Posts tonen met het label film. Alle posts tonen
Posts tonen met het label film. Alle posts tonen

donderdag 5 oktober 2017

De opkomst en ondergang van Brian Wilson of de mythe van Smile

De Beach Boys roepen in het collectieve geheugen nog altijd vooraleerst associaties op met surfen, zon en het naiëf-optimistische Californische levensgevoel. Dat de schepper van de muziek van de Beach Boys, Brian Wilson, niet alleen een van dé muzikale geniën van zijn tijd was, maar ook een uiterst tragisch leven heeft gekend, is niet bij een ieder bekend. 

In 2014 verscheen de film Love and Mercy, die twee scherp contrasterende periodes uit het leven van de artiest onder de loep neemt. De eerste episode is de glansrijke vroege carrière van de Beach Boys, culminerend in de gedoemde sessies voor het album Smile, dat in 1967 had moeten verschijnen. Verweven daarmee zijn flash-forwards naar de late jaren ' 80, wanneer een nieuwe liefde in het leven komt van de fysiek en mentaal gebroken Brian, die dan onder curatele staat van de slinkse nep-psychiater Eugene Landy.

The Beach Boys begon als het bandje van de drie broers Wilson en wat aanverwanten, dat zong over de geneugten van surfen en snelle auto's. Hoewel alleen drummer Dennis Wilson ook echt zelf surfer was, maar dat maakte het publiek niet uit. De composities van Brian werden allengs complexer en geraffineerder, waardoor de muziek op de platen al snel niet meer door de band maar door de beste sessiemuzikanten van Los Angeles werd gespeeld. De karakteristieke meerstemmige zang was vaak de enige concrete bijdrage van de jongens aan hun hits. Met uitzondering van Brian dus, die de muzikale productie van a tot z overzag. 

Brian was in de studio en thuis achter de piano in zijn element. Op het podium echter bepaald minder en aan reizen had hij ook al een hekel. De druk van de platenbazen om zowel onafgebroken hits te produceren, als constant op tournee te zijn, nam met het groeiend succes al maar verder toe. Om zich te kunnen concentreren op het schrijven en produceren nieuwe muziek, besloot Brian vanaf 1964 niet meer met de band op tournee te gaan. En die keuze wierp zijn vruchten af, die in twee woorden samen te vatten zijn: Pet Sounds

De weg die Brian Wilson aflegde om op zijn 23e een van de onbetwist beste muzikale scheppingen van de twintigste eeuw af te leveren, is fascinerend en wordt in de film geweldig in beeld en geluid gebracht. Met name de sessies voor Pet Sounds in de studio zijn een genot voor oog en oor.  Paul Dano, die de jong Brian speelt, is geweldig gecast, hij verbeeldt de complexe en breekbare combinatie van onschuld en genialiteit op onnavolgbare wijze.



Pet Sounds was echter in eerste instantie geen groot financieel succes. En bij de rest van de band viel een rijk georkestreerd sterk persoonlijke plaat zonder enige verwijzing naar zon en zee ook niet in ongemeen goede aarde. Met name neef Mike Love, zou zijn gal nogal expliciet gespuwd hebben en hebben geëist dat de tekst en titel van Hang on to your ego gewijzigd zou worden in I know there's an answer. Dit omdat de oorspronkelijke versie zou verwijzen naar drugs [in retrospectief niet zonder ironie, aangezien we nu weten Mike Love verreweg het grootste ego had van alle bandleden]. De volgende single, Good Vibrations, was zo mogelijk muzikaal nog complexer dan Pet Sounds, maar was wel een onverbiddelijke bestseller. Hierdoor won Brian weer flink wat krediet terug bij band en platenbonzen en kreeg hij carte blanche voor het volgende album: Smile.

(Spoiler alert)
Smile geldt als een van de grote nooit voltooide meesterwerken uit de muziekhistorie en de verwachte opvolger van Pet Sounds kwam er dus nooit. De ontstaansgeschiedenis van Smile is met de nodige mythes omgeven en over de schuldvraag van het falen zijn boeken volgeschreven. De film schetst een mooi beeld van de sfeer rond deze sessies en zonder expliciet vingerwijzen worden er wel een aantal hints gegeven aangaande de oorzaken van dit grootse mislukken.

