Posts tonen met het label USA. Alle posts tonen
Posts tonen met het label USA. Alle posts tonen

donderdag 29 november 2018

Fietsen over de Brug der Bruggen

Tijdens mijn bezoek aan San Francisco kon ik de Golden Gate Bridge natuurlijk niet links laten liggen. Al sinds 1937 is deze indrukwekkende hangbrug het symbool van de stad. Een huisgenoot van mijn gastheer gaf mij de tip om de brug over te fietsen en de veerboot terug te nemen. Zoals ik eerder al vermeldde, verbleef ik niet in de stad zelf maar in de omgeving van Palo Alto. Ik kon van mijn gastheer een fiets lenen en deze gratis meenemen in de Caltrain richting de grootstad. Dat is de ietwat langzame forenzenverbinding tussen San José en San Francisco, die Silicon Valley ontsluit.

Vanaf het treinstation op 4th and King fietste ik richting de Embarcadero. Deze brede boulevard loopt langs de baai aan de noordoostkant van het centrum. Links torenen de wolkenkrabbers en aan de rechterkant kom je de oude havengebouwen voorbij. Dit was in de eerste helft van de twintigste eeuw een van de grootste havens van de Verenigde Staten. Na de Tweede Wereldoorlog raakte het waterfront van San Francisco langzaam maar zeker in verval. Er was geen plek om uit te breiden en de haven van Oakland zorgde voor toenemende concurrentie. Aan de andere kant van de baai was namelijk wel ruimte om grote containerterminals aan te leggen. En de in 1939 voltooide Bay Bridge, die dwars over de Embarcadero gebouwd is, zorgde voor een goede verbinding tussen beide steden.

De bouw van de grote bruggen en de opkomst van de auto zorgde ook voor het verdwijnen van de passagiersveerdiensten die de verscheidene plaatsen rond de Baai met de stad verbonden. In de jaren zestig werd op  de Embarcadero een elevated highway gebouwd, waardoor een harde scheiding tussen stad en water tot stand kwam.  Op foto's uit de jaren zeventig is goed te zien hoe doods het gebied er toen bij lag.  Nadat de snelweg in 1989 tijdens een aardbeving zwaar beschadigd raakte, werd uiteindelijk besloten om het, bij veel inwoners gehate, betonnen monster af te breken. Zo kwam ook de weg vrij om de Embarcadero te herontwikkelen en fiets- en voetgangervriendelijk te maken. Dat is aardig gelukt, het was er aangenaam fietsen en verscheidene oude havengebouwen zijn mooi opgeknapt.

 
 
Deze foto's zijn overigens een paar dagen later gemaakt,
toen het een tikje helderder weer was

Na een paar kilometer fietsen kwam ik langs Fisherman's Wharf. Een pier met allerlei souvenirwinkels en toeristenrestaurants, waar je het best zo min mogelijk aandacht aan kunt besteden. Maar je scheen er in de haven zeeleeuwen te kunnen zien, dus ik ging er toch even kijken. De beloofde zeeleeuwen waren echter afwezig, aangezien die de zomer in broedkolonies aan de kust doorbrengen. Dus ik vervolgde mijn weg. De eerste goede blik op de Golden Gate Bridge kreeg ik vanaf het strand bij Chrissy Field, een voormalig militair vliegveld. De ochtendmist die vaak rond de brug hangt, was ondertussen grotendeels weg getrokken.

Lang werd het technisch onmogelijk geacht de Golden Gate te overspannen. De toegang tot de Baai van San Francisco is een twee kilometer brede zeestraat die blootstaat aan de grillen van de Grote Oceaan. Begin jaren twintig kwam de ambitieuze ingenieur Joseph Strauss met een plan op de proppen om de langste overspanning ter wereld te bouwen. Hoewel het oorspronkelijke plan van Strauss niet haalbaar bleek, bleef hij de drijvende kracht achter het project en ging hij later met de eer strijken. Achter de schermen ontwierpen de ingenieurs Leon Moisseiff en Charles Alton Ellis de toen langste hangbrug ter wereld en architect Irving Morrow tekende voor het uiterlijk van de torens en de art-deco aankleding van het project. De bouw van de brug was op zijn minst een uitdaging te noemen, die nog eens bemoeilijkt werd door de economische problemen die de Verenigde Staten in de jaren dertig troffen. Dat het project uiteindelijk toch succesvol afgerond werd, is een klein wonder te noemen.


De fietsroute loopt langs het strand tot aan de Warming Hut, een café en winkel van de National Parks Service gevestigd in een relatief oud houten huis. Vanaf daar loopt een klein weggetje via een paar haarspeldbochten omhoog naar het brugdek. Het hoogteverschil van 67 meter zorgt voor een behoorlijke klim op een fiets met slechts één, zwaar verzet. Maar wie worstelt, komt boven. En ziet het autoverkeer langs zich razen. De brug biedt niet alleen plaats aan een zesbaans snelweg, maar ook aan een gedeeld fiets-/voetpad aan beide zijden. Het is uiteraard een populaire bestemming voor toeristen, velen lopen de brug op om wat foto's te maken en ik was ook bepaald niet de enige die per fiets de oversteek maakte. Het was nog niet helemaal helder, maar wel zo goed als windstil. Hoewel de ervaring om dit icoon over te mogen fietsen natuurlijk onvergetelijk is ongeacht de omstandigheden .

De brug vanaf de zuidoever met op de voorgrond Fort Point
De brug vanaf de Marin Headlands, aan de noordzijde van de zeestraat

Aan de overkant volgde na een uitzichtpunt een snelle afdaling richting Sausalito. Vanuit dit welgestelde plaatsje in Marin County is een veerdienst naar San Francisco beschikbaar. Zoals gezegd verdwenen na de opening van de brug de veerboten in hoog tempo uit de Baai en de verbinding naar Sausolito werd in 1941 geschrapt. Een paar decennia later kwam men hier op terug, om een alternatief te bieden voor het almaar problematischer autoverkeer. Tegenwoordig is de Golden Gate Ferry naadloos onderdeel van het openbaar vervoer systeem van de regio en je kunt de overtocht dan ook met de lokale chipkaart, de Clipper Card, betalen (wat een stuk goedkoper is dan los een kaartje  kopen). De boot biedt plek aan fietsen en voetgangers. Hier viel mij past echt op hoeveel fietsers er onderweg waren. Het benedendek deed deels dienst als fietsenstalling en de rijwielen werden daar door het personeel vakkundig zo dicht mogelijk op elkaar gepakt.

De terugweg over de Baai duurde bijna een half uur. Vanuit Sausolito gezien is de brug verscholen achter de hoogtes van de Main Headlands, maar eenmaal in open water liet hij zich in fraai tegenlicht nog eenmaal aanschouwen. Ongeveer halverwege kwam de veerboot vlak langs Alcatraz, eens een beruchte gevangenis, thans een populaire toeristenbestemming. Langzamerhand kwamen de wolkenkrabbers van de stad prominenter in beeld. We meerden uiteindelijk aan bij het San Francisco Ferry Building, een groots laat-negentiende eeuws ensemble, dat qua grandeur niet onderdoet voor menig Europese spoorwegkathedraal. Het complex heeft aardbevingen en modernistische slopershamers weten te overleven en doet tegenwoordig deels dienst als hippe markthal. Vanaf hier was het nauwelijks een kwartiertje fietsen terug naar de trein en zat mijn niet al te inspannende, maar des te indrukwekkendere fietstocht er op.

De gefietste route:

https://www.maps.ie/map-my-route/viewMap.php?route=66987

donderdag 8 november 2018

Diego Rivera's radicale muurschilderingen in San Francisco

Wandelend door San Francisco kwam ik min of meer toevallig de befaamde Mexicaanse schilder Diego Rivera op het spoor. Rivera is bekend van zijn monumentale wandschilderingen in Mexico-Stad en Detroit. Hij was vanwege zijn communistische sympathieën niet altijd even populair in de Verenigde Staten. Zijn fresco Man at the Crossroads in New York werd kort na voltooiing zelfs verwoest door zijn kapitalistische opdrachtgevers, omdat het een portret van Lenin bevatte. Zijn werk in Detroit bleef ternauwernood een zelfde lot bespaard gedurende het McCarthy-tijdperk. Dat er ook werk van Rivera in San Francisco te zien was, was mij van tevoren onbekend.

Diego Rivera en zijn echtgenote Frida Kahlo
in San Francisco, 1930


Vanuit het Caltrain-station op 4th and King liep ik via het zakencentrum en Chinatown naar het noorden. San Francisco is een fascinerende stad van grote contrasten. Aan de ene kant is het de blinkende hoofdstad van het grootkapitaal van Silicon Valley, met hoofdkantoren van Facebook en Twitter. Aan de andere kant is het een stad met een ongekend groot aantal daklozen, een hardnekkig probleem dat wordt versterkt door de almaar stijgende huizenprijzen. Deze verschillen tussen arm en rijk zijn natuurlijk niet nieuw. Denk maar aan de Californische goldrush van 1848, toen mensen van over de hele wereld naar San Francisco trokken in de hoop een fortuin te vergaren. Waaronder veel Chinezen, die zich in Chinatown vestigden. Het is nog altijd een levendige buurt met een heel eigen karakter. Opvallend was de subtiele vlaggenstrijd die gaande leek tussen verschillende gebouwen. Sommige hadden trots de vlag van de Volksrepubliek China in top, anderen hadden de banier van Taiwan op het dak wapperen.

Chinatown
 
Uitzicht vanaf Telegraph Hill richting de
San Francisco-Oakland Bay Bridge

Ik liep verder naar het noorden en kwam uiteindelijk bij Coit Tower uit, waarover ik had gelezen dat er interessante muurschilderingen te bekijken waren. De toren is een betonnen art-deco monument (opgericht als eerbetoon aan de brandweer van San Francisco) op de top van Telegraph Hill, uitkijkend over de Baai van San Francisco. De toegang tot de toren bestaat uit een lobby die rondom de toren loopt en waarvan de wanden voorzien zijn van een omvangrijke cyclus schilderingen. De cyclus toont verschillende aspecten van het leven in Californië en is in 1934 gemaakt door een groep van 26 verschillende kunstenaars.

De schilderingen waren een initiatief van de beeldhouwer Ralph Stackpole en de schilder Bernard Zakheim, beidenbevriend met Diego Rivera en geïnspireerd door zijn grootse wandschilderingen in openbare gebouwen. Het werd mogelijk gemaakt door het Public Art Works Porject, een werkgelegenheidsproject voor kunstenaars dat onderdeel was van de New Deal van president Franklin Roosevelt. Sommigen van de kunstenaars hadden Rivera bij eerdere projecten geassisteerd, en het werk ademt dan ook de stijl en thematiek van de Mexicaanse meester. De politieke ondertoon van sommige panelen, zoals een exemplaar van das Kapital in een boekenkast, zorgden ook hier destijds voor de nodige opschudding. In dit geval uiteindelijk zonder destructieve gevolgen. Nadat ik me enigszins in de materie verdiept had, kwam ik er achter dat er ook werk van Rivera zelf in San Francisco te zien was. Op loopafstand zelfs. Ik daalde deze heuvel af en liep naar de voet van de volgende heuvel, Russian Hill.

Coit Tower van een afstand
In het San Francisco Intsitute of Art, de kunstacademie van de stad, is de schildering The Making of a Fresco Showing the Building of a City te zien. De titel spreekt voor zich, we zien schilders op een steiger die bezig zijn met een fresco over de bouw van een stad. Het werk is tegelijkertijd realistisch en onwerkelijk. Voor- en achtergrond lopen in elkaar over en de schildering lijkt zelfs een soort verlengstuk van de ruimte waar je zelf in staat. De man die in het midden op een balk zit, met de billen richting publiek, is Rivera zelf.  Dit werk kwam in 1931 tot stand en was de tweede muurschildering die Rivera in San Francisco voltooide. Kort daarvoor had hij een Allegorie van Californië geschilderd in het trappenhuis van de toenmalige San Francisco Stock Exchange. Tegenwoordig huist daar de besloten City Club of San Francisco, waardoor het kunstwerk helaas alleen op afspraak te bezichtigen is.

Gelukkig is The Making of a Fresco... beter toegankelijk. Je kunt de kunstacademie gewoon binnenlopen en van negen tot vijf is de zaal met de wandschildering gratis te bezichtigen. Dit past ook binnen de filosofie van Rivera, die het liefst zijn werk uitvoerde in openbare ruimtes, zodat het het grote publiek er van kon genieten. Inmiddels was ik er achter gekomen dat er een nog grotere schildering van Rivera in San Francisco te zien was. Alleen bevond die zich aan de andere kant van de stad, op de campus van het City College of San Francisco.

Het weer was ondertussen echter zodanig betrokken dat het niet meer zo aangenaam was om rond te wandelen. San Francisco is regelmatig in mist gehuld en deze middag was het ook weer zo ver. Ik was er niet helemaal opgekleed, aangezien het een dag eerder nog stralend warm weer was in de stad. Overigens verbleef ik nabij Palo Alto (zo'n 50 km naar het zuidoosten), waar het de gehele dag warm en zonnig was. De mist beperkt zich namelijk tot de kust en komt zelden de Santa Cruz Mountains over. Ik besloot mijn stadswandeling kort te sluiten en het grootste aaneengesloten fresco van Rivera te bezoeken. Vanaf het BART-station Montgomery nam ik de metro naar Balbao Park en vanaf daar was het nog slechts een korte winderige wandeling naar de sombere, betonnen campus.

The Making of a Fresco Showing the Building of a City
(mijn matige foto's doen het werk overigens geen recht)

In 1940 keerde Rivera nog eenmaal terug naar San Francisco. Op Treasure Island, midden in de baai, was sinds 1939 de  Golden Gate International Expo aan de gang. Rivera was uitgenodigd om tijdens het tweede seizoen van de expositie een grote schildering op tien panelen te maken, die later in een nog te bouwen bibliotheek zou komen te hangen. Te midden van het publiek werkte hij samen met een flink aantal assistenten aan het fresco getiteld Pan American Unity, dat maar liefst 22,6 bij 6,7 meter zou beslaan. Om verschillende redenen kwam de geplande bibliotheek er nooit en zo bleven de voltooide panelen na expositie tientallen jaren buiten het zicht van het publiek.

Uiteindelijk kwam het werk dus terecht op de grauwe jaren-zestig-campus van het City College of San Francisco. In de smalle lobby van het Diego Rivera Theater is net voldoende plek om de volledige wandschildering op te stellen. Maar de ruimte is eigenlijk te klein om het werk tot zijn recht te laten komen. Er is wel een verstopt, klein balkon waarvandaan je een redelijk overzicht kunt krijgen. Onderwerp zijn verschillende aspecten van de Amerikaanse cultuur, van de Azteken via de Founding Fathers naar de moderne kunst en de industriële revolutie. Dit alles tegen de achtergrond van een panorama van de Baai van San Francisco, met prominent het expositieterrein op Treasure Island in beeld rechts van het midden.

Het voert te ver om de complexe iconografie in detail te gaan behandelen. Daarvoor heeft het City College een hele handige website gemaakt, waar het een en ander wordt uitgelegd. Rivera schilderde dit werk in een roerige tijd en dat komt ook in verschillende scenes naar voren. Onderaan paneel 4 zijn Stalin, Hitler en Mussolini als tiranniek driemanschap afgebeeld. Rivera mag dan van huis uit communist zijn geweest, hij had het al geruime tijd niet zo op de Sovjet-Unie. En door de moord op Trotsky, het Molotov-Ribbentroppact, de invasie van Polen, Finland en de Baltische Staten was Stalin voor hem op hetzelfde demonische niveau als Hitler gekomen. Op de schildering komt Amerika van linkerzijde ten hulp. Een beeld dat op dat moment eerder op hoop dan werkelijkheid berustte en waarmee Rivera het publiek van de tentoonstelling wilde aansporen het dan nog heersende isolationisme te doorbreken.

Een groots en indrukwekkend epos, dat desalniettemin door veel kenners niet als zijn beste werk wordt gezien. Wellicht speelt de ietwat obscure en vrij ontoegankelijke locatie van het fresco mee. Onbekend maakt immers onbemind.  En de te smalle lobby van een grijs jaren-zestig-gebouw biedt ook niet de monumentale architectonische omlijsting die zijn werken in Detroit en Mexico-Stad wel hebben. In vergelijking met Pan American Unity vond ik The Making of a Fresco... wel iets meer eenheid en harmonie uitstralen, hoewel dat ook op een kleinere schaal was. Dit was echter de eerste keer dat ik in levende lijve het werk van Rivera mocht aanschouwen, dus ik kan de relatieve kwaliteit niet helemaal beoordelen. Ik vond het in elk geval de omwegen meer dan waard en kan de wandschilderingen aan iedereen die ooit eens in de buurt komt aanraden.

dinsdag 6 november 2018

Wandelen door een verstild Los Angeles


Afgelopen zomer kwam een bezoek aan Los Angeles op mijn pad. Ik ben een zelfverklaard liefhebber van grote steden, maar LA stond mij van tevoren niet echt aan. Te veel auto's en te weinig openbaar vervoer, zo dacht ik. En te weinig interessante bezienswaardigheden. Uiteindelijk bleek het een zeer geschikte stad om wat rond te wandelen en er was genoeg te zien om mezelf in elk geval een paar dagen zoet te houden. Wat me opviel, was dat het op veel plekken zo rustig was. Het had vaak meer weg van een uitgestrekte woonwijk dan van een grote stad.

Nadat ik 's middags vanaf het vliegveld bij mijn hostel in Koreatown was aangekomen en mijn maag gevuld had met de nodige lokale specialiteiten, besloot ik dat het tijd was voor een wandeling naar de La Brea Tar Pits. Deze teerputten zijn vooral bekend vanwege de fossielen van kleine en grote zoogdieren die hier zo'n 20.000 jaar geleden in opborrelende dikke aardolie vast kwamen te zitten. In het begin van de twintigste eeuw werden de olievelden van het Los Angeles-bekken op grote schaal ontgonnen en kwamen hier botten van onder meer mammoeten, sabeltandtijgers en grondluiaards aan het licht. Het was ongeveer een uur lopen over 6th street langs art-deco appartementencomplexen en vooroorlogse LA mansions. Een aantrekkelijk en afwisselend straatbeeld, dat mij zeker positief verraste.

De teerputten zijn tegenwoordig onderdeel van Hancock Park, een openbaar park met een educatieve inslag. De olie komt er nog altijd uit de bodem pruttelen en er hangt duidelijk zwavelachtige lucht. Ik zou haast durven te spreken van een authentieke ervaring. Er is ook een museum, maar dat was al dicht tegen de tijd dat ik aankwam. Het museum is een interessante modernistische constructie, bekroond met een betonnen fries waarop een artistieke impressie van het leven rond teerputten is afgebeeld. In de grote vijver staat het beroemde beeld van de verzuipende mammoet, met vrouw en kind hulpeloos toekijkend op de oever. Een bordje geeft uitleg dat het geheel niet helemaal wetenschappelijk verantwoord is, aangezien de de mammoeten die vast kwamen te zitten in overgrote meerderheid solitair levende mannetjes waren.


 


Ik liep terug over Wiltshire Boulevard en onderweg kwam ik een een vreemd groot wit gebouw met vrijmetselaarssymbolen tegen. En in de omgeving zag ik borden die gewag maakten van een installatie van Olafur Eliasson, de bekende Deens-IJslandse kunstenaar. Ik besloot de zaak uit te zoeken en kwam er achter dat het grote witte gebouw dienst deed als een galerie waar de installatie Reality Projector van Eliasson te zien was. En dat het zelfs gratis was, op voorwaarde dat je van tevoren online een kaartje wist te bemachtigen. Dit alles dankzij de vrijgevigheid van de gebroeders Marciano, rijk geworden van het kledingmerg Guess. Ik slaagde er in een kaartje voor de volgende dag te reserveren en kon mij zodoende verheugen op een onvervalste Amerikaanse trickle-down kunstbeleving.

Nadat ik mezelf op een onvervalst Amerikaans ontbijt getrakteerd had, met pannenkoeken en al, ging ik op pad richting de kunsthal. Het was net als gisteren bepaald niet te warm (zo'n 18 graden), grotendeel bewolkt en dus een goede dag voor een wandeling. De Marciano Art Foundation bleek inderdaad in een voormalige vrijmetselaarsloge gehuisd te zijn. Het gebouw had een tijd leeg gestaan en was net gerenoveerd voor de nieuwe bestemming. De installatie van Eliasson was in een grote lege donkere ruimte, die eerder dienst had gedaan als het theater van de loge. Het kunstwerk bestond uit een projectie van verschuivende kleurvlakken op een groot filmdoek, dat de gehele achterwand besloeg. De beelden werden begeleid door een abstract-industriële soundtrack. In de opengewerkte dakconstructie van de hal waren in de openingen verschillende kleurenfilters bevestigd waarachter twee projectors heen en weer bewogen. Het was wel weer een mooie belevenis en ik denk dat de kunstenaar zelf het best kan vertellen wat zijn bedoelingen met het werk waren.


Ik vervolgde mijn weg door een van de meer welgestelde delen van Central LA. Omgeven door mooie klassieke Amerikaanse villa's, dreven mijn gedachten weg naar films als Sunset Boulevard en ik vroeg me af of hier zich ook vergeten filmsterren achter de gordijnen schuilhouden. Ze liepen in elk geval niet over straat, want ik was zo ongeveer de enige voetganger in de buurt. Het werd iets levendiger toen ik Larchmont Village binnenliep, wat een soort hipster-enclave scheen te zijn. Met een ware farmers market, en de gebruikelijke koffietentjes. Dit soort buurtjes zijn toch inmiddels wel vrij inwisselbaar. Het hoge prijspijl van de koopwaar op de markt was hier nog wel het meest opmerkelijke. Maar later kwam ik er achter dat supermarkten in Californië ook een stuk duurder zijn dan in Europa en dat het dus wellicht relatief allemaal nog wel meeviel. Ik was overigens nog niet aan eten toe, dus ik vervolgde mijn weg richting Hollywood.

Ik kwam langs de Paramount Studios, de enige van de grote filmstudio's die nog in Hollywood gevestigd is. De andere grote spelers zijn al geruime tijd in andere delen van Los Angeles gevestigd, waar meer plek was om uit te breiden. Ik liep verder richting Santa Monica Boulevard, waar ik omgeven werd door half-louche autodealers en lichtelijk vervallen strip malls. Hollywood mag dan synoniem zijn voor glitter en glamour, in werkelijkheid is het bepaald niet de rijkste wijk van Los Angeles. Ik sloeg rechtsaf om een bezoek te brengen aan een van de meer obscure bezienswaardigheden van de filmstad: Hollywood Forever Cemetary. Deze begraafplaats, geopend in 1899, is een uitgestrekt, parkachtig veld met palmbomen. Waarop her en der pronkgraven van meer en minder bekende grootheden uit het verleden prijken, te midden van vele 'gewone' voormalige buurtbewoners, waarvan een opvallend groot deel een Armeense achtergrond bleek te hebben. Het verbaasde me weinig dat juist de Flaming Lips op deze vervreemdend, melancholieke locatie eens een optreden gaven, met een toegift de volgende ochtend.

 
 

Na de necropolis te hebben verkend, was ik wel redelijk hongerig geworden. De wat goedkopere buurt bood ook betaalbare etablissementen. En met behulp van mijn trouwe vriend Google wist ik een degelijke Mexicaanse tent op te sporen. Het eten viel bepaald niet tegen. Uitgerust en voldaan kon ik mij derhalve opmaken voor de toeristenmassa's van Hollywood Boulevard. Het was niet ver naar de straat met de sterren in de stoep. De illusie dat dit de plek is waar het allemaal gebeurt trekt blijkbaar nogal wat mensen aan, want ik was er bepaald niet de enige. Het was voorlopig gedaan met de rust.

Gelukkig was er wel wat interessante architectuur te bekijken, want anders is het toch wel een onvervalste tourist trap. Voor mij sprong het Capitol Records Building in het oog, waar onder meer de Beach Boys een deel van hun oeuvre opnamen en waar de bobo's huisden die het grootste deel van de verdiensten opstreken. Verder zijn de monumentale bioscopen uit de jaren '20 een lust voor het oog. Helaas was ik niet in de gelegenheid in een van deze filmhuizen een voorstelling bij te wonen, want dat schijnt ook nog wel de moeite waard te zijn. Voor de rest wordt het straatbeeld bepaald door allerhande Amerikaanse toeristenonzin, waar ik verder geen woorden aan vuil wens te maken.

In plaats van mij nog langer in de hersenloze massa's te verliezen, besloot ik een tip van een vriendin ter harte te nemen. Zij had me gewezen op het nabijgelegen park Runyon Canyon. Het park bestaat uit een droog rivierdal en wat heuvels, die een weids uitzicht bieden over Hollywood en de rest de stad. Het was een mooie plek om even tot rust te komen en terug te kunnen kijken op de gelopen route. Het panorama van de eindeloze stad was indrukwekkend. Hoewel ik nog niet volledig overtuigd was van de zegeningen van LA, was het me ook niet tegen gevallen.

Route dag 1
Route dag 2



zaterdag 23 november 2013

De dingen bij de naam noemen

Zoals eerder gememoreerd ben ik aangemoedigd om man en paard te noemen in mijn beschouwingen. Ik zal dan bij deze onthullen dat mijn ietwat hermetische artikel over vrijdenken en de natiestaat is geschreven naar aanleiding van het hoogstaande Zwarte Piet-debat. Omdat het artikel in principe op elk denkbaar controversieel onderwerp (prostitutie, euthanasie, doodstraf, noem maar op) van toepassing kan zijn en ik niet wilde dat het artikel door een beroete bril gelezen zou worden, had ik de aanleiding in eerste instantie achterwege gelaten. Nu de ergste rookwolken van het slagveld zijn opgetrokken, is het wellicht tijd de stand van zaken met distantie te overdenken. Met andere woorden, om mij alsnog in een akelig wespennest te storten. Want zo valt het hele debat wellicht wel het best te kwalificeren: akelig.

En dat is misschien wel het punt. Dat het lijkt alsof we niet op een normale manier met elkaar om kunnen gaan en dat we tegelijkertijd als de dood zijn in onze identiteit aangetast te worden door iets aan een traditie aan te moeten passen. Terwijl elke traditie een bepaalde culturele ontwikkeling heeft doorgemaakt en door de loop van de geschiedenis constant aangepast is. Maar die aanpassingen gingen meestal terloops, haast onbewust. Het wordt 'gevaarlijk' gevonden als de aanpassingen bewust gebeuren. Want dan lijkt het alsof achter die kleine aanpassing een gedachte schuil gaat, die uiteindelijk nog veel meer aanpassingen van ons zal eisen. Terwijl dat natuurlijk zeer de vraag is.

Goed, maar om bij de kern van het debat terug te keren. Zwarte Piet. Is een zwarte Zwarte Piet racistisch? Tja. Er zijn mensen die Zwarte Piet racistisch vinden en daar zijn ook wel goede redenen voor, vind ik. Maar moet je de minderheid van de bevolking, en wellicht de buitenlandse publieke opinie, tegemoet komen en een kinderfeest aanpassen, tegen de zin van de meerderheid van de bevolking? Dat is een goede vraag. Laten we eerst maar eens naar Anousha Nzume,
een tegenstander van de zwarte Zwarte Piet, kijken en luisteren.



De vergelijking met Rusland is wellicht wat overtrokken, maar dat moet kunnen. Uiteraard is Nederland geen politiestaat zoals Rusland, maar de tegenstanders van Zwarte Piet worden evengoed weggezet als gekke henkies, die met hun poten van onze cultuur moeten afblijven. En zodra bleek, dat de argumentatie van de voorstanders van Zwarte Piet voornamelijk daar om draaide, kwam voor mij de omslag.

In voorgaande jaren leek het ressentiment tegenover Zwarte Piet hoofdzakelijk afkomstig van Amerikaanse toeristen en expats. En dat ressentiment was begrijpelijk en verklaarbaar uit het veel grotere racistische stigma dat in de VS kleeft aan het concept blackface. In Amerika was het tot aan de Tweede Wereldoorlog niet ongebruikelijk voor entertainers om in blackface (zwart geschminkt met rode lippen) op te treden en in een aanzienlijk deel van zulke shows werden zwarten belachelijk gemaakt. Met de voortschrijdende verwerking van het Amerikaanse slavernijverleden en de opkomst van de burgerrechtenbeweging werd blackface steeds meer gezien als een uitting van cultureel racisme en is tegenwoordig voltrekt taboe.

Is blackface een deel van ons erfgoed waar we tegenwoordig trots op moeten zijn?

Dus tot dusver dacht ik dat de veroordeling van Zwarte Piet simpelweg op een cultureel misverstand berustte. In Nederland is er geen vergelijkbaar taboe op blackface en Zwarte Piet is dus aanvaardbaar. We moeten het alleen goed uitleggen aan de Amerikanen en ons van de culturele verschillen en gevoeligheden bewust zijn. Daar denk ik nu dus iets anders over en dat is niet omdat de tegenstanders met veel betere argumenten zijn gekomen.

In Nederland geeft men vaak hoog op over de geneugten van het recht voor zijn raap zijn. De dingen bij de naam noemen. Buitenstaanders interpreteren dit meestal als botheid en een gebrek aan omgangsvormen. De botheid is denk ik een kwestie van smaak, maar het gebrek aan omgangsvormen klopt denk ik wel, als het om het publieke debat gaat. Aangaande de privésfeer geen kwaad woord over mijn geliefde landgenoten, maar in de openbare arena van het vrije woord maken we er een puinhoop van.

Goed, maar weer terug naar het onderwerp Zwarte Piet. Want de tegenstanders van onze beroete kindervriend kregen deze hete herfst een ongekende bak stront over zich heen. In plaats van met goede argumenten voor het behoud van zijn donkergetinte huidskleuren te komen, beschoten de Zwarte Piet-aficionado's en masse de gezanten van deze ongewenste boodschap (te weten: dat het ook voor deze traditie wellicht tijd was om de stap te zetten naar de moderne tijd). Dat kon toch echt niet. Dit was de nagel aan de doodskist van alles wat ons dierbaar was. Zwarte Piet is zwart doordat hij door schoorstenen klautert en daarmee uit! En zij die ook maar twijfelden aan de enig correcte huidskleur van de Pieterbaas waren on-Nederlands, racisten (?), links, achterlijk, moslims, buitenlanders, nazi's en weet ik wat niet meer. Al met al, geen soepele dialoog.

Vooralsnog blijft het Nederlandse volk massaal voor een zwarte Zwarte Piet.

Uiteraard chargeer ik. De meesten klikten keurig 'vind ik leuk' op de Pietitie en ploeterden vervolgens rustig voort in hun grauwe burgermans(m/v)bestaan. Dat er echter geen constructief debat plaatsvond, was wel duidelijk. En de centrale olifant in de kamer bleef al helemaal buiten schot: alledaags racisme in Nederland.

Want zij die goed hebben geluisterd naar mevrouw Nzume, weten dat het daar eigenlijk om gaat. Het zou uiteindelijk niet uit moeten maken wat voor kleur Zwarte Piet heeft, maar dat het voor sommige mensen momenteel wel aanstootgevend is, heeft er alles mee te maken dat voor velen racisme aan de orde van de dag is. Nu hoor ik mijn lezers direct zeggen: Nederland is niet racistisch en ik al helemaal niet. En daar zit vermoedelijk het probleem. De ontkenningsfase. Er zijn zwarte en witte scholen. Allochtonen zijn vaker werkloos, lager opgeleid, worden in uitgaansgelegenheden geweigerd. Wijken zijn gesegregeerd. En toch houdt iedereen stellig vol dat er geen racisme is in Nederland. Alsof die droom werkelijkheid wordt als we het maar vaak genoeg hardop zeggen. De wens is hier mijns inziens duidelijk de vader van de gedachte.

Wat te doen? Moeten we Zwarte Piet een andere kleur geven? Tja, daar ga ik niet over en zoals gezegd maakt het mij persoonlijk eigenlijk weinig uit. Wat ik veel essentiëler vind, is dat we op een fatsoenlijke manier met minderheden in ons land om moeten gaan en hun grieven serieus moeten nemen. Het is aanlokkelijk om in een wij-zij-retoriek te vervallen, maar uiteindelijk schiet je daar niks mee op. Het heeft geen zin mensen met een andere opvatting te vrezen of te haten. Om met Yoda af te sluiten: "Fear is the path to the dark side. Fear leads to anger, anger leads to hate, hate leads to suffering."

zondag 17 november 2013

Is zonder ideologieën de weg vrij voor ongebreideld populisme?

Nadat ik in een vorig artikel het concept ideologie had zwartgemaakt, kreeg ik enige terugkoppeling die de validiteit van mijn stellingen in twijfel trok. Uiteraard zijn mijn schrijfsels slechts de weerslag van gedachte-experimenten, waar verder niet al te veel waarde aan moet worden gehecht. Desondanks neem ik alle serieuze kritiek serieus, zeker als het de aanleiding kan vormen voor weer een gedachte-experiment.

Het centrale punt van mijn tegenstander was, dat het wegvallen van ideologieën de weg vrijmaakt voor nihilistisch populisme en immorele technocratieën. Een ieder die mijn blog goed gelezen heeft zal het met mij eens zijn dat ideologieën vaak een gestructureerde vorm van populisme bevatten, dus dat het wellicht niet ondenkbeeldig is, dat de wil des volks zonder ideologieën op een andere wijze gekanaliseerd wordt. Het klassieke schrikbeeld van volksmenners doemt hierbij al gauw op. Als men tenminste niet in ogenschouw neemt, dat vrijwel alle succesvolle volksmenners een sterk ideologisch gefundeerd programma propageerden.

Is zonder ideologie het hek van de dam? Of is populisme juist ideologisch geïnspireerd?

Evengoed zullen er mensen zijn die claimen dat we momenteel in een postideologische cultuur leven en dat de opkomst van allerlei populistische groeperingen her en der, daar een direct gevolg van is. De opkomst van populisme en zelfs politiek extremisme zal ik niet ontkennen en ik zal ook zeker niet zeggen dat dat geen zorgelijke ontwikkeling is. Ik wil echter wel er op wijzen dat al die groeperingen wel degelijk een ideologie uitdragen. Dat het geen ideologie is die als zodanig herkenbaar was in het twintigste-eeuwse politieke landschap, zorgt wellicht er voor dat commentatoren abusievelijk menen dat deze bewegingen postideologisch zijn.

Een ander kritiekpunt, dat ik van een andere commentator kreeg aangereikt, was dat ik de zaken niet expliciet bij de naam noem. Nou ben ik het met die kritiek uiteraard niet eens, maar wil toch eens te meer duidelijk maken dat ik niet bang ben man en paard te noemen, als ik dat nodig acht. Dat zal ik in dezen doen, door aan te tonen dat Geert Wilders geenszins een postideologisch figuur is, maar dat hij wel degelijk een vastomlijnde ideologie vertegenwoordigt. Het is alleen zo dat die ideologie niet primair in manifesten en programma's is vervat en daarom vermoedelijk minder herkenbaar is, dan de 'vertrouwde' ideologieën.

De ideologie waar Wilders zijn publiek mee tracht te verleiden, is denk het best te omschrijven als een nationalistisch en xenofobisch reactionair-conservatief gedachtegoed. Al zijn uitlatingen suggereren dat het vroeger allemaal beter was en dat het de schuld is van volksvreemde elementen (Islam en/of immigranten) en het verlies aan nationale soevereiniteit (Europese Unie) dat het tegenwoordig minder goed gaat dan vroeger. Dat Wilders de klassiek-populistische techniek gebruikt van het aanwijzen van zondebokken, een concept waar René Grrard in zijn werk La Violence et le Sacré een heel boek over heeft volgeschreven, in casu de islam, de immigratie en de EU, doet niks af aan het feit dat zijn politiek wel degelijk als ideologisch kan worden omschreven.



Het is misschien wel ironisch te noemen dat de meest postideologische partij in de Nederlandse politiek, D66, ook meteen een van de meest prominente antagonisten van Wilders' PVV is. Dit om nog maar eens aan te tonen dat gebrek aan ideologie en gemakzuchtig populisme wat mij betreft niet altijd hand in hand gaan. Goed, D66 is pragmatisch te noemen, maar ik zou ze toch beslist niet als uitgesproken populistisch willen kwalificeren.

Een ander, internationaal meer bekend, voorbeeld van ideologisch geïnspireerd populisme is de invloed van het werk van Ayn Rand op de Tea Party. Deze stroming binnen de Amerikaanse Republikeinse partij dweept te pas en te onpas met Rands magnum opus: Atlas Shrugged. In dat werk pleit Rand voor een zeer vergaand kapitalisme en individualisme en het is met afstand het op één na favoriete boek onder Tea Party-aanhangers. Ik denk dat de Tea Party zonder twijfel zeer populistisch is, maar het valt ook niet te ontkennen dat de Tea Party zeer sterk ideologisch geïnspireerd is en er is wellicht zelfs wel sprake van een specifieke Tea Party-ideologie.

Mijn punt is dus dat minder ideologie niet persé hoeft te leiden tot een algeheel verval van de politiek tot populistisch geraaskal. Dat de politiek wellicht aan het vervallen is tot populistisch geraaskal (als er tenminste sprake is van verval en niet zozeer van een status quo, iets dat mij persoonlijk eigenlijk waarschijnlijker lijkt), is volgens mij niet te wijten aan een verlies van ideologisch elan. Dat er getwist kan worden over het nut van ideologieën in de politiek, zal ik niet ontkennen. Zoals ik eerder al schreef, hebben ideologieën beslist een nut, in de zin dat ze een essentiële stroming in het volk kunnen vangen en theoretiseren. Ook heb ik de kwestie van de technocratie als mogelijke tegenpool voor de ideologisch gestructureerde democratie nog onaangeroerd gelaten, aangezien dat een kwestie is die ik nog moet overpeinzen en waar ik wellicht later op terugkom.

vrijdag 15 november 2013

De rechtvaardige rechters

In eerdere artikelen heb ik mijn lof geuit over enkele oorlogsfilms die geproduceerd zijn in de Sovjet-Unie. De vraag dringt zich vervolgens op of er ook in de Verenigde Staten films over de Tweede Wereldoorlog zijn gemaakt die evengoed mijn goedkeuring kunnen wegdragen. Klassieke vertellingen over het epische krijgsgeweld zijn er natuurlijk in alle soorten en maten. En de blik die Hollywood ons op het strijdtoneel blikt is soms goed (Letters from Iwo Jima, Patton), soms redelijk (Cross of Iron, The Longest Day), soms matig (Saving Private Ryan, A Bridge too Far) en soms slecht (The Battle of the Bulge, Inglourious Basterds). Tot voor kort had ik echter geen echt uitmuntende Amerikaanse film over de Tweede Wereldoorlog gezien. Totdat ik Judgment at Nuremberg zag.

Wat natuurlijk direct opvalt is dat Judgment at Nuremberg (Stanley Kramer, 1961) geenszins een klassieke oorlogsfilm is. Het is een rechtbankdrama, met als onderwerp het 'Juristenproces' dat onderdeel uitmaakte van de zogeheten Subsequent Nuremberg Trials die tussen 1946 en 1949 werden gehouden in de nasleep van het befaamde eerste Proces van Neurenberg waar de meest prominente kopstukken van Nazi-Duitsland terecht stonden. De vervolgprocessen vonden, nog meer dan het eerste proces, in de groeiende schaduw van de Koude Oorlog plaats. Doordat de VS steeds minder Duitsland als vijand en steeds meer als potentiële bondgenoot zag, werd de drang om de misdaden van het nazi-regime aan de kaak te stellen snel minder.

De verminderde interesse van de geallieerden voor het vervolgen van nazi's komt in de film duidelijk naar voren. Hoe langer het proces vordert, hoe minder de aanklagers de Duitse publieke opinie tegen de haren in willen strijken door strenge straffen tegen voormalige ambtsdragers te eisen. Dat de film handelt over het proces tegen rechters, zorgt natuurlijk nog voor extra complexiteit. In hoeverre zijn rechters verantwoordelijk voor het ten uitvoer brengen van nazistische wetgeving? Een kwestie die alleen maar lastiger wordt, als men in ogenschouw neemt dat de protagonist van de film, rechter Dan Haywood (Spencer Tracy), in wezen zijn collega's moet berechten terwijl er nauwelijks precedenten zijn of jurisprudentie op dat gebied is. Na de oorlog stond het internationaal strafrecht nog in de kinderschoenen, dus rechters zoals Haywood hadden aanzienlijke vrijheid om zelf, met behulp van de beperkt beschikbare literatuur, een passend juridisch oordeel te vormen over de zaak. Het was alleen vaak wel zo dat er druk werd uitgeoefend op de rechters om tot een vonnis te komen dat niet strijdig was met het contemporaine politieke klimaat, iets wat in de film ook niet onbesproken blijft.

Aangezien de rechter in theorie een grote mate van autonomie had, is het dan ook niet meer dan logisch dat het verblijf van Haywood in Neurenberg en zijn interactie met de lokale bevolking een prominente plaats in de film inneemt. De na-oorlogse houding van de Duitsers blijft in deze film niet slechts steken bij de nu haast clichématige wir haben es nicht gewusst-mentaliteit, maar de complexiteit van het omgaan met gevoel van zowel schuld als slachtofferschap komt nadrukkelijk aan bod. Op dit vlak moet met name de rol van Marlene Dietrich geprezen worden. Ze speelt een Duitse dame op gevorderde leeftijd, wier man een officier in de Wehrmacht was, die geëxecuteerd is omdat onder zijn bevel oorlogsmisdaden zouden zijn begaan. Naar het schijnt had Dietrich grote moeite met het spelen van deze reactionaire, doch charmante vrouw, aangezien ze zelf een grote afkeer had ten opzichte van de door de Duitse bevolking geclaimde onwetendheid aangaande de gruwelen van het nazi-regime. Toen deze haast fysieke walging haar acteerwerk in de weg begon te staan, kreeg ze uiteindelijk de tip om maar aan haar moeder te denken. Het uiteindelijke filmpersonage 'mevrouw Bertholt' is dus grotendeels een projectie van Marlene Dietrich's moeder.

In de uiteindelijke rechtszaak komt het niet alleen tot een confrontatie tussen de aanklagers en de verdediging, maar ook de aangeklaagde rechters onderling hebben een nogal verschillende kijk op de schuldvraag. Uit deze complexe juridische maar vooral ook ethische kluwen moet Dan Haywood een rechtvaardig oordeel zien te spinnen. Dat dat hem persoonlijk zwaar valt is niet verbazingwekkend, desondanks is het verbluffend hoe goed de film de morele dilemma's weet te verbeelden en de toch soms droge juridische kost menselijke gezichten weet te geven. Uiteraard wordt er niet voorbijgegaan aan de intensiteit van de misdaden van het nazi-regime en de daaraan gekoppelde complexe schuldvraag. Dat de film al deze abstracte danwel gruwelijke thema's toch op een geëngageerde en kunstige wijze weet te behandelen, maakt de film wat mij betreft tot een waar meesterwerk.

De film is (momenteel) in zijn geheel beschikbaar op YouTube:

vrijdag 13 september 2013

Pruitt-Igoe: het failliet van de moderne architectuur?

De befaamde Amerikaanse wijk met torenflats Pruitt-Igoe wordt vaak gebruikt als schoolvoorbeeld van alles wat er mis is met de moderne architectuur. De flats die begin jaren '50 in Saint Louis werden gebouwd, waren geïnspireerd door de ideeën van modernistische architecten zoals Le Corbusier. Het feit dat de flats snel aftakelden en reeds in de jaren '70 aan de sloophamer ten prooi vielen,  heeft er toe geleid dat de architecten vaak de schuld kregen van alles wat er mis was met het complex.

De postmodernistische architectuurhistoricus Charles Jencks noemde het moment waarop dit icoon van het modernisme werd opgeblazen "The day modern architecture died". Als je met Google Maps of Streetview in de buurt rondkijkt waar ooit Pruitt-Igoe stond, dan zie je nogal wat kale plekken. Niet alleen Pruitt-Igoe is een grote stadse wildernis, ook veel andere terreinen liggen braak. Urban prairie lijkt wel  de voornaamste vorm van landgebruik in de oude wijken van Saint Louis. Het zijn dus niet alleen de moderne gebouwen die gesloopt zijn, ook vrijwel alle 19e en vroeg 20ste eeuwse bebouwing is verdwenen.

In hoeverre problemen als sociale ongelijkheid, achterstallig onderhoud en criminaliteit inherent waren aan het architecturale ontwerp is voer voor discussie. Al in 1991 schreef Kartharine Bristol een artikel waarin ze de schuld van deze sociale catastrofe eerder bij de politici, dan bij de arhcitecten legt:


Een paar jaar terug is er een documentaire gemaakt met een gelijksoortige strekking als de stellingen geformuleerd in dat artikel. Eveneens getiteld the Pruitt-Igoe Myth.



Met het opruimen van de verkrotte stadswijken en het bouwen van moderne flats werd in gepoogd de onderklasse te verheffen uit hun miserabele bestaan. Pruitt-Igoe was een federaal project, de bouw werd met rijksoverheidsgeld gefinancierd. Er was echter geen federaal geld voor onderhoud van dit mega-complex gereserveerd, men verwachtte dat de huren de kosten zouden dekken. Dit was echter bij lange na niet het geval en geen enkele instantie wilde het gat in de begroting dichten. Het complex was vanaf het begin af aan gedoemd te vervallen.

Een ander probleem was dat de demografische en economische verwachtingen niet waar werden gemaakt. Doordat de bevolking van St. kromp in plaats van groeide en werkgelegenheid uit de stad wegtrok, was er feitelijk geen behoefte aan sociale woningbouw op zo'n grote schaal. Leegstand was dus een tweede zwaard van Damokles dat boven de hoogbouw hing.

Daarnaast is er nog de complexe materie van segregatie en sociale uitsluiting. In eerste instantie was gepland dat een deel van de flats voor blanken en een ander deel van zwarten gereserveerd zouden zijn. In 1956 werd het, door een gerechtelijke uitspraak in de staat Missouri, verboden om woningbouw te raciaal te segregeren. Deze uitspraak, samen met de opkomst van suburbia, leidde tot een massale uittocht van blanken uit de oude stadswijken, de zogeheten white flight. Dit leidde er toe dat Pruitt Igoe al snel vrijwel uitsluitend bevolkt werd door de kansarme zwarte onderklassen.

Overheidsbeleid verkleinde de kansen van de bewoners op een fatsoenlijk bestaan nog verder door een groot aantal restrectieve, paternalistische regeltjes. Zo mochten er in huishoudens waar een vrouw een uitkering ontving geen volwassen man wonen. Hierdoor werder veel gezinnen verscheurd en groeiden kinderen op zonder vader. Het fragiele sociale netwerk stond op instorten. En het is dan ook eigenlijk weinig verrassend dat velen een heenkomen zochten in drugs en criminaliteit.

Het bovenstaande wordt in de documentaire en het artikel van Bristol uitvoerig behandelt. Dan rest nog de vraag in hoeverre de casus Pruitt-Igoe toepasbaar is op de moderne architectuur als geheel en waarom juist de moderne architectuur tot zondebok werd gemaakt. Daar kom ik in een volgende post op terug.

maandag 2 september 2013

Watergate op het witte doek

Met het heengaan van David Frost is weer een karakter uit de mythologie rond het Watergate-schandaal weggevallen. Voor mijn generatie en zij die na mij ter wereld zijn gekomen, liggen de gebeurtenissen die leidden tot het aftreden van president Nixon in een grijs verleden. Het is dan ook goed dat er meerdere films zijn gemaakt over deze belangwekkende episode uit de recente geschiedenis. Het gevaar ligt immers op de loer dat Watergate spoedig alleen nog maar bekend is als kiem voor de suffix -gate, waarmee elk woord tot naam voor een verwant schandaal kan worden omgevormd.

Op deze plek zal ik twee films bespreken, die respectievelijk de opmaat en de uitval van Watergate belichten. Allereerst zal ik All the president's men behandelen en daarna zal ik wat woorden wijden aan Frost/Nixon.

De klassieker All the president's men van Alan J. Pakula uit 1976 behandelt de speurtocht van de journalisten Bob Bernstein en Carl Woodward naar de mensen achter de inbraak in het Watergate-hotel. Woodward (Robert Redford) werkt nog niet zo lang bij de Washington Post en krijgt al snel hulp van de meer ervaren speurneus Bernstein (Dustin Hoffman). Met behulp van een geheimzinnige informant, charme en slinkse trucs weten ze langzaam maar zeker het web van intriges te ontrafelen.

Goed, een aardig verhaal, gebaseerd op de memoires van Bernstein en Woodward. Maar heel veel meer dan een verfilmd jongensboek wordt het wat mij betreft niet. Volgens de beschrijving moet het een politiek-journalistieke thriller zijn, maar ik heb nou niet echt met samengeknepen billen op de bank gezeten. Punt is dat er voor de journalisten feitelijk niet echt iets op het spel staat, hun persoonlijke veiligheid is geen moment in gevaar. De kijker weet al dat het allemaal goed afloopt, de film is eigenlijk niet veel meer dan een mooi aangeklede hagiografie. De acteurs geven een nogal geïdealiseerd beeld van deze helden van de moderne tijd, iets wat de film er niet echt interessanter op maakt. De karakters van Woodward en Bernstein worden niet nader uitgediept dan respectievelijk de archetypes ideale schoonzoon en de charismatische workaholic. De eigenlijke drijfveren van de beide journalisten worden ook niet echt duidelijk. Zijn het pragmatische jagers op een scoop of willen ze de corruptie in de hoogste regionen van het landsbestuur blootleggen?

Een van de charmes van de film is, dat de hoofdpersonages niet weten wat ze op het spoor zijn, ze weten alleen dat het spoor naar steeds hogere regionen van de macht leidt. Wat niet in de film aan bod komt is hoe dit almaar uitdijende schandaal de visie van Woodward en Bernstein op de politiek veranderde. Dachten ze altijd al dat politiek en het landsbestuur van binnen verrot was, waren ze teleurgesteld in de president, kwam dit alles als een verrassing of kon het hun eigenlijk niet schelen zolang ze maar voorpaginanieuws maakten? In wezen is de periode die de film bestrijkt natuurlijk ook vrij beperkt, alleen de openingszetten in de schaakpartij pers tegen politiek worden verbeeld. Maar daarmee hebben de filmmakers wat mij betreft een kans laten liggen. Ik heb het idee dat de prijzen die de film uiteindelijk ten deel vielen, dan ook meer toekomen aan de journalisten Woodward en Bernstein, dan aan de film zelf.

Persoonlijk vond in Frost/Nixon als film een stuk beter. Wellicht komt het omdat ik zelf ook een kind van mijn tijd ben. Hoewel ik voor andere films uit de jaren '70 bepaald niet zuinig ben met mijn lof. Waarschijnlijk is er dus toch meer aan de hand.

Maar goed, Frost/Nixon dus. Een gedramatiseerde vertelling uit 2008 van Ron Howard op basis van het gelijknamige toneelstuk van Peter Morgan over de legendarische serie tv-interviews tussen David Frost (Michael Sheen) en Richard Nixon (Frank Langella). De film beslaat de periode vanaf het aftreden van Nixon in 1974 tot en met de nasleep van de interviews in 1977.

David Frost's carrière zit in een dipje als hij op het idee komt de net afgetreden Nixon te interviewen, om zo zichzelf weer terug in de schijnwerpers te krijgen. Nixon staat in eerste instantie weifelend tegenover het voorstel. Maar hij wil uiteindelijk ook zijn kant van het verhaal bij een breed publiek naar voren brengen. En als hem een genereuze financiële vergoeding in het vooruitzicht wordt gesteld, hapt hij toe.

Frost betaalt een voorschot aan Nixon, maar heeft op dat moment nog geen zender gevonden die de interviews uit wil zenden. Uiteindelijk weet hij, met hulp van een zeer beperkt aantal sponsors, met passen en meten het project toch van de grond te krijgen. Hij heeft een driemanschap geformeerd die de inhoudelijke achtergronden voorbereid, terwijl Frost zelf aan de arm van zijn knappe vriendin het nachtleven van Los Angeles onveilig maakt. Nixon heeft zich ook omringd door adviseurs en hij is er van overtuigd dat hij meerdere maten te groot is voor de platvloerse entertainer Frost.

In de eerste opnamesessies, thuis bij een vriend van Nixon in een buitenwijk van LA, lijkt dit ook het geval. Nixon laat Frost alle hoeken van de kamer zien en ondertussen is Frost er nog altijd niet zeker van dat het interview ooit uitgezonden zal worden. Uiteindelijk weet het researchteam van Frost toch nóg een lijk in de kast van Nixon te vinden. Na een intense confrontatie breekt de ex-president tijdens de laatste sessie en laat hij weten het land in de steek gelaten te hebben. Frost heeft het historische duel gewonnen.

Een interessante en niet alledaagse film naar mijn mening. Zowel Frost als Nixon zijn complexe karakters en hun beider sterktes en zwaktes worden uitvoerig belicht. Het is een typische acteursfilm, zowel Sheen als Langella krijgen alle ruimte om zich van hun beste kant te laten zien. Dat het op een toneelstuk is gebaseerd, is eigenlijk alleen duidelijk door de hoge eisen die de film aan de acteurs stelt. Voor de rest is de transitie van toneel naar film perfect gemaakt. De film doet echt filmisch aan, er zitten weinig statische scenes of vermoeiende dialogen in. Al met al een grote aanrader voor de liefhebber van goed acteerwerk, Amerikaanse politiek en recente geschiedenis.

Het beeld dat bij mij achterblijft van Watergate, tegen de achtergrond van de wereld van vandaag, is gemengd. Aan de ene kant roept het vragen op over de steeds maar toenemende privileges die de overheid zichzelf toestaat als het om observatie en controle van burgers gaat. Is het zo dat wat tijdens Watergate nog als misdaad werd gezien, tegenwoordig gewoon beleid is geworden? Aan de andere kant wordt uit beide films duidelijk in hoeverre Nixon en zijn kornuiten willens en wetens de rechtsgang probeerden te frustreren en hoe amateuristisch ze dit eigenlijk deden. Was een ambtsdrager met dezelfde misdaden dezer dagen wel weggekomen? Even er van uitgaande dat hij of zij even incapabel zou zijn om alles bij tijds onder het vloerkleed te vegen en er ook tegenwoordig ook nog altijd goede speurneuzen rondlopen bij de vrije pers. Voor meer achtergronddetails en een wat gekleurde blik, kan verder ik ook nog de film Nixon uit 1995 aanraden. Afgezien van het feit dat Oliver Stone in die film wederom zijn stokpaardje van de Kennedy-samenzwering berijdt, een goede biopic, met Anthony Hopkins als labiele, alcoholistische hoofdpersoon.