Posts tonen met het label wetenschap. Alle posts tonen
Posts tonen met het label wetenschap. Alle posts tonen

maandag 13 november 2017

Padua, in het voetspoor van Goethe

Gedurende mijn verblijf in Padua las ik een reisverslag van een andere noordeling die ruim tweehonderd jaar geleden Italië aandeed. Goethe was in 1786 vanuit Frankfurt op weg naar Rome. Hij nam de route over de Brennerpas en zijn eerste reisdoel was Venetië. Zo kwam hij dus ook langs Padua, waar hij een dag of twee verbleef.

Padua was eind achttiende eeuw vooral befaamd vanwege de gerenommeerde universiteit. De eeuwenoude academie maakte op Goethe echter een belabberde indruk:
>Das Universitätsgebäude hat mich mit aller seiner Würde erschreckt. Es ist mir lieb, daß ich darin nichts zu lernen hatte.
Er was een aspect van de universiteitsstad dat de geleerde Duitser wel kon bekoren, de botanische tuin:
Der botanische Garten ist desto artiger und munterer. Es können viele Pflanzen auch den Winter im Lande bleiben, wenn sie an Mauern oder nicht weit davon gesetzt sind. Man überbaut alsdann das Ganze zu Ende des Oktobers und heizt die wenigen Monate. Es ist erfreuend und belehrend, unter einer Vegetation umherzugehen, die uns fremd ist.  
Gelukkigerwijs is de botanische tuin zoals Goethe die bezocht, vandaag de dag ook nog te bewonderen. Het is de oudste botanische tuin ter wereld en tevens UNESCO werelderfgoed. De oudst nog levende plant is de zogeheten Goethepalm. Deze, inmiddels tot hoge struik uitgegroeide, Europese dwergpalm is in 1585 geplant en is daarmee even oud als de tuin zelf.


De botanische tuin, met de Goethepalm in een speciaal gebouwde kas
De palm wordt niet expliciet in de Italienische Reise vermeld, maar dankt zijn naam aan de passage die Goethe er in zijn Geschichte meines botanischen Studiums wijdt. De observaties die hij maakte aangaande deze boom, zouden dienen voor zijn latere studie Versuch die Metamorphose der Pflanzen zu erklären (1790), een van zijn meer invloedrijke natuurwetenschappelijke publicaties. Het voert te ver om precieze inhoud en context van dit werk te bespreken (zie hier), dus laat ik mij beperken door te vermelden dat ene Charles Darwin het met aandacht heeft gelezen.

De idee dat alle planten naar een soort archetypische Urpflanze zijn gemodelleerd, speelde al in Italië door het hoofd van Goethe (zie hier voor meer interessante achtergrondinfo). Juist bij het beschouwen van de ongekende floristische verscheidenheid van de tuin in Padua, raakt hij van de gedachte doordrongen dat alle planten wellicht een gemeenschappelijke vorm hebben van waaruit ze zich ontwikkeld hebben:
Hier in dieser neu mir entgegentretenden Mannigfaltigkeit wird jener Gedanke immer lebendiger, daß man sich alle Pflanzengestalten vielleicht aus einer entwickeln könne.
De Goethepalm is een van de pronkstukken van de tuin, die ook zijn oorspronkelijke indeling en architectuur nog heeft behouden. Naast het historische gedeelte van de tuin is er op een kleine, doch respectvolle afstand, ook een grote, moderne kas. Hierin zijn verscheidene tropische biotopen herschapen en wordt de bezoeker op educatieve wijze ingelicht over de ongekende verwoesting die de mens op Aarde zo her en der aanricht.


De tropische kas van binnen
De kas van buiten, met de basiliek van Santa Giustina op de achtergrond

Goethe was natuurlijk van alle markten thuis en in Italië ging zijn aandacht begrijpelijkerwijs vooral uit naar het alomtegenwoordige culturele erfgoed. In de Italienische Reise worden vele kunstwerken van naam uitvoerig door hem becommentarieerd. Zoals elke kritische toerist, heeft ook Goethe een bewuste selectie gemaakt uit het cultuuraanbod. De keuzes die hij maakt reflecteren zijn persoonlijke voorkeuren en de tijdgeest. In de Veneto schrijft hij met verve over het oeuvre van Palladio, een bouwmeester die hem na aan het hart lag en in de achttiende eeuw helemaal in de mode was.

Maar het kwam ook voor dat Goethe qua smaak zijn tijd vooruit was. In Padua bezocht hij onder meer de Eremitani-kerk, met de fresco's van Andrea Mantegna in de Ovetari Kapel. Goethe was uiterst lovend over het werk van de meester uit de vijftiende eeuw:
In der Kirche der Eremitaner habe ich Gemälde von Mantegna gesehen, einem der älteren Maler, vor denen ich erstaunt bin. Was in diesen Bildern für eine scharfe, sichere Gegenwart dasteht!
In de voetnoten van mijn editie vermeldt Herbert von Einem dat deze roem opmerkelijk is en in schril contrast staat tot de hoon die Mantegna in de tijd van Goethe meestal ten deel viel:
Goethes Bemerkungen über Mantegna sind von hohem kunstgeschichtligem Wert. Während sein Führer Volkmann die Fresken noch als "gotisch und sehr maniriert" aburteilt, hat Goethe die eigenwürchsige Kraft Mantegnas und die geschichtlige Bedeutung seiner Kunst klar erkannt.
Helaas kon ik het meesterwerk niet in volle glorie aanschouwen, want juist de Ovetari-kapel is verwoest tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het grootste deel van Padua is oorlogsgeweld bespaard gebleven, maar een Amerikaans bombardement gericht op nabijgelegen Duitse barakken trof op 11 maart 1944 de Eremitani-kerk.

Sinds die tijd is de kerk weer heropgebouwd en heeft men aan de hand van teruggevonden fragmenten het fresco met pijn en moeite weer enigszins gereconstrueerd. Het werk is vooral van belang vanwege de revolutionaire toepassing van perspectief, met name in de scene die het martelaarschap van Sint-Jacob verbeeldt. Doordat de leegtes tussen de fragmenten door een zwart-wit reproductie worden opgevuld, is het meesterschap van Mantegna nog altijd te bewonderen.


Het martelaarschap van Sint-Jacob in de Ovetari Kapel
Zoals ik de vorige keer schreef, waren de fresco's van Giotto in de Scrovegni Kapel voor mij de voornaamste aanleiding om Padua te bezoeken. Goethe laat dit werk opvallend genoeg in geen van zijn geschriften de revue passeren en heeft het dus waarschijnlijk dan ook niet gezien. Von Einem vindt dat, met rede, eeuwig zonde:
Es ist tief bedaurlich, daß Goethe eine ähnlich starke persönliche Begegnung in der Cappella dell' Arena mit Giottos berühmten Fresken versagt geblieben ist.
Waarschijnlijk is deze omissie te wijten aan de relatief geringe statuur die het werk van Giotto in de achttiende eeuw had, hoewel Goethe hem wel degelijk enige malen in zijn geschriften bij name noemt. Dus helemaal vergeten was hij zeker niet. Maar van de roem die Giotto bij leven toekwam, was niet veel meer over.

Voor Goethe was het bezoek aan Padua niet veel meer dan een aangenaam en inspirerend oponthoud op weg naar Venetië. Daar kon hij zich verbazen over de wonderbaarlijke handelsstad gebouwd midden in de Lagune. Goethe had het voorrecht als een van de eerste echte toeristen de laatste ademteugen van de Venetiaanse Republiek vast te leggen. Tien jaar later maakte Napoleon een definitief einde aan La Serenissima. Voor mij was Venetië een brug te ver deze zomer. Wellicht dat ik in het laagseizoen ooit eens een poging waag, maar vooralsnog schrikt het overweldigende massatoerisme mij af.


De route die Goethe tussen 1786 en 1788 door Italië volgde

woensdag 10 september 2014

Intermezzo: een nieuwe begin

Ik ben in wezen een moralist. Ik wil goed doen. Dat heb ik onder ogen gezien. Aan mezelf en mijn omgeving stel ik hoge eisen en ik heb ook nog de neiging ongenadig hard te oordelen. Hoewel ik dat harde oordeel niet altijd met anderen deel.

Daarnaast werd me steeds duidelijker dat ik weinig of geen voldoening uit mijn werk als promovendus haalde. En dat dat gemis een van de oorzaken van mijn somberheid was. Mijn dagelijkse bezigheden aan de universiteit drukten als een loden last op mijn schouders en hadden sterke negatieve invloed op mijn stemming. Dus besloot ik met mijn werk te stoppen. Eén grote vraag had ik echter nog niet beantwoord: In wat voor werk zou ik wél de nodige voldoening scheppen?

Ik ben bij mezelf, bij vrienden en bij een therapeut te rade gegaan om een antwoord op die vraag te vinden. Wat vind ik belangrijk? Ik wil nuttig werk verrichten. Hoe zou ik willen leven? Als een ontdekkingsreiziger met een stabiele basis. Wat is het doel? Een moreel goed leven lijden. Wat was de praktijk tot nu toe? Dat ik zoekende ben, zonder dat ik echt weet wat ik zoek.

Nadat ik me realiseerde wat ik miste, ben ik op zoek gegaan naar een manier om het moreel tekort, dat ik voelde en zo zelf ervoer, aan te vullen. Uiteindelijk was de kernzin, die ik samen met mijn therapeut vaststelde, dat ik "de maatschappij niet tot last, maar tot nut wil zijn." Dat is een harde, maar ook praktisch toepasbare zin.

De gewetensvraag bij uitstek: "What would Kant do?



In mijn vorige werk was ik de maatschappij voor mijn gevoel niet netto tot nut. Dat was uiteraard mijn gevoel. Maar wel een gevoel gebaseerd op praktische ervaringen. Als je veel positieve terugkoppelingen krijgt in je werk (bonussen, prettig klantcontact, goede evaluaties, juichende recensies, applaus), dan heb je het idee dat je het goed doet en je niemand tot last bent. Die ervaringen had ik maar mondjesmaat en eigenlijk alleen in het lesgeven (dat slechts een zeer klein deel van mijn takenpakket uitmaakte) en in sociale contacten rond het werk. Het onderzoek wat ik uit moest voeren, was in de praktijk een bron van negatieve ervaringen. En ik kreeg zo het idee dat ik mijn salaris niet verdiende, omdat ik niks significant positiefs produceerde.

Dat wilde ik dus niet meer. De eerste stap die ik nam op de weg tot het eerzaam burgerschap, was me aanmelden als bloeddonor. Het doneren van bloed was voor mij een duidelijk geval van jezelf fysiek inzetten voor het algemeen nut: de volksgezondheid. En de positieve terugkoppeling is ook aanwezig in de vorm van gratis eten en drinken en een symbolisch geschenk na afloop van het aderlaten.

Dit was de eerste stap en ik voelde me er goed bij. Dat gaf mij de moed om op dezelfde weg verder te gaan. Bloed doneer je eens in de drie maanden dat betekent dat je dus ook maar vier keer per jaar een positieve bijdrage levert. Het echte doel was natuurlijk om in de dagelijkse bezigheden een bijdrage aan de samenleving te leveren. Wat is de meest basale wijze om een bijdrage aan de samenleving te leveren? Mensen helpen die hulp nodig hebben. Dus besloot ik aan de slag te gaan in de thuiszorg.

Gelukkig beschikte ik in mijn sociale netwerk over de juiste contacten en kon ik uiteindelijk een tijdelijke voltijdbaan bemachtigen. Dat het een tijdelijke betrekking betreft, komt me eigenlijk wel goed uit. Want misschien is mijn theoretische gedachtegang over praktisch hulp bieden in de praktijk niets meer dan een theorie. Maar dat moeten we nog zien. Hoewel ik over geen enkele werkervaring in de zorgsector beschik, heb ik me de eerste twee meeloopdagen redelijk weten te handhaven. Aan het eind van deze week word ik helemaal in het diepe gegooid en dan zullen we zien of ik me naar boven weet te worstelen.

Een praktische introductie tot Kants 'categorische imperatief'.

In elk geval is het nu al een zeer interessante en leerzame ervaring. Ik heb nu nog geen idee hoe lang ik vol zal houden. Een paar maanden of een paar jaar? De kans is groot dat ik een minder directe manier vind om de mensheid tot nut te zijn, maar die wel nog beter aansluit bij mijn kwaliteiten, opleiding, ervaring en persoonlijkheid. In wezen is het schrijven van een blog in eerste instantie voor mij een oefening om mijn gedachten en emoties te ordenen en te uiten. Maar het is natuurlijk ook mogelijk dat het anderen hulp, steun en inspiratie kan  bieden. Die pretentie heb ik niet, maar dat de mogelijkheid bestaat, geeft me toch een positief gevoel.

Ik wil trouwens met mijn vertoog niet zeggen dat wetenschappelijk of enig ander werk moreel minderwaardig is. Allerminst. Ik zou ook niemand willen aanraden mijn voorbeeld te volgen. Ik heb alleen mijn omstandigheden, afwegingen en redenatie willen schetsen. Waarom ik mezelf niet geschikt acht voor werk in de wetenschap, is wellicht stof voor een ander artikel. Ik heb me eerder al wel eens door mijn negatieve gevoelens laten leiden om een hard oordeel over de wetenschappelijke praktijk te vellen. Wat ik daar schreef zei misschien wel meer over mij dan over de wetenschap.

Als afsluiter een vrolijk deuntje over tuinmeubilair:



dinsdag 24 december 2013

Heeft de wetenschap het antwoord op alle denkbare vragen?

Nadat ik in een eerdere tirade van leer was getrokken tegen de zingevende pretenties van de wetenschap, kwam de te verwachten reactie dat mijn betoog niet meer dan een stroopredenering betrof. Ik zou een stroman aanvallen, een standpunt dat niemand daadwerkelijk wenst te verdedigen. Het kwam dan ook goed uit, dat ik in de boekwinkel een boek tegenkwam waarin het door mij bestreden standpunt met verve verdedigd wordt. In The Atheist's Guide to Reality, Enjoying Life without Illusions verkondigt de filosoof Alex Rosenberg dat de wetenschap het antwoord kan geven op de vraag wat de zin des levens is. En hij houdt daarmee niet op, hij stelt ook dat een wetenschappelijk geïnspireerd moreel nihilisme de enige rationeel verdedigbare levensbeschouwing is voor de moderne atheïstische mens. Toe maar, dat vraagt om een reactie van mijn kant. En ik zal dus een poging wagen.

"The physical facts fix all the facts."

Het simplistische harde deteminisme spat van de pagina's. Hij begint het boek door te stellen dat hij er al van uit gaat dat zijn weldenkende lezers per definitie atheïsten zijn. Het geloof in God is immers niets anders dan jezelf systematisch voor de gek te houden. Een aanval op God à la Dawkins of Hitchens ziet hij als een hopeloos achterhoedegevecht. We moeten vooruit kijken en op zoek gaan naar een rationeel alternatief voor religie dat antwoord kan geven op de vragen die traditioneel binnen het bereik van de religie en levensbeschouwing vallen. En wat hem betreft kan de wetenschappelijke studie van de fysieke wereld ons het antwoord op die vragen bieden.

Volgens Rosenberg heeft de wetenschap een helder antwoord op een aantal gevoelige vragen, die de mensheid al millenia lang bezighouden:

  • Is there a God? No.
  • What is the nature of reality? What physics says it is.
  • What is the purpose of the universe? There is none.
  • What is the meaning of life? There is none.
  • Why am I here? Just dumb luck.
  • Does prayer work? Of course not.
  • Is there a soul? Is it immortal? No.
  • Is there free will? Not a chance!
  • What happens when we die? Everything pretty much goes on as before, except us.
  • What is the difference between right and wrong, good and bad? There is no moral difference between them.
  • Why should I be moral? Because it makes you feel better than being immoral.
  • Is abortion, euthanasia, suicide, paying taxes, foreign aid or anything elde you don't like forbidden, permissible, or sometimes obligatory? Anything goes.
  • What is love, and how can I find it? Love is the solution to a strategic interaction problem. Don't look for it; it will find you when you need it.
  • Does history have any meaning or purpose? It's full of sound and fury, but signifies nothing.
  • Does the human past have any lesson for the future? Fewer and fewer, if it had any to begin with.

Het indrukwekkende succes van de natuurkunde als basis voor onze groeiende kennis over de fysieke wereld en de gigantische verklarende kracht van Darwins evolutietheorie zijn voor Rosenberg aanleiding om tot deze stellige uitspraken te komen. Hij vindt dat er uiteindelijk rationeel gezien geen andere levenbeschouwing verdedigbaar is dan het nihilisme, maar volgens hem is het wel een aangenaam nihilisme. Als het om normen en waarden gaat zijn er geen normen en waarden die intrinsiek goed zijn. Normen en waarden zijn onderhevig aan natuurlijke selectie en de normen en waarden die nu door de meeste mensen op Aarde gedeeld worden (en waarvan een deel vervat zijn in de Universele verklaring van de rechten van de mens), zijn de normen en waarden die na duizenden jaren van selectiedruk de meeste fitness blijken te hebben. En we kunnen dus best volgens die normen en waarden leven, maar we moeten niet denken dat ze intrinsieke waarde hebben.

Tot zover kan ik nog met de standpunten van Rosenberg leven. Hoewel ik het niet met hem eens ben, vind ik zijn redenatie interessant. De vraag is natuurlijk of normen en waarden daadwerkelijk door middel van evolutionaire principes worden geselecteerd. Hij raakt nog wat verder van mijn pad af, als hij gaat beweren dat het bewustzijn een illusie is. Wat we denken en waarnemen heeft geen aanwijsbare betrekking op materiële dingen en is dus per definitie waardeloos. Al onze handelingen worden geleid door hersenprocessen die geen concrete afspiegeling in het bewustzijn hebben. Rosenberg is zich er van bewust dat hij zich op filosofisch glad ijs beweegt en hij komt dan ook zelf met het klassieke tegenargument: What is it like to be a bat?



Thomas Nagel trachtte de materialistische aanvallen op het zelfstandig bewustzijn te ontkrachten met een klassiek geworden gedachte-experiment. Stel je voor dat je een vleermuis bent. Kun je als mens je voorstellen hoe het is om een vleermuis te zijn? We kunnen ons wellicht voorstellen dat het bezitten van echolocatie vergelijkbaar is met wat een sonar-technicus aan boord van een onderzeeër beleeft. Maar dan stellen we ons eigenlijk voor hoe het is om als mens in een vleermuislichaam gevangen te zijn en echolocatie te kunnen gebruiken. We kunnen ons uiteindelijk niet voorstellen hoe het is om daadwerkelijk een vleermuis te zijn. 

Other organisms have their own kind of subjective experiences, and even the most extensive neurological study won't capture what it's like to have those experiences. Neuroscience can only show what goes on in the bat's brain when it's having its echo-locating experiencs. It cannot tell us what having those experience is like.

Hier heeft Rosenberg dus een probleem. Want hoewel hij eerder hoog op heeft gegeven over het verklarende vermogen van de neurowetenschappen, loopt hij nu op tegen de beperkingen ervan. Hij redt zich uiteindelijk uit deze, door hem zelf opgezette, val met twee kunstgrepen. Ten eerste zegt hij dat het tegenargument vals speelt, doordat het eisen stelt aan de wetenschap die onredelijk zijn. En ten tweede komt hij met wetenschappisme (scientism) op de proppen, als eenvoudig lapmiddel voor de gaten die de wetenschap (science) niet kan vullen. Hij komt er, na het bespreken van een aantal andere voorbeelden en gedachte-experimenten, uiteindelijk op uit dat de filosofische critici zoals Nagel de wetenschap voor een onmogelijke en onredelijke uitdaging stellen, doordat de vraag niet met wetenschappelijke middelen beantwoord kan worden:

The challenge to neuroscience of explaining what it's like to be a bat turns out to be the demand that it solve that mystery whit its hand tied behind its back. It's no surprise that science can't solve a problem posed this way. After all, science isn't magic.

Hij gaat vervolgens ook nog in op de Monadologie van Leibniz, waarin gesteld wordt dat "waarneming niet verklaard kan worden door mechanische principes, door vormen en bewegingen en dat niets dat afhankelijk is van waarneming daardoor verklaard kan worden". Rosenberg vind dat zulke redenaties het gevolg zijn van misleiding door ons onbetrouwbare bewustzijn. Argumenten die puur op introspectie gebaseerd zijn, zijn niet vergelijkbaar met objectief wetenschappelijk bewijs. Daardoor zijn de redenaties van Leibniz en Nagel uiteindelijk geen bedreiging voor scientism:

So, when it comes to to the presistent question of what the minde is, scientism can disregard objections that are based on Leibniz's thought experiment or Nagel's. It can disregard the argument that subjectivity is not physical, so there must be nonphysical mind, person, self, soul that has the subjective experience. It can disregard denials that the mind is the brain.

Is this intellectually responsible? Yes. Our evidence for the truth of physics as the complete theory of reality is much stronger than our evidence for the truth of the conclusion of any thought experiment that relies on introspection. Plus, introspection is wrong about so much, it can't carry any weight against science. Scientism is safe to conclude that there are flaws in Nagel's argument and Leibniz's. We don't know where the slips occur but we know that their conclusions are false.

To repeat, it would be intellectually irresponsible for neuroscience to disregard these arguments. They present in a wonderfully effective way some of the great scientific challenges that face neuroscience. It's a challenge scientistic non-neuroscientists are confident neuroscience will eventually resolve. The challenges of neuroscience are not problems for scientism.

Ik heb Rosenberg hier uitvoerig geciteerd, omdat hij hier duidelijk maakt wat scientism voor hem betekent. Het geloof dat de wetenschap uiteindelijk alle vragen kan beantwoorden, inclusief de vragen die de wetenschap nu nog niet kan beantwoorden. Dat is een geloof dat ik niet deel, maar het is goed dat hij uiteindelijk ook toegeeft dat een deel van zijn zogenaamd rationeel-wetenschappelijke wereldbeeld op geloof is gebaseerd.

Vrije wil of determinisme? Volgens Rosenberg heeft de wetenschap het laatste woord in deze kwestie.

Ook zijn argumenten tegen de vrije wil, die voortkomen uit zijn strikte determinisme, vind ik persoonlijk niet echt overtuigend. Rosenberg zegt dat de vrije wil één van de illusies is die voortkomen uit introspectie. Introspectie is volgens hem per definitie onbetrouwbaar en aangezien het universum door de onbreekbare natuurwetten geregeerd wordt, is voor de vrije wil van het individu geen plaats. Ik laat mij in mijn persoonlijke overtuigingen welbewust ook door introspectie leiden, dus ik accepteer zijn argumenten op dit gebied logischerwijs niet.

Hij maakt tegen het eind van het boek expliciet duidelijk dat hij de wetenschap niet als heilsleer ziet en ook niet als peiler onder een mogelijk seculier-humanistisch alternatief voor religie. Hij gaat er immers van uit dat er geen hoger doel is en dat de wetenschap daar dus onmogelijk naar kan streven. Hij is dan ook kritisch op zij die de wetenschap in een niet-nihilistisch verband plaatsen:

Even so adamant an atheist as Richard Dawkins has succumbed to the delusion that a substitute for religion is required and available form science. People ask Dawkins, "Why do you bother getting up in the morning if the meaning of life boils down to such a cruel pitiless fact, that we exist merely to help replicate a string of molecules?" His answer is that "science is one of the supreme things that makes life worth living."

Alex Rosenberg is een filosoof die de uiterste consequenties van zijn redenaties niet schuwt; rationeel denken kan volgens hem alleen leiden tot deterministisch nihilisme. De morele implicaties daarvan zijn volgens hem minder radicaal dan men wellicht zou kunnen verwachten. Uiteindelijk zijn altruïstische en aangename normen en waarden door natuurlijke selectie in menselijke culturen ruimschoots aanwezig zijn en hoeven we ons geen zorgen te maken over wat Darwin omschreef als nature, red in tooth and claw. Ik weet niet of ik het met die conclusies eens ben. Wellicht hecht mijn onbetrouwbare (?) bewustzijn te veel waarde aan humanisme, om volledig te kunnen vertrouwen op Rosenbergs hardvochtige conclusies.

vrijdag 22 november 2013

Ideologie en technocratie, van de regen in de drup?

Naar aanleiding van de kritiek op mijn eerdere artikel over ideologie, ben ik al ingegaan op het aspect populisme. Nu is het tijd om een verhandeling te weiden aan technocratie. Ik verkondigde eerder dat er geen causaal verband is tussen de opkomst van populisme en de neergang van ideologieën. Technocratie is echter volgens mij wél een mogelijk gevolg van het losschudden van ideologische veren of zelfs van democratisch verval. Op het gebied van de technocratie ben ik het dus in principe eens met mijn anonieme opponent, ook in de zin dat ik überhaupt geen heil zie in een puur technocratische politiek. Hoe ik dit alles beschouw, zal ik proberen toe te lichten.

 
McCloskey & Söderberg
Uw correspondent





















Eerst wist ik niet zo goed wat ik met het concept technocratie aan moest. Het is een nogal lastig begrip en ik weet er sowieso buitengewoon weinig van af. Totdat ik vandaag de buitengewoon interessante promotie van Gabriel Söderberg in Uppsala bijwoonde en ik de grondstoffen voor dit artikel aangereikt kreeg. In de rede van de opponent, professor Deirdre McCloskey, en tijdens Söderberg's verdediging, werd mij langzaam duidelijk waar de schoen wringt als het om technocratie gaat. Politici schuiven verantwoordelijkheden af op de (economische) wetenschappen en verwachten dat de wetenschappers alle problemen kunnen oplossen. Zo simpel werkt het natuurlijk niet.

Al was het maar omdat economen en andere wetenschappers het aantoonbaar slechter doen, als zij aan het roer worden gezet, dan democratisch gekozen leken. Zo heeft de de Deense econoom Bent Flyvbjerg overtuigend aangetoond. En dat is wellicht wel zo geruststellend, want dan hoeft onze huidige democratie nog niet meteen bij het grofvuil. Maar het feit is dat zodra politici zich minder door ideologieën laten leiden, ze meer geneigd zijn tot het afschuiven van verantwoordelijkheid.

En economen en andere wetenschappers zijn nooit de onafhankelijke experts die ze wellicht beweren te zijn. Ten eerste is een echte expert geen wetenschapper, want: een echte expert is bang nieuwe dingen te leren, omdat hij dan geen expert meer zou zijn, om de notoir anti-intellectuele president Truman te parafraseren. En echt onafhankelijk zijn technocraten natuurlijk ook nooit. Wie betaalt, bepaalt, is ook hier de gouden regel. En hoe je het ook wendt ook keert, technocratische wetenschappelijke adviseurs zullen altijd de belangen van hun opdrachtgevers in het oog houden. En als er de wetenschappers zelf een rationeel technocratisch regime stichten, dan zullen ze ook meer belang hechten aan het aan de macht blijven, dan de geïdealiseerde Platonische filosoof-koning wellicht zou moeten doen. Macht corrumpeert immers zonder aanziens des persoons.

Over het geloof dat politici in de economische wetenschap stellen, zei McCloskey: "Belief in science is like magic. politici verwachten van economen simpele en onfeilbare antwoorden op complexe vragen en sommige economen menen ook nog eens dat dat mogelijk is." Iets waar ik het, gezien mijn eerdere litanie van gelijke strekking, natuurlijk alleen maar mee eens kan zijn.

Nog niet gelezen, uiteraard

De oplossing voor de richtingloosheid die de politiek treft sinds velen hun ideologische kompas verloren hebben, ligt dus niet per definitie in de wetenschap. En meer technocratie is wat mij betreft niet persé een wenselijke ontwikkeling. Advies inwinnen bij adviseurs is zeker niet slecht, maar uiteindelijk moeten de politici beslissen en verantwoordelijkheid nemen. En zij zullen zich daarbij in de eerste plaats moeten laten leiden hun eigen idealen, politieke doelen en machtshonger. De oorlogsmisdadiger Henry Kissinger schijnt gezegd te hebben: "Academic politics are so vicious because the stakes are so small." Laten we dat vooral zo houden en de wetenschappers de universiteiten laten besturen en niet het land.

zaterdag 9 november 2013

God is dood. Wacht de wetenschap eenzelfde lot?

Zoals Nietzsche God doodverklaarde, zo is het nu wellicht tijd de wetenschap dood te verklaren. De wetenschap wordt voor velen steeds meer als een geloof beleefd, dan als poging tot waarheidsvinding. Zodra de opvatting wetenschap als geloof de overhand gaat krijgen, is de wetenschap wat mij betreft ten dode opgeschreven. Het proces van aftakeling is reeds zichtbaar in de vorm van schimmige figuren als Richard Dawkins. De vraag of Dawkins in de eerste plaats wetenschapper of polemist is, laat ik hier in het midden. Feit is dat hij zich als wetenschapper profileert en zo zal ik hem vooralsnog dus dan ook maar beschouwen.

Dawkins beweert dat een ieder die in God gelooft aan een serieuze persoonlijkheidsstoornis lijdt. Zelf propageert hij de wetenschap als een soort van ersatz-geloof, dat het antwoord kan geven op alle vragen des levens. Zowel zijn gebrek aan respect voor de metafysische opvattingen van anderen als zijn mystificatie van de reikwijdte van het wetenschappelijk kunnen geven mij weinig vertrouwen in zijn rationeel denkvermogen. En als hij met zijn met drogredeneringen doorspekte oeuvre model moet staan voor de hedendaagse wetenschapper, dan raak ik er meer en meer van overtuigd dat de wetenschap in de terminale fase is beland.

Ik zal nog wat nader ingaan op de meest algemene misvatting over wat de wetenschap vermag: de wetenschap als heilsleer. Zowel onder leken als onder ingewijden leeft sterk de opvatting dat de wetenschap ons naar een betere, meer rationele wereld kan leiden; bevrijd van onreine gevoelens en irrationele overtuigingen. Door zo'n geloof in rationele vooruitgang uit te dragen als kern van de wetenschap, wordt de wetenschap juist steeds meer in het domein van de geloofsovertuiging geplaatst en wordt de wetenschap volgens mij juist steeds kwetsbaarder voor irrationeel verval.

Ik zal niet beweren dat een waardevrije wetenschap haalbaar of wenselijk is, verre van zelfs. In de uitoefening van de wetenschap heeft ethiek bijvoorbeeld een belangrijke rol. Het gaat om het doel van de wetenschap en de daaraan gekoppelde zingeving. Natuurwetenschap heeft bijvoorbeeld ten doel om onze kennis over de natuur te vergroten. En het is naar mijn mening intrinsiek zinvol om de natuur beter te begrijpen. De natuurwetenschap moet volgens mij echter niet het creëren van een Brave New World tot doel hebben. Als ik het zo stel, zal vrijwel iedereen het met mij eens zijn. Doch is het koppelen van wetenschappelijke vooruitgang aan (imaginaire) maatschappelijke vooruitgang in de praktijk vanzelfsprekend.

Ik heb altijd gelijk, W.F. Hermans

In een van de eerdere delen van Zomergasten, liet ik Willem Frederik Hermans aan het woord in casu het zingevende vermogen van de wetenschap. Met grote instemming herhaal ik nogmaals zijn woorden:

Men denkt dikwijls dat de wetenschap, de exacte wetenschap, antwoord kan geven op wat wel in de wandeling de zin des levens wordt genoemd. En misschien zijn er ook wel veel mensen die de wetenschap met het oog daarop beoefenen. Maar ik geloof dat dat een illusie is en ook altijd een illusie blijven zal.

Er zullen slechts weinig wetenschappers zijn die toe zullen geven dat ze met hun wetenschappelijk werk feitelijk een poging wagen de zin des levens te achterhalen. Echter als je een groep wetenschappers vraagt: "Waar geloof je in?" Dan acht ik de kans groot een significant aandeel zal antwoorden: "De wetenschap" Terwijl als je diezelfde groep vraagt: "Wat is de wetenschap?" Dat dan niemand zal antwoorden: "Een geloof." Deze incongruentie lijkt onschuldig, maar is wat mij betreft de kroniek van een aangekondigde dood.