De film legt de nadruk op de psyche van Brian, zeker met oog op de andere helft van de film een voor de hand liggende keuze. Het beeld wordt geschetst van een gedreven kunstenaar, die in de loop van het opnameproces de controle over zichzelf en zijn schepping langzamerhand kwijtraakt. Zijn gedrag wordt steeds excentrieker en de muziek gaat in Brians hoofd een eigen leven leiden. In de film komt het niet expliciet aan bod, maar het is bekend dat hij er van overtuigd raakte dat de sessies voor het nummer Mrs. O'Leary's Cow (Fire) een brand in de buurt had veroorzaakt:



Toen Brian Wilson in 2004 als solo-artiest de nummers van Smile opnieuw opnam, was hij nog altijd bang voor Mrs. O'Leary's Cow (Fire). Het was op Brian Wilson presents Smile het enige nummer dat zonder zijn inmenging tot stand kwam. Wat overigens geen probleem was, aangezien het een grotendeels instrumentale compositie betreft. Smile was dus meer dan een trauma geworden. Maar of het falen volledig aan de geestestoestand van Brian (en overmatig drugsgebruik) is te wijten, is volgens mij de vraag.

Smile was wellicht in zijn opzet reeds gedoemd te falen. Brian had tijdens de productie van Good Vibrations voor het eerst een modulaire aanpak toegepast. Hierbij werd het nummer niet in een keer gespeeld, maar werden verschillende kortere fragmenten (door middel van tape splicing) achter elkaar vast geplakt. Een revolutionair, maar tijdrovend proces. Voor een nummer ging het nog, maar voor een gigantisch project als Smile was het gezien de technische beperkingen van de jaren '60 waarschijnlijk te hoog gegrepen. Zeker omdat de afzonderlijke nummers grotendeels alleen nog maar in het hoofd van Brian bestonden en er een legendarische hoeveelheid materiaal werd opgenomen.

Een goed gefocuste solo-artiest had het misschien nog tot een goed einde weten te brengen. De lang uitlopende sessies zorgden er echter voor dat de sluimerende spanningen binnen de Beach Boys hoog op liepen. Zo hoog dat externe mede-songwriter Van Dyke Parks op en gegeven moment de handdoek in de ring gooide. Hij schreef de teksten en die waren voor (weerom) Mike Love een steen des aanstoots. Waar Pet Sounds met introspectieve teksten over de liefde al sterk afweek van het surf-sjabloon, ging Smile pas echt van de gebaande paden. Het voert te ver om de uiteenlopende thema's van het album hier te bespreken. Daar kun je een heel boek over schrijven. Laat ik volstaan met een citaat uit het prijsnummer van Smile, het ironisch getitelde Surf's Up:
Hung velvet overtaken me
Dim chandelier awaken me
To a song dissolved in the dawn
The music hall a costly bow
The music all is lost for now
To a muted trumpeter swan
Columinated ruins domino
Dat is nog eens andere koek dan Surfin' U.S.A. zullen we maar zeggen. En de weerstand die dit bij de band opriep, komt uiteraard ook in Love and Mercy aan bod. Het valt overigens te zeggen dat Brian Wilson met deze nieuwlichterij wel helemaal in tune was met de tijdgeest. Op 26 mei 1967 brachten de Beatles Sgt. Pepper's Lonely Hearts Club Band uit (dat sterk geïnspireerd was door Pet Sounds, dat op zijn beurt weer schatplichtig was aan Rubber Soul, maar dat terzijde), waarmee de Summer of Love werd ingeluid. The Beach Boys hadden 50 jaar geleden dus The Beatles potentieel het gras voor de voeten weg kunnen maaien met een avant-gardistisch psychedelisch opus. Maar het mocht niet zo zijn.

De mythische Smile-tapes
De sessies werden in april 1967 een halt toe geroepen en de tapes verdwenen in de spreekwoordelijke vault. Capitol Records had Smile gedurende sessies al uitgebreid gepromoot en dat was het startpunt van de mythevorming. Zeker nadat er gauw de gekste verhalen de ronde gingen doen over de opnames en er her en daar fragmenten van nummers opdoken. Zo zond CBS in april 1967 een fragment van Surf's Up uit, met Brian alleen achter de piano. De kijkers vonden het prachtig. Maar het nummer verscheen al maar niet op plaat.  Pas in 1971 werd Surf's Up op het gelijknamige album uitgebracht. Onder auspiciën van Carl Wilson, want de confrontatie met het trauma Smile kon Brian nog altijd niet aan.

Want dat was helaas het jammerlijke gevolg van het debacle Smile. Brian Wilson verloor zijn zelfvertrouwen en nam genoegen met een bijrol binnen de Beach Boys. Nog maar mondjesmaat schreef hij nieuw materiaal of droeg hij actief bij aan de productie van albums. Hij trok zich terug en in zijn donkerste periode bracht hij naar het schijnt drie jaar in bed door. Op een gestaag dieet van fastfood, televisie en drugs. In de jaren zeventig liet hij nog eenmaal echt van zich spreken met weerom een verkapt solo-album The Beach Boys Love You. Een lichtelijk bizar en verknipt werkstuk, maar niet zonder kwaliteit en bepaald charmant, zeker omdat dit keer vrijwel alle teksten van de hand van Brian zijn. Het geeft daarmee een aardig inkijkje in zijn wereld. Typerend is het aan de fameuze talkshowgastheer gewijde Johnny Carson, vermoedelijk ontsproten aan een tv-kijkend bestaan in bed.

Zoals te verwachten was dit excentrieke uitstapje geen succes bij het grote publiek en Brian werd voorgoed naar de zijlijn van The Beach Boys verbannen. De fysieke en mentale aftakeling zette door en het is derhalve een wonder dat juist Brian de enig overlevende is van de gebroeders Wilson. Dat Brian het overleeft heeft, is wellicht te danken aan Eugene Landy, hoewel Brian's huidige fragiele mentale en fysieke staat waarschijnlijk ook deels hem te danken is. Landy is de antagonist van de andere helft van Love and Mercy en die zal ik nu verder laten voor wat het is. De oudere Brian wordt gespeeld door John Cussack, die een mooie breekbare man neerzet, maar niet even overtuigend is als Paul Dano, naar mijn mening. De film als geheel is een aangrijpende aanrader en de onverwachte combinatie tussen muziek en psychische problematiek komt wonderwel fantastisch uit de verf.

Wat is er vervolgens geworden van die verstofte opnames van Smile? Nadat Brian Wilson in 2004 met zijn band en Van Dyke Parks een reconstructie had gemaakt van wat Smile als album had moeten worden, verscheen dan in 2011 eindelijk The Smile Sessions. Een uitgebreid uittreksel uit de archieven. Want ondanks geruchten dat Brian een deel van de tapes verbrand zou hebben, zijn alle opnames zorgvuldig bewaard. En nu dus eindelijk ook voor het grote publiek beschikbaar. Dankzij de computer is het tegenwoordig een stuk eenvoudiger om van fragmenten een afgerond album te smeden. En aangezien de nummers op Smile nooit echt een definitief canonieke vorm hebben kunnen krijgen, nodigt dit gegeven liefhebbers uit om zelf een eigen versie van Smile samen te stellen. Laat ik ter afsluiting een fraaie stereo-versie delen, op YouTube zijn er nog veel meer te vinden.

donderdag 31 augustus 2017

Jacques Cousteau, een man van zijn tijd

Onlangs zag ik de film L'Odyssée, geweid aan het leven en werk van Jacques Cousteau en zijn zoon Philippe. De film geeft een interessant beeld van de tocht die vader Cousteau af heeft moeten leggen om te worden tot de man zoals hij tegenwoordig herinnerd wordt. Voor mij aanleiding om deze rolprent te bespreken en daarbij ook met een schuin oog te kijken naar twee van de drie lange documentaires die Cousteau zelf uitbracht: La Monde du silence en La Monde sans soleil.

Jacques Cousteau staat bekend als de man die het televisiekijkend publiek kennis liet maken met de de onderzeese wereld. In zekere zin was hij de Franse equivalent van David Attenborough. Alleen begon Cousteau zijn carrière allerminst als een natuurbeschermer. Nadat hij in eerste instantie faam en fortuin had vergaard als mede-uitvinder van de AquaLung (de ademautomaat die de basis vormt van elke moderne duikuitrusting), begon hij een leven als propagandist voor de exploratie van de zee. Hij mat zich een imago van modern maritiem ontdekkingsreiziger aan en door middel van films, tv-programma's, boeken en voordrachten deed hij geromantiseerd verslag van zijn reizen met zijn vlaggenschip de Calypso.

La Monde du silence, animals were harmed in the making of this film
Cousteau's eerste avondvullende film La Monde du silence uit 1953 geeft een goed beeld van deze periode. Een revolutionaire film, met net als menig politieke revolutie, de nodige bloedvergieten. Voor het eerst kon in kleur de wonderbaarlijke flora en fauna van (met name) de Rode Zee op het witte doek worden gebracht. Maar het gedrag van de bemanning van de Calypso tegenover het zeeleven is regelmatig gruwelijk of op zijn minst afkeurenswaardig. Zo wordt er bijvoorbeeld met dynamiet gevist (zogenaamd in naam der wetenschap),  koraal met hamers bewerkt en zeeschildpadden getreiterd. Tegen het eind van de documentaire botst de  Calypso per ongeluk op een jonge walvis, die daarbij ernstig gewond raakt. De bemanning besluit daarop het dier uit zijn lijden verlossen. Ongelukje, kan gebeuren. Maar als het karkas vervolgens door haaien aangevreten wordt, wordt er een slachting onder de haaien aangericht. Zogenaamd om de walvis te wreken. De logica hiervan ontging mij volledig en het leek er vooral op dat de heren gewoon lekker wat haaien  wilden vermoorden, die volgens de voice-over 'de vijand van elke zwemmer' zouden zijn. De film werd door tijdgenoten overigens wel gewaardeerd, blijkens beloning met een Gouden Palm en een Academy Award voor best documentaire. Tijden veranderen, zullen we maar zeggen.

Documentaire aangeprezen als science-fiction
In L'Odyssée komen deze wandaden niet expliciet aan de orde, maar wel wordt duidelijk dat Jacques Cousteau tot aan de jaren zeventig niet bepaald gedreven werd door altruïstische motieven. Hij komt naar voren als een ijdele, zelfingenomen man met een hang naar (buitenechtelijk) avontuur en grootheidswaan. Hij heeft lange tijd het idee dat nieuwe technologie tot een kolonisatie van de diepzee zal leiden, met permanente menselijke bewoning van submarine habitats. In retrospectief een lichtelijk bizarre gedachte, maar het paste helemaal in de tijdgeest van de vroege jaren zestig. Het was de tijd toen technologische ontwikkelingen de mensheid nog de mogelijkheid leken te kunnen geven om aan het Aardse bestaan te kunnen ontsnappen. Cousteau wist bij de Franse olie-industrie geld los te praten voor zijn ambitieuze Conshelf project. Het experimentele onderzeeverblijf voor de kust van Sudan zou de eerste stap moeten zijn voor de permanente kolonisatie van het continentaal plat. Daar kwam het uiteraard vervolgens niet van. Het ambitieuze project was onderwerp voor Cousteau's tweede lange documentaire La Monde sans soleil. De film ademt de sfeer van de space race en is een stuk beter te verteren dan zijn voorganger. Niet minder gedateerd dan La Monde du silence, maar nu eerder charmant dan walgelijk. Dit keer geen expliciet geweld tegen dieren, maar een futuristische setting bevolkt door kettingrokende kikvorsmannen in zilveren pakjes. De cinematografie is zeer fraai, alhoewel het zo nu en dan wel nogal in-scène-gezet aandoet. De film (ook al bekroond met een Academy Award voor beste documentaire) is in zijn geheel, in ietwat sub-optimale beeldkwaliteit, op YouTube te bekijken:


Zoals gezegd was het Conshelf-project met name gedreven door Cousteau´s illusoire geloof in submariene kolonisatie. Illusies die nogal wat geld kosten, meer geld dan er binnen komt in de Cousteau-organisatie, zo blijkt naar verloop van tijd in L'Odyssée. Om de schoorsteen van de Calypso toch rokende te kunnen blijven houden, wordt er in de Verenigde Staten financiële steun gezocht. Cousteau weet de hoge heren van het netwerk ABC te overtuigen om een docudrama avant la lettre te bekostigen, waarin de Calypso over de Zeven Zeeën gevolgd wordt. Om de bemanning van de Calypso eenvoudig herkenbaar te maken voor het televisiepubliek, komt Jacques op het lumineuze idee om rode mutsjes te gaan dragen. Een verwijzing naar de traditionele uitmonstering van duikers uit het pre-AquaLung-tijdperk.  De serie The Undersea World of Jacques Cousteau (in het Frans L’Odyssée sous-marine de l'équipe Cousteau, vandaar de titel van de film) is een wereldwijd succes en maakt van Cousteau een nog grotere beroemdheid, met een aanzienlijke impact op de populaire cultuur. Hierbij kan uiteraard de geslaagde parodie The Life Aquatic With Steve Zissou, inclusief de inmiddels clichématige rode mutsjes, van Wes Anderson niet onvermeld blijven.

Maar elk succes heeft een keerzijde. En op deze keerzijde legt L'Odyssée begrijpelijkerwijs de nadruk. De jaren in de schijnwerper hebben Cousteau vervreemd van vrouw en kinderen. Hij is nog altijd getrouwd met Simone Melchior, maar daarmee is eigenlijk ook alles gezegd. Ze runt de dagelijkse gang van zaken op de Calypso, het schip dat net als het huwelijk betere tijden gekend heeft. Zoon Philippe is de egomanie van zijn vader meer dan zat en hoewel hij met hem een passie voor duiken en cinema deelt, mist hij bij Jacques een oprechte inzet voor de bescherming van natuur en milieu. Philippe vestigt zich met zijn Amerikaanse vriendin in Californië, waar hij zijn eigen pad kiest. 

Vervolgens lijkt het voor vader helemaal mis te lopen als zelfs de inkomsten uit de televisieserie geen soelaas meer kunnen brengen voor het (moreel?) bankroete Cousteau-imperium. In een desperate laatste poging om het tij te keren, stelt Jacques een ambitieuze expeditie naar Antarctica voor aan de Amerikaanse televisiebobo's. Hij weet ze te overreden, maar krijgt slechts 1 miljoen dollar toegezegd. Daarmee kan geen ijsbreker gecharterd worden en aldus moet de brakke Calypso het pakijs trotseren. Gekkenwerk, zo lijkt het. Maar gelukkig komt op het laatste moment nog een verzoening tussen vader en zoon Cousteau tot stand. Philippe brengt een moderne kijk op het kwetsbare Antarctische ecosysteem mee aan boord. De unieke natuur van het Zuidpoolgebied en de desastreuze gevolgen van de walvisvaart worden onderwerp van de televisieserie. Zo wordt de expeditie niet alleen een succes voor de familie Cousteau, maar ook voor de bescherming van Antarctica en de walvissen. L'Odyssée legt in de aftiteling een expliciet verband tussen de reis van Cousteau (in 1972) en het Antarctisch Milieuprotocol. Aangezien dat verdrag in 1991 opgezet is en in 1998 geratificeerd werd, weet ik niet zo zeker of dat hard te maken is. Maar dat de documentaires zullen zeker van enige invloed zijn geweest op de perceptie van Antarctica als waardevol natuurgebied.

De hervonden liefde tussen vader en zoon mocht helaas niet al te lang duren, aangezien het noodlot op een gegeven moment toesloeg. Aan drama dus geen gebrek in L'Odyssée. Of het nog goed kwam met het huwelijk van Jacques en Simone, komt eigenlijk niet aan meer verder aan de orde. Feit is dat ze getrouwd zijn gebleven tot de dood Simone in 1990. De film toont Jacques Cousteau als een ambitieuze, vaak egocentrische patriarch. Maar ook iemand die, onder invloed van de nieuwe generatie, met zijn tijd meegaat. Of dit geschetste beeld helemaal klopt, weet ik niet. In hoeverre Philippe van doorslaggevende invloed was op de natuurbeschermer Jacques, is enigszins de vraag. De werkelijkheid zal ongetwijfeld complexer zijn geweest dan in de film naar voren komt. Zo lees ik op Wikipedia bijvoorbeeld dat Jacques zich in 1960 al actief verzette tegen het in zee dumpen van nucleair afval door de Franse overheid.

Ik vond L'Odyssée op zich wel de moeite waard. Al kwam dat wellicht vooral omdat ik het onderwerp interessant vond. Het acteerwerk is namelijk af en toe wat al te dik aangezet en het script legt het drama er vaak weinig subtiel bovenop. En mooie onderwaterbeelden zijn eigenlijk behoorlijk dun gezaaid in een film over de grondlegger van de submariene cinema. Maar voor wie in het verhaal achter de beroemdheid Jacques Cousteau geïnteresseerd is, verschaft L'Odyssée toch wel een aardige en onderhoudende introductie.

maandag 6 januari 2014

De leegte, het verval en de pretentie


Kan een film drijven op uiterlijk vertoon alleen? Dat was de vraag die ik mezelf stelde na het zien van de film van het jaar 2013 (volgens NRC dan): La Grande Bellezza van Paolo Sorrentino. Het is een film die gaat over het materieel rijke, maar geestelijk arme, Roomse leven van verveelde jetsetters op leeftijd. Van een verhaal is eigenlijk geen sprake. We volgen slechts de escapades van Jep Gambardella (Toni Servillo), een playboy die in een grijs verleden naam heeft gemaakt als auteur, maar die na zijn glansrijke debuut een eeuwigdurend writers block kent.

De man en het niks

Feitelijk gebeurt er niks noemenswaardigs in de film. De muziek is prachtig en de beelden zijn oogstrelend. Maar verder is er leegte. En dat bijna drie uur lang. Het is niet zo dat er niks vermakelijks gebeurt. Er zijn af en toe lichtelijk amusante scenes en er worden zo nu en dan wat spitsvondige bon mots gebezigd. Maar uiteindelijk is het niks meer dan een optocht van verveelde en verwende oude mensen die niet weten wat ze met hun leven aan moeten. Tja.

Dit alles dus gesitueerd in Rome. De Eeuwige Stad. Al millennia lang in verval, maar nog altijd van een tijdloze schoonheid. Door dit decor bewegen onze helden op leeftijd zich van het ene bacchanaal naar de andere opgecokete polonaise. Het verval van een generatie. Zij die ooit dachten de wereld te kunnen verbeteren met hun schoonheid en hun idealen, hebben hun verlies genomen en trachten met botox de schone schijn op te houden. Waar ze het allemaal van doen is volstrekt onduidelijk. Maar dat doet er eigenlijk niet toe. De creditcard is waarschijnlijk gewillig.

Ik zal ook maar het eind verklappen, omdat ik toch niemand deze film echt kan aanraden. Ik zou gewoon zelf naar Rome gaan en daar de bloemetjes buiten zetten. In plaats van naar een misselijkmakend geriatrisch carnaval op het witte doek te moeten kijken. Maar goed, onze vriend Jep onthult op het eind waarom hij al veertig jaar een leeg leven leidt en nooit meer aan scheppend werk is toegekomen. Hij had eerst getracht een Roman over Niets te schrijven, zoals Flaubert, maar dat lukte niet. Vervolgen was hij op zoek gegaan naar de Grote Schoonheid (als in de titel), maar die zoektocht is dus op niks uitgelopen. Tja.

Als groteske desillusie is de film wellicht geslaagd, maar als film naar mijn mening niet. Uiteraard kan geclaimd worden dat het hier grote Grote Kunst over de schoonheid en het niets betreft, maar volgens mij heeft de keizer in dit geval gewoon geen kleren aan. Ik sta best welwillend tegenover l'art pour l'art, maar dat wil niet zeggen dat een pretentieuze vergulde drol geen drol is. De lof die de film ten deel valt, lijkt mij een gevalletje van holle vaten klinken het hardst. La Grande Bellezza is een film die sterft in schoonheid.

De Gouden Drol 2013 gaat naar La Grande Bellezza!

donderdag 28 november 2013

De mens na het einde der tijden

Het einde der tijden komt. En de kans is groot dat de mens als soort het overleeft. Er zijn immers mensen in groten getale over de hele wereld en er zijn nog altijd plekken op Aarde waar de mens in staat is een min of meer zelfvoorzienend bestaan te leven. Want met het einde der tijden denk ik niet aan een soort goddelijke apocalyps, maar aan het ineenstorten van de beschaving zoals we die kennen. Wat dat betreft is de toekomstvisie die David Mitchell in zijn hier reeds eerder benoemde boek Cloud Atlas schetst erg vormend voor mij geweest. Hierin wordt eerst een beangstigende toekomst geschetst waarin de menselijke hybris een hoogtepunt bereikt in een soort wanstaltige Brave New World van consumentisme en kapitalisme. In een volgende episode wordt dan het lot van de mensheid na de Val geschetst. Hierin is de mensheid vervallen tot tribale clans die elkaar ouderwets met middeleeuwse wapens het leven zuur maken.

De dystopische toekomstvisie van David Mitchel, zoals verbeeld door George Hull.

Hoe het precies tot de Val is gekomen, wordt in het boek verder niet gespecificeerd. Er wordt wel zo hier en daar wel verwezen naar ecologische en klimatologische rampspoed, maar de exacte oorzaak of het complex aan oorzaken wordt (gelukkig) aan de verbeelding van de lezer over gelaten. En het verhaal van hoe de mensheid na de Val voortleeft, wordt ook meer in metaforische zin, dan in letterlijke zin behandeld. Wellicht dat daarom ook de verfilming van Cloud Atlas gedoemd was te mislukken, een boek dat drijft op metaforen en ideeën is immers lastig in een vastomlijnd script te vatten.

Een andere schets die George Hull voor de verfilming van Cloud Atlas maakte.

Maar goed, wat wacht de mens in een wereld zonder beschaving of alomtegenwoordige technologie? Keren we terug naar de steentijd? Raken grote delen van de planeet ontvolkt? Nemen door ons genetisch materiaal gevormde cyborgs de macht over? Het zijn allemaal mogelijke scenario's, die een ding gemeen hebben. De mensheid zal over het nodige aanpassingsvermogen moeten bezitten, wil het de catastrofes die on wachten te boven komen. Er is wel gesuggereerd dat in de vroege geschiedenis van de Moderne Mens er al eens een bijna-doodervaring is geweest voor de mensheid toen zo'n 70.000 jaar geleden de supervulkaan Toba uitbarstte. Uiteindelijk is Homo sapiens die tegenslag te boven gekomen, aangezien we heden ten dage ons meester van onze planeet achtten.

Een vulkaan als Toba kan echter op elk moment weer uitbarsten, een epidemie kan uitbreken, een planetoïde kan inslaan. Met het geluk valt niet te spotten. En het is de vraag of de mens vandaag de dag niet kwetsbaarder is dan 70.000 jaar geleden. De omvang en verspreiding van onze soort mag dan vele malen groter zijn dan toen, ons aanpassingsvermogen is echter omgekeerd evenredig afgenomen. Onze samenlevingen zijn zo extreem complex geworden, dat een kleine verstoring van het evenwicht er al toe kan leiden dat bijvoorbeeld de voedselvoorziening voor miljoenen mensen acuut in gevaar komt. En het labiele evenwicht wordt constant bedreigd, niet in de laatste plaats door de roofbouw die we zelf op onze planeet plegen.

Er zijn mensen die uit voorzorg terug proberen te gaan naar een meer autarkische samenlevingsvorm. Echter als je uit voorzorg voor de opwarmende atmosfeer en de stijgende zeespiegel in de binnenlanden van Scandinavië een boerderij begint, dan zul je altijd zien dat de Golfstroom er ook mee ophoudt, waardoor Noord-Europa alsