van Rapallo zette de toon voor ruim tien jaar durende, intensieve Duits-Russische samenwerking. Niet alleen diplomatiek en economisch, maar vooral ook militair. De aan Duitsland in het verdrag van Versailles opgelegde beperkingen met betrekking tot landmacht, vloot en luchtmacht, werd in het diepste geheim ontweken door diep in Rusland, onttrokken aan het oog van de rest van de wereld, wapens te produceren en militairen op te leiden. De Sovjet-Unie profiteerde op zijn beurt van de geavanceerde Duitse techniek en tactieken door de bouw van fabrieken en gezamenlijke oefeningen. Zo lag de kiem voor de legers die elkaar in de jaren '40 op leven en dood bevochten, ironisch genoeg in de nauwe coöperatie van de beide grootmachten.

Een koele vriendschap of een warme rivaliteit?

Beide mogendheden hadden steeds wisselende motieven en bijbedoelingen met de samenwerking, maar constant was de dreiging van een oppermachtig Frans-Anglo-Amerikaans blok de kracht die de potentiële vijanden in elkaar armen dreef. En in dat opzicht is de situatie heden ten dage eigenlijk niet te vergelijken met de politiek-diplomatieke constellatie van het interbellum. Poetins buitenlandpolitiek doet wellicht nog wel wat aan de nationalistische paranoia van Stalin denken, maar Duitsland is tegenwoordig juist diep verankerd in de Noord-Atlantische alliantie. Dat Merkel echter van alle westerse leiders nog het best met het Kremlin over weg kan, zou je (met een lichtelijk teleologische redenering) wel aan de hand van de lange Duits-Russische geschiedenis kunnen verklaren. Rusland voelt zich, al dan niet terecht, duidelijk miskend en gedemoniseerd door het Westen en dan is het goed te weten dat er in elk geval één vooraanstaande westerse natie is, die vertrouwd is als trait-d'union tussen Oost en West te fungeren.

donderdag 20 maart 2014

Liever Turks dan Wilders

Bij het lezen van het boek The Rise of Western Christendom, Triumph and Diversity, A.D. 200 - 1000 van Peter Brown stuitte ik op een interessant citaat in de inleiding tot de herziene derde editie. Het was een citaat van ons aller Geert Wilders, uitgesproken tijdens een redevoering in Rome op 25 maart 2011:
Rome is the cradle of our Western civilization - the most advanced and superior civilization the world has ever known. ... the history of Rome ... serves as a warning ... [for Rome] suffered a loss of belief in its own civilization. The Romans ... did not perceive the immigration of the Barbarians as a threat until it was too late. ... But then on 31st of the year 406, the Rhine froze and tens of thousands of Germanic Barbarians crossed the river, flooded the Empire and went on a Rampage, destroying every city they passed. ... The fall of Rome was a traumatic experience.

Het bewijs, wellicht ten overvloede, maar toch

Het beeld dat de blonde Limburger oproept, is een beeld van hordes barbaren die de beschaafde wereld om zeep helpen en de aanzet geven tot eeuwen van verval en achterlijkheid. En wat hij er natuurlijk mee wil zeggen, is dat als we niet oppassen eenzelfde doemscenario ons nu weer wacht. De islam in al haar verschrikkelijke uitwassen staat klaar om de hoogstaande joods-christelijk cultuur omver te werpen en ons zo doende wederom in de donkere middeleeuwen te storten. De vraag is natuurlijk of het beeld dat Geert schetst over Rome en de barbaren ook iets met de historische werkelijkheid te maken heeft. En de historische werkelijkheid achterhalen, dat is de expertise van een historicus als Peter Brown. Ik citeer de eminente geleerde dus ook maar even:
The story of the fall of Rome has always left in the back of our minds a heavy sediment of fear and regret. Such a narrative is calculated to be disturbing. It presents a complacent empire, a silent build-up of pressure from outside , a sudden breakthrough, a murderous rampage and then, silence ... the extinction of civilization for many centuries. What is regrettable is that this narrative should erupt, from time to time, to serve the purposes of toxic political movements in contemporary Europe. For this reason it is particularly important to get the story right. What really happened in western Europe between 400 and 800 A.D.?

Wat gebeurde er nou echt in West-Europa tussen 400 en 800 na Christus? Dat is een vraag die Wilders natuurlijk helemaal niet interesseert. Dat de werkelijkheid wel eens complexer zou kunnen zijn dan een clichématige clash tussen beschaving en barbarij, daar heeft onze favoriete demagoog natuurlijk niks aan. Hij is alleen maar geïnteresseerd in het aanwijzen van zondebokken, het scheppen van verdeeldheid en het zaaien van haat. Peter Brown zet in zijn boek helder uiteen dat de vroege Middeleeuwen wellicht het eind van de klassieke oudheid betekende, maar niet het eind van elke vorm van beschaving. De Europese beschaving kreeg alleen een ander aanzien en vele aspecten van onze cultuur die we als typisch westers beschouwen vinden juist hun oorsprong in de 'donkere' Middeleeuwen en niet in de Oudheid.

Een aanrader!
En het mooie aan Brown's boek is dat het niet slechts een beperkte blik op West-Europa biedt. Want hoewel de titel The Rise of Western Christendom anders doet vermoeden, besteedt hij ook in ruime mate aandacht aan het oostelijk christendom en de islam. En daar komen we natuurlijk bij een ander favoriet stokpaardje van Wilders, dat de islam inherent een achterlijke cultuur zou zijn. Als we echter sec de geschiedenis beschouwen, dan valt daarin weinig hard bewijs voor zulks een stelling te vinden.

Nu zullen de fellow travelers van de PVV natuurlijk met het weerwoord klaarstaan dat de islam van vandaag niet de islam van de vroege middeleeuwen is. Maar de islam was juist in de zevende en achtste eeuw bij uitstek een vitale en expansionistische beweging, die, veel meer dan in onze huidige tijd, de christelijke westerse wereld tot op het bot wist te tarten. In de huidige wereld zijn de groepen als de Taliban en Al Qaida de verliezers van de globalisering, die geen realistische bedreiging vormen voor het  globale machtsevenwicht. Fareed Zakaria stelt dan ook terecht in zijn recensie van The World is Flat van Thomas Friedman dat strijd tegen het Islamisme in wezen een achterhoede-gevecht is.
Terrorism remains a threat, and we will all continue to be fascinated by upheavals in Lebanon, events in Iran and reforms in Egypt. But ultimately these trends are unlikely to shape the world's future. The countries of the Middle East have been losers in the age of globalization, out of step in an age of free markets, free trade and democratic politics. The world's future -- the big picture -- is more likely to be shaped by the winners of this era. And if the United States thought it was difficult to deal with the losers, the winners present an even thornier set of challenges.

Gedurende de Tachtigjarige Oorlog was het motto van de Geuzen Liever Turks dan Paaps. Een tijdloze klassieker. En ik ben uiteraard een goed patriot en ik weet de vrijheidslievende idealen van de Geuzen en hun rechtvaardige strijd tegen het Spaanse juk zeker op waarde te schatten. Daarom lijkt het mij ook niet verkeerd om de wapenspreuk van de Geuzen een nadere wending te geven: Liever Turks dan Wilders. Ik zou zelf liever ingezetene zijn van een welwillende Islamistische staat dan moeten leven in een land dat geregeerd wordt door de crypto-fascistische Wilders. Geert Wilders is immers niet minder fundamentalistisch dan de meest radicale moellahs in Pakistan.

Ah, de goeie ouwe tijd!

woensdag 4 december 2013

The open society revisted, waar is Karl Popper als je hem nodig hebt?

We must plan for freedom, and not only for security, if for no other reason than only freedom can make security more secure.

Het is inmiddels bijna zeventig jaar geleden dat Karl Popper The open society and its enemies publiceerde, maar zijn boek lijkt momenteel urgenter dan ooit te voren. Goed, de dreiging van marxisme en fascisme lijkt vandaag de dag minder dan in de jaren rond de Tweede Wereldoorlog en 800 pagina's polemische politieke filosofie is niet aan iedereen besteed, maar de boodschap is nog altijd actueel. 

Dat voor de meeste lezers nu waarschijnlijk al duidelijk is waar ik het over ga hebben, zegt waarschijnlijk al genoeg. Dat het tijd wordt dat we ons expliciet uitspreken tegen de groeiende drang van overheden om ons dagelijks leven in de gaten te houden. Veiligheid is wat mij betreft niks waard als ik me niet vrij kan voelen. Wat dat betreft hebben ze het in New Hampshire begrepen: Live free or die.

Popper maakt in zijn tijdloze werk duidelijk dat vrijheid voor veiligheid moet gaan. Veiligheid kan uiteindelijk niet gegarandeerd worden en de overheid moet in elk geval geen vrijheden van burgers opofferen in haar streven de veiligheid van diezelfde burgerste vergroten.
  
The claim that if you want security you must give up liberty has become a mainstay of the revolt against freedom. But nothing is less true. There is, of course, no absolute security in life. But what security can be attained depends on our own watchfulness, enforced by institutions to help us watch—i.e. by democratic institutions which are devised (using Platonic language) to enable the herd to watch, and to judge, their watch-dogs. 

Het grote probleem van de stapsgewijze toename van het mandaat van de veiligheidsdiensten is natuurlijk dat tegelijkertijd de rol van Poppers watch-dogs wordt uitgehold. Er is in de praktijk immers nauwelijks democratische controle mogelijk op veiligheidsdiensten. Wat de overheid ons ook probeert te geloven, door elke aankondiging van het uitbreiden van bevoegdheden vergezeld te laten gaan door een belofte van strengere interne controles.

Er zullen wellicht mensen zijn die bovengenoemde passage juist zien als een pleidooi voor democratische veiligheidsdiensten, maar ik zie dat niet zo. Een veiligheidsdienst staat wat mij betreft haast per definitie haaks op een open, vrije en democratische samenleving. Het is een noodzakelijk kwaad, met de nadruk op kwaad en een vraagteken achter noodzakelijk. Institutions that help us watch, zijn geen instellingen die alleen de regering informatie geven, maar juist de instellingen die ons een vrije blik op de werkelijkheid geven. De vrije pers, onafhankelijke parlementariërs, klokkenluiders, anonieme blogs op het internet.

Zodra institutions that help us watch aan banden worden gelegd door institutions that help the government watch, komt de open samenleving in gevaar. Uiteraard klinkt dan al gauw het cliché, dat je niks te vrezen hebt, als je niks te verbergen hebt, maar dat is volstrekte onzin. De onafhankelijkheid van de burger komt in gevaar zodra de overheid stelselmatig iedereen mag afluisteren. Nu is de overheid wellicht nog te vertrouwen, maar wie kan mij garanderen dat dat in de toekomst ook zo is? Niemand. Als in de toekomst een minder verlichte groepering aan de macht komt, komen zij in een gespreid bedje terecht als het gaat om de mogelijkheden tot totale controle over alle gedragingen van de eigen bevolking.

Het nieuwe hoofdkantoor van de AIVD?

Over wat er kan gebeuren als de veiligheidsdiensten te veel macht krijgen, zijn kasten vol geschiedenisboeken geschreven en zal ik nu verder niet uitweiden. Ook Big Brother uit Orwells 1984 komt regelmatig voorbij, maar ik heb dat nooit echt een goed boek gevonden. Al was het maar omdat hij excessieve burgerbewaking haast onlosmakelijk koppelt aan een over-the-top kwaadaardig totalitair regime. Wat mij betreft is het veel angstaanjagender dat een ogenschijnlijk vreedzaam regime, zoals bijvoorbeeld in Brave New World, er in het geniep allerlei duistere praktijken op na houdt, maar dat het voor de gewone burger onmogelijk is om daar weet van te krijgen. Als de democratische controle wordt afgeschaft en de  open samenleving ten grave wordt gedragen, is dat een doemscenario dat wel eens dichterbij zou kunnen zijn dan we nu denken.

zondag 1 december 2013

200 jaar koninkrijk: een historische vergissing

Eerder presenteerde ik in mijn semi-fictieve vraaggesprek met Wilfried de Jong al enkele voorstellen voor de restauratie van de Republiek Nederland. Die visionaire plannen zijn reeds voor het nageslacht vastgelegd en zal ik hier niet herhalen. Wellicht dat ik het een-en-ander nog eens in een Republikeins Manifest giet. Maar voorlopig wil ik mij concentreren op mijn hopeloze pleidooi om het huidige Koninkrijk af te schaffen. Ik weet dat ik me een roepende in de woestijn kan achten, maar die gedachte brengt mij allerminst tot inkeer. Ik raak er juist steeds sterker van overtuigd dat de rest van het volk door Oranjegezinde propaganda in verzoeking wordt geleid.

De propagandastorm is weeral aangewakkerd door de viering van 200 jaar Koninkrijk der Nederlander. Allerhande stukjes worden opgevoerd om nog maar eens aan het volk duidelijk te maken dat er niks sterker met ons bloed en de Vaderlandse bodem is verweven dan het Huis van Oranje. Ik kon de walgneigingen eigenlijk niet onderdrukken toen ik Huub Stapel op het strand van Scheveningen zag staan. Zijn we nóg niet genoeg geïndoctrineerd?

De geschiedenis herhaalt zich, de eerste keer als tragedie, de tweede keer als farce

De Nederlandse monarchie valt met wat creativiteit te bezien als een van de vele paradoxale uitkomsten van de Franse Revolutie. Napoleon stichtte de monarchie in Nederland met zijn broer als kopstuk. Lodewijk Napoleon stelde echter de belangen van zijn onderdanen boven de belangen van het Franse keizerrijk. Wellicht dat het goede imago van onze eerste eigen koning bijdroeg aan de beslissing om na de Franse Tijd de Oranjes weer in het land halen om een koninklijke dynastie op te zetten. Maar waarschijnlijk was de reactionaire sfeer in Europa rond het Wener Congres meer van belang. De grote Europese mogendheden wilden alles in het werk stellen om de verschrikkelijke vernieuwingen van de Franse Revolutie weg te strijken en de oude orde te herstellen. En een van de meest vooraanstaande verworvenheden van de goede oude tijd was uiteraard de monarchie.

Dit terwijl Nederland natuurlijk bij uitstek een republikeinse traditie had. En er in feite dus geenszins sprake was van een restauratie. Zeker, de Oranjes vervulden een rol van variabele prominentie binnen de Republiek. Maar uiteindelijk was een monarchie iets dat we in de Acte van Verlatinghe in 1581 juist hadden afgezworen. Uiteraard valt het huidige koningshuis te verdedigen. De afgelopen eeuw hebben onze vorstinnen zich verdienstelijk van hun taak gekweten. Maar vaak genoeg kwam ook aan het licht dat een erfelijk staatshoofd in praktijk lastig met een democratisch stelsel te combineren valt.

Ik blijf er bij, dat als je gelooft in de zegeningen van de democratie, dat een parlementaire monarchie dan niet de ideale constructie is. Critici zullen wellicht menen dat de democratie an sich ook niet ideaal is. Maar ik moet toch Churchill gelijk geven: "It has been said that democracy is the worst form of government except all those other forms that have been tried from time to time." Er is de facto geen beter alternatief. Ook valt te verdedigen dat een monarchie goed in te passen is in een democratische staatsvorm. Echter als principieel voorstander van de democratie, meen ik dat ook het staatshoofd democratisch gekozen dient te worden. En niet op basis van familiale banden aan het hoofd van ons land komt. Nepotisme keuren we algemeen af, waarom dan wel een koninklijke dynastie?

Is ons koningshuis meer dan een toneelstuk? Moet de staat het volk voorzien van royaal entertainment? Volksvermaak is typisch een dienst die wel beter door particulieren dan door de overheid verzorgd kan worden. Het is dan dus ook niet de taak van de staat om voor sprookjeshuwelijken en liefdesbaby's te zorgen. En verandering is niet onmogelijk. Onze huidige koning staat niet afwijzend tegenover staatkundige vernieuwing. Hij zal elke wet ondertekenen die democratisch tot stand is gekomen. Een militaire coup hoeven we dus niet te vrezen, we moeten voor de traditionele republikeinse waarden opkomen! Politici moeten durf tonen. Niet slapjes over modern koningschap spreken, maar zich expliciet uitspreken voor de republiek.

De aartsvaders van..
... de Republiek Nederland

Het koninkrijk is wat mij betreft een historische vergissing, die strijdig is met de waarden die vervat waren in onze eerste onafhankelijke Republiek zoals die door Willem van Oranje en Johan van Oldenbarnevelt vormgegeven was. De beste Nederlandse tradities van onafhankelijk burgerschap, meritocratie, patriottisme zijn door de instelling van de monarchie onder het vloerkleed geveegd. Soit, het koninkrijk is niet meer de absolute monarchie die het onder Willem I was, maar dat de continuïteit van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden onderbroken is, vind ik onvergeeflijk. Tijd dus om onze republikeinse kroonjuwelen af te stoffen!

woensdag 27 november 2013

Mag ik dat zeggen? Ja, dat mag ik zeggen.

Ik stelde in mijn vorige beschouwing dat veel mensen elk voorstel om Zwarte Piet minder zwart te maken beschouwen als een directe aanval op de Nederlandse cultuur. Dit onderbuikgevoel is natuurlijk direct opgepikt door de man die steeds de vinger aan de pols van het gesundes Volksempfinden heeft: Geert Wilders en zijn kameraden van de PVV. Toen de discussie dit jaar weer de kop op stak, wist de PVV direct de twijfel aan een pikzwarte Zwarte Piet te duiden als een van de onverkwikkelijke uitkomsten van de oh zo verderfelijke multiculturele samenleving. Dat dit geen toeval is, maar deel uit maakt van een slim politiek spel, zal ik duidelijk proberen te maken in de rest van mijn vertoog.



Dat ik deze parlementariërs hier weer aan het woord laat, vind ik eigenlijk te veel eer. Ze hebben immers genoeg ruimte om hun zegje te doen, maar ik kan ook niet om hun rechtmatige functie van volksvertegenwoordiger heen. Want hoe ik het wend of keer, ze vertegenwoordigen het volk. Dat ze daarbij van populistische middelen gebruik maken, is ze uiteindelijk goed recht: Net zo als het mij goed recht is om uitdrukkelijk te zeggen dat ze mij niet vertegenwoordigen. Niet alleen heb ik niet op hun gestemd, ik kan me ook in het geheel niet vinden in hun manier van politiek bedrijven. Maar houdt dat ook in dat hun politieke tegenstanders hen met fluwelen handschoenen aan moeten pakken, om zo maar geen vuile handen te maken als het om de aanpak van het populisme gaat?

De vraag reist dan ook bij mij of je in de politiek dieven met dieven vangt. Moet populisme met populisme bestreden worden? Moet je je moreel hoger achten dan je tegenstander en je dus ook op die manier gedragen. Is negeren, belerend toespreken of Roomser dan de Paus zijn, de juiste tactiek? Of moet je juist nog smerigere trucs uithalen om je tegenstander zwart te maken. Dat laatste gebeurt vaker dan we denken en is eigenlijk vrijwel altijd contraproductief. Omdat het volk ook niet achterlijk is. De meest veelvoorkomende steek onder water is de welbekende reductio ad hitlerum, die ik ook ter voorbeeld, subtiel of niet, in de eerste alinea heb verwerkt. Door je tegenstander met een moorddadig regime te associëren, doe je eigenlijk vrijwel altijd voorkomen dat je geen echt goede tegenargumenten hebt of dat je je in het debat te veel door emoties laat leiden.

Wilders is geen crimineel en de PVV is geen criminele organisatie, dus vergelijkingen met misdadigers en misdadige organisaties gaan per definitie mank. Wilders mag ik volgens mij echter best racistisch en xenofoob noemen, al was het maar omdat dat gewoon mijn mening is. Het komt er echter op aan, goede en overtuigende argumenten voor zo'n mening te vinden, die niet alleen mij overtuigen, maar ook het potentiële PVV-electoraat, als je de confrontatie echt aan wil gaan. En dat is wat een stuk lastiger is. Het is immers makkelijk voor eigen parochie te preken, in mijn geval de ruimdenkende, hoogopgeleide wereldburger. Wat ik hier in wezen ook doe.

Mijn mede-wereldburger Arnon Grunberg nam onlangs een duidelijk standpunt in, toen hij in de Volkskrant voor eigen parochie preekte: "Overigens is een land waar Zwarte Piet wel en Geert Wilders niet wordt bestreden door en door hypocriet." Iets waar ik het in principe alleen maar mee eens kan zijn, het is alleen de vraag of dat werkelijk de situatie is. De meerderheid van de Nederlandse bevolking steunt immers wel Zwarte Piet maar niet Geert Wilders, wellicht is er ergens dus nog wel hoop.

Populisme op volle toeren

Toch blijft het een interessant koppel, Geert Wilders en Zwarte Piet. De moslimhater en de kindervriend. Op het oog hebben ze niks met elkaar gemeen, maar toch meen ik dat beiden op bepaalde punten racistisch geacht kunnen worden. En van die vreemde samenhang maakt Wilders erg handig gebruik. Mensen die Zwarte Piet afwijzen worden weggezet als handlangers van een anti-Nederlandse complot, gesteund door de VN, EU, Linkse Kerk en andere usual suspects.  De PVV past een hele slimme tactiek toe, die eens te meer bewijst dat Wilders volgens mij op bepaalde punten de meest getalenteerde politicus van Nederland is: de techniek van de politieke toe-eigening. Ze proberen van een algemeen geliefd figuur als Zwarte Piet de vaandeldrager van hun populistische politiek te maken.

En dat is nou net een verschijnsel waar de politieke tegenstanders van Wilders het volk op moeten wijzen en bewust van moeten maken. Dat de argumentatie: wie tegen een zwarte Zwarte Piet is, is tegen de Nederlandse cultuur, helemaal nergens op slaat. Je kunt best tegen een zwarte Zwarte Piet zijn, maar nog steeds een groot voorstander zijn van het Sinterklaasfeest, een enigszins ander vormgegeven Piet incluis. En zelfs al heb je niks met Sinterklaas, dan hoef je nog helemaal niet de Nederlandse cultuur als geheel te ondermijnen.

Politici aan de andere kant van het spectrum zijn echter bang om de confrontatie met Wilders aan te gaan. Omdat ze vrezen dat elke confrontatie bij voorbaat een verloren confrontatie is. Ze hoeven echter helemaal geen stelling tegen Zwarte Piet in te nemen, ze hoeven alleen maar de populistische politieke toe-eigening van Zwarte Piet door de PVV expliciet af te keuren. Ze zijn bang er een politiek punt van te maken, terwijl de PVV door heeft dat het al lang een politiek punt is.

zaterdag 23 november 2013

De dingen bij de naam noemen

Zoals eerder gememoreerd ben ik aangemoedigd om man en paard te noemen in mijn beschouwingen. Ik zal dan bij deze onthullen dat mijn ietwat hermetische artikel over vrijdenken en de natiestaat is geschreven naar aanleiding van het hoogstaande Zwarte Piet-debat. Omdat het artikel in principe op elk denkbaar controversieel onderwerp (prostitutie, euthanasie, doodstraf, noem maar op) van toepassing kan zijn en ik niet wilde dat het artikel door een beroete bril gelezen zou worden, had ik de aanleiding in eerste instantie achterwege gelaten. Nu de ergste rookwolken van het slagveld zijn opgetrokken, is het wellicht tijd de stand van zaken met distantie te overdenken. Met andere woorden, om mij alsnog in een akelig wespennest te storten. Want zo valt het hele debat wellicht wel het best te kwalificeren: akelig.

En dat is misschien wel het punt. Dat het lijkt alsof we niet op een normale manier met elkaar om kunnen gaan en dat we tegelijkertijd als de dood zijn in onze identiteit aangetast te worden door iets aan een traditie aan te moeten passen. Terwijl elke traditie een bepaalde culturele ontwikkeling heeft doorgemaakt en door de loop van de geschiedenis constant aangepast is. Maar die aanpassingen gingen meestal terloops, haast onbewust. Het wordt 'gevaarlijk' gevonden als de aanpassingen bewust gebeuren. Want dan lijkt het alsof achter die kleine aanpassing een gedachte schuil gaat, die uiteindelijk nog veel meer aanpassingen van ons zal eisen. Terwijl dat natuurlijk zeer de vraag is.

Goed, maar om bij de kern van het debat terug te keren. Zwarte Piet. Is een zwarte Zwarte Piet racistisch? Tja. Er zijn mensen die Zwarte Piet racistisch vinden en daar zijn ook wel goede redenen voor, vind ik. Maar moet je de minderheid van de bevolking, en wellicht de buitenlandse publieke opinie, tegemoet komen en een kinderfeest aanpassen, tegen de zin van de meerderheid van de bevolking? Dat is een goede vraag. Laten we eerst maar eens naar Anousha Nzume,
een tegenstander van de zwarte Zwarte Piet, kijken en luisteren.



De vergelijking met Rusland is wellicht wat overtrokken, maar dat moet kunnen. Uiteraard is Nederland geen politiestaat zoals Rusland, maar de tegenstanders van Zwarte Piet worden evengoed weggezet als gekke henkies, die met hun poten van onze cultuur moeten afblijven. En zodra bleek, dat de argumentatie van de voorstanders van Zwarte Piet voornamelijk daar om draaide, kwam voor mij de omslag.

In voorgaande jaren leek het ressentiment tegenover Zwarte Piet hoofdzakelijk afkomstig van Amerikaanse toeristen en expats. En dat ressentiment was begrijpelijk en verklaarbaar uit het veel grotere racistische stigma dat in de VS kleeft aan het concept blackface. In Amerika was het tot aan de Tweede Wereldoorlog niet ongebruikelijk voor entertainers om in blackface (zwart geschminkt met rode lippen) op te treden en in een aanzienlijk deel van zulke shows werden zwarten belachelijk gemaakt. Met de voortschrijdende verwerking van het Amerikaanse slavernijverleden en de opkomst van de burgerrechtenbeweging werd blackface steeds meer gezien als een uitting van cultureel racisme en is tegenwoordig voltrekt taboe.

Is blackface een deel van ons erfgoed waar we tegenwoordig trots op moeten zijn?

Dus tot dusver dacht ik dat de veroordeling van Zwarte Piet simpelweg op een cultureel misverstand berustte. In Nederland is er geen vergelijkbaar taboe op blackface en Zwarte Piet is dus aanvaardbaar. We moeten het alleen goed uitleggen aan de Amerikanen en ons van de culturele verschillen en gevoeligheden bewust zijn. Daar denk ik nu dus iets anders over en dat is niet omdat de tegenstanders met veel betere argumenten zijn gekomen.

In Nederland geeft men vaak hoog op over de geneugten van het recht voor zijn raap zijn. De dingen bij de naam noemen. Buitenstaanders interpreteren dit meestal als botheid en een gebrek aan omgangsvormen. De botheid is denk ik een kwestie van smaak, maar het gebrek aan omgangsvormen klopt denk ik wel, als het om het publieke debat gaat. Aangaande de privésfeer geen kwaad woord over mijn geliefde landgenoten, maar in de openbare arena van het vrije woord maken we er een puinhoop van.

Goed, maar weer terug naar het onderwerp Zwarte Piet. Want de tegenstanders van onze beroete kindervriend kregen deze hete herfst een ongekende bak stront over zich heen. In plaats van met goede argumenten voor het behoud van zijn donkergetinte huidskleuren te komen, beschoten de Zwarte Piet-aficionado's en masse de gezanten van deze ongewenste boodschap (te weten: dat het ook voor deze traditie wellicht tijd was om de stap te zetten naar de moderne tijd). Dat kon toch echt niet. Dit was de nagel aan de doodskist van alles wat ons dierbaar was. Zwarte Piet is zwart doordat hij door schoorstenen klautert en daarmee uit! En zij die ook maar twijfelden aan de enig correcte huidskleur van de Pieterbaas waren on-Nederlands, racisten (?), links, achterlijk, moslims, buitenlanders, nazi's en weet ik wat niet meer. Al met al, geen soepele dialoog.

Vooralsnog blijft het Nederlandse volk massaal voor een zwarte Zwarte Piet.

Uiteraard chargeer ik. De meesten klikten keurig 'vind ik leuk' op de Pietitie en ploeterden vervolgens rustig voort in hun grauwe burgermans(m/v)bestaan. Dat er echter geen constructief debat plaatsvond, was wel duidelijk. En de centrale olifant in de kamer bleef al helemaal buiten schot: alledaags racisme in Nederland.

Want zij die goed hebben geluisterd naar mevrouw Nzume, weten dat het daar eigenlijk om gaat. Het zou uiteindelijk niet uit moeten maken wat voor kleur Zwarte Piet heeft, maar dat het voor sommige mensen momenteel wel aanstootgevend is, heeft er alles mee te maken dat voor velen racisme aan de orde van de dag is. Nu hoor ik mijn lezers direct zeggen: Nederland is niet racistisch en ik al helemaal niet. En daar zit vermoedelijk het probleem. De ontkenningsfase. Er zijn zwarte en witte scholen. Allochtonen zijn vaker werkloos, lager opgeleid, worden in uitgaansgelegenheden geweigerd. Wijken zijn gesegregeerd. En toch houdt iedereen stellig vol dat er geen racisme is in Nederland. Alsof die droom werkelijkheid wordt als we het maar vaak genoeg hardop zeggen. De wens is hier mijns inziens duidelijk de vader van de gedachte.

Wat te doen? Moeten we Zwarte Piet een andere kleur geven? Tja, daar ga ik niet over en zoals gezegd maakt het mij persoonlijk eigenlijk weinig uit. Wat ik veel essentiëler vind, is dat we op een fatsoenlijke manier met minderheden in ons land om moeten gaan en hun grieven serieus moeten nemen. Het is aanlokkelijk om in een wij-zij-retoriek te vervallen, maar uiteindelijk schiet je daar niks mee op. Het heeft geen zin mensen met een andere opvatting te vrezen of te haten. Om met Yoda af te sluiten: "Fear is the path to the dark side. Fear leads to anger, anger leads to hate, hate leads to suffering."

vrijdag 22 november 2013

Ideologie en technocratie, van de regen in de drup?

Naar aanleiding van de kritiek op mijn eerdere artikel over ideologie, ben ik al ingegaan op het aspect populisme. Nu is het tijd om een verhandeling te weiden aan technocratie. Ik verkondigde eerder dat er geen causaal verband is tussen de opkomst van populisme en de neergang van ideologieën. Technocratie is echter volgens mij wél een mogelijk gevolg van het losschudden van ideologische veren of zelfs van democratisch verval. Op het gebied van de technocratie ben ik het dus in principe eens met mijn anonieme opponent, ook in de zin dat ik überhaupt geen heil zie in een puur technocratische politiek. Hoe ik dit alles beschouw, zal ik proberen toe te lichten.

 
McCloskey & Söderberg
Uw correspondent





















Eerst wist ik niet zo goed wat ik met het concept technocratie aan moest. Het is een nogal lastig begrip en ik weet er sowieso buitengewoon weinig van af. Totdat ik vandaag de buitengewoon interessante promotie van Gabriel Söderberg in Uppsala bijwoonde en ik de grondstoffen voor dit artikel aangereikt kreeg. In de rede van de opponent, professor Deirdre McCloskey, en tijdens Söderberg's verdediging, werd mij langzaam duidelijk waar de schoen wringt als het om technocratie gaat. Politici schuiven verantwoordelijkheden af op de (economische) wetenschappen en verwachten dat de wetenschappers alle problemen kunnen oplossen. Zo simpel werkt het natuurlijk niet.

Al was het maar omdat economen en andere wetenschappers het aantoonbaar slechter doen, als zij aan het roer worden gezet, dan democratisch gekozen leken. Zo heeft de de Deense econoom Bent Flyvbjerg overtuigend aangetoond. En dat is wellicht wel zo geruststellend, want dan hoeft onze huidige democratie nog niet meteen bij het grofvuil. Maar het feit is dat zodra politici zich minder door ideologieën laten leiden, ze meer geneigd zijn tot het afschuiven van verantwoordelijkheid.

En economen en andere wetenschappers zijn nooit de onafhankelijke experts die ze wellicht beweren te zijn. Ten eerste is een echte expert geen wetenschapper, want: een echte expert is bang nieuwe dingen te leren, omdat hij dan geen expert meer zou zijn, om de notoir anti-intellectuele president Truman te parafraseren. En echt onafhankelijk zijn technocraten natuurlijk ook nooit. Wie betaalt, bepaalt, is ook hier de gouden regel. En hoe je het ook wendt ook keert, technocratische wetenschappelijke adviseurs zullen altijd de belangen van hun opdrachtgevers in het oog houden. En als er de wetenschappers zelf een rationeel technocratisch regime stichten, dan zullen ze ook meer belang hechten aan het aan de macht blijven, dan de geïdealiseerde Platonische filosoof-koning wellicht zou moeten doen. Macht corrumpeert immers zonder aanziens des persoons.

Over het geloof dat politici in de economische wetenschap stellen, zei McCloskey: "Belief in science is like magic. politici verwachten van economen simpele en onfeilbare antwoorden op complexe vragen en sommige economen menen ook nog eens dat dat mogelijk is." Iets waar ik het, gezien mijn eerdere litanie van gelijke strekking, natuurlijk alleen maar mee eens kan zijn.

Nog niet gelezen, uiteraard

De oplossing voor de richtingloosheid die de politiek treft sinds velen hun ideologische kompas verloren hebben, ligt dus niet per definitie in de wetenschap. En meer technocratie is wat mij betreft niet persé een wenselijke ontwikkeling. Advies inwinnen bij adviseurs is zeker niet slecht, maar uiteindelijk moeten de politici beslissen en verantwoordelijkheid nemen. En zij zullen zich daarbij in de eerste plaats moeten laten leiden hun eigen idealen, politieke doelen en machtshonger. De oorlogsmisdadiger Henry Kissinger schijnt gezegd te hebben: "Academic politics are so vicious because the stakes are so small." Laten we dat vooral zo houden en de wetenschappers de universiteiten laten besturen en niet het land.

maandag 18 november 2013

Is de renaissance van de sociaaldemocratie aanstaande of doet de laatste sociaaldemocraat het licht uit?

De huidige tijd, waarin het failliet van het kapitalisme eens te meer aan het licht wordt gebracht, zou toch een zegen moeten zijn voor elke rechtgeaarde sociaaldemocraat. Als volleerde Cassandra's zouden ze nu toch en masse van de daken moeten schreeuwen dat het grootkapitaal het, zoals reeds lang tevoren voorspeld, verprutst heeft en dat het tijd is dat het gewone werkvolk orde op zaken stelt. Alleen wat je in de praktijk hoort, is doodse stilte. De corruptie van de macht lijkt de sociaaldemocratie van binnen te hebben uitgehold. Alle levenskracht is weggezogen door liberaal-economische parasieten. Operatie geslaagd, patiënt overleden.

De vraag rest of er nog reanimatie mogelijk is en of dat wenselijk is. Wellicht is het beter met een schone lei te beginnen zonder achtervolgd te blijven worden door de spoken uit het verleden. Maar het lijkt aan de andere kant ook niet zo handig om het wiel voor de tweede keer uit te moeten vinden. Liggen er nog sociaaldemocratische kroonjuwelen in de kast, die het waard zijn om afgestoft te worden? Of kunnen we de boedel, inclusief de langspeelplaten met strijdliederen, de rode banieren en de internationale solidariteit, beter meteen op Marktplaats dumpen?

Das war einmal...
Toen de lucht nog schoon was en de seks vies...

Laten we eerst maar even de huidige stand van zaken opnoteren. De hedendaagse partijen die zich nog sociaaldemocratisch durven te noemen, durven niet langer nog te pleiten voor maatregelen die tot een meer egalitaire maatschappij leiden. Waarom niet? Omdat ze zodanig geïndoctrineerd zijn door quasi-meritocratische eigen-verantwoordelijkheids-quatsch, dat ze zelf niet langer meer geloven in een gelijke spreiding van onderwijs, zorg, welvaart en kansen. Participatiesamenleving mijn achterwerk: als ze echt werk zouden wíllen maken van emancipatie en volksverheffing, dan zouden ze actief beleid moeten propageren dat dat ook daadwerkelijk voorstaat.

Want het punt is gewoon, dat in de dagelijkse praktijk op geen enkel moment blijkt dat sociaaldemocratische politici nog werkelijk geloven in de klassieke, tijdloze sociaaldemocratische idealen. Nu heb ik bewust een 'gedateerd' woord als volksverheffing gebruikt. Velen zullen zeggen dat dat een achterhaald begrip is. Maar willen zij mij dan ook even het bewijs leveren dat er geen onderklasse meer bestaat in de huidige maatschappij? Juist. De ongelijkheid groeit  en groeit en tegelijkertijd groeit de onvrede onder het volk, omdat juist de minst bedeelden zien dat er niks structureels aan hun achtergestelde positie wordt gedaan.

Natuurlijk, er zijn koopkrachtplaatsjes en berekeningen van het centraal planbureau. Maar met dat soort bureaucratisch en technocratisch gewauwel win je geen verkiezingen. Je moet de kiezers aanlokkelijke vergezichten tonen en ze wegen tonen om die vergezichten binnen bereik te brengen.Wat wil je doen om de participatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt te vergroten? De bladibla-toeslag met 0,5% verhogen of stel je het volk goedkopere kinderopvang en ruimhartig ouderschapsverlof voor beide ouders in het vooruitzicht, met de kanttekening dat dat betaald wordt door een belastingverhoging. Het gaat om prioriteiten stellen, neem je genoegen met betekenisloze halve maatregelen of ben je bereid offers te vragen voor echt nieuw beleid?

Dit is maar een voorbeeld, maar als je de kiezer belooft dat de overheid wat voor ze kan betekenen, dan moet je ze niet beloven dat dat gratis en voor niks kan. Voor wat hoort wat en voor niets gaat de zon op. Wees realistisch in beloftes, maar durf ook ambitie te hebben.

Zoek de verschillen...
Wat wil ik?




















Zelf zou ik mezelf niet zo gauw als sociaaldemocraat willen classificeren. Zoals wellicht wel bekend is, hou ik niet zo van ideologische categorisatie. Ik heb echter wel sympathie voor het sociaaldemocratische gedachtegoed en ik vind het eigenlijk wel jammer dat het tegenwoordig zo slecht voor het voetlicht wordt gebracht door de daarvoor aangewezen instanties en personen. Maar goed, de tijd zal het leren of er ooit nog wat van terecht komt. Ik sluit niet uit dat er wellicht een nieuw progressief gedachtegoed geformuleerd zal worden, dat de plaats in zal nemen van de versleten frasen en holle strijdkreten. Er gloort voor alsnog in elk geval nog geen hernieuwde sociaaldemocratisch dageraad aan de horizon, terwijl de sterren toch gunstig staan.

zondag 17 november 2013

Is zonder ideologieën de weg vrij voor ongebreideld populisme?

Nadat ik in een vorig artikel het concept ideologie had zwartgemaakt, kreeg ik enige terugkoppeling die de validiteit van mijn stellingen in twijfel trok. Uiteraard zijn mijn schrijfsels slechts de weerslag van gedachte-experimenten, waar verder niet al te veel waarde aan moet worden gehecht. Desondanks neem ik alle serieuze kritiek serieus, zeker als het de aanleiding kan vormen voor weer een gedachte-experiment.

Het centrale punt van mijn tegenstander was, dat het wegvallen van ideologieën de weg vrijmaakt voor nihilistisch populisme en immorele technocratieën. Een ieder die mijn blog goed gelezen heeft zal het met mij eens zijn dat ideologieën vaak een gestructureerde vorm van populisme bevatten, dus dat het wellicht niet ondenkbeeldig is, dat de wil des volks zonder ideologieën op een andere wijze gekanaliseerd wordt. Het klassieke schrikbeeld van volksmenners doemt hierbij al gauw op. Als men tenminste niet in ogenschouw neemt, dat vrijwel alle succesvolle volksmenners een sterk ideologisch gefundeerd programma propageerden.

Is zonder ideologie het hek van de dam? Of is populisme juist ideologisch geïnspireerd?

Evengoed zullen er mensen zijn die claimen dat we momenteel in een postideologische cultuur leven en dat de opkomst van allerlei populistische groeperingen her en der, daar een direct gevolg van is. De opkomst van populisme en zelfs politiek extremisme zal ik niet ontkennen en ik zal ook zeker niet zeggen dat dat geen zorgelijke ontwikkeling is. Ik wil echter wel er op wijzen dat al die groeperingen wel degelijk een ideologie uitdragen. Dat het geen ideologie is die als zodanig herkenbaar was in het twintigste-eeuwse politieke landschap, zorgt wellicht er voor dat commentatoren abusievelijk menen dat deze bewegingen postideologisch zijn.

Een ander kritiekpunt, dat ik van een andere commentator kreeg aangereikt, was dat ik de zaken niet expliciet bij de naam noem. Nou ben ik het met die kritiek uiteraard niet eens, maar wil toch eens te meer duidelijk maken dat ik niet bang ben man en paard te noemen, als ik dat nodig acht. Dat zal ik in dezen doen, door aan te tonen dat Geert Wilders geenszins een postideologisch figuur is, maar dat hij wel degelijk een vastomlijnde ideologie vertegenwoordigt. Het is alleen zo dat die ideologie niet primair in manifesten en programma's is vervat en daarom vermoedelijk minder herkenbaar is, dan de 'vertrouwde' ideologieën.

De ideologie waar Wilders zijn publiek mee tracht te verleiden, is denk het best te omschrijven als een nationalistisch en xenofobisch reactionair-conservatief gedachtegoed. Al zijn uitlatingen suggereren dat het vroeger allemaal beter was en dat het de schuld is van volksvreemde elementen (Islam en/of immigranten) en het verlies aan nationale soevereiniteit (Europese Unie) dat het tegenwoordig minder goed gaat dan vroeger. Dat Wilders de klassiek-populistische techniek gebruikt van het aanwijzen van zondebokken, een concept waar René Grrard in zijn werk La Violence et le Sacré een heel boek over heeft volgeschreven, in casu de islam, de immigratie en de EU, doet niks af aan het feit dat zijn politiek wel degelijk als ideologisch kan worden omschreven.



Het is misschien wel ironisch te noemen dat de meest postideologische partij in de Nederlandse politiek, D66, ook meteen een van de meest prominente antagonisten van Wilders' PVV is. Dit om nog maar eens aan te tonen dat gebrek aan ideologie en gemakzuchtig populisme wat mij betreft niet altijd hand in hand gaan. Goed, D66 is pragmatisch te noemen, maar ik zou ze toch beslist niet als uitgesproken populistisch willen kwalificeren.

Een ander, internationaal meer bekend, voorbeeld van ideologisch geïnspireerd populisme is de invloed van het werk van Ayn Rand op de Tea Party. Deze stroming binnen de Amerikaanse Republikeinse partij dweept te pas en te onpas met Rands magnum opus: Atlas Shrugged. In dat werk pleit Rand voor een zeer vergaand kapitalisme en individualisme en het is met afstand het op één na favoriete boek onder Tea Party-aanhangers. Ik denk dat de Tea Party zonder twijfel zeer populistisch is, maar het valt ook niet te ontkennen dat de Tea Party zeer sterk ideologisch geïnspireerd is en er is wellicht zelfs wel sprake van een specifieke Tea Party-ideologie.

Mijn punt is dus dat minder ideologie niet persé hoeft te leiden tot een algeheel verval van de politiek tot populistisch geraaskal. Dat de politiek wellicht aan het vervallen is tot populistisch geraaskal (als er tenminste sprake is van verval en niet zozeer van een status quo, iets dat mij persoonlijk eigenlijk waarschijnlijker lijkt), is volgens mij niet te wijten aan een verlies van ideologisch elan. Dat er getwist kan worden over het nut van ideologieën in de politiek, zal ik niet ontkennen. Zoals ik eerder al schreef, hebben ideologieën beslist een nut, in de zin dat ze een essentiële stroming in het volk kunnen vangen en theoretiseren. Ook heb ik de kwestie van de technocratie als mogelijke tegenpool voor de ideologisch gestructureerde democratie nog onaangeroerd gelaten, aangezien dat een kwestie is die ik nog moet overpeinzen en waar ik wellicht later op terugkom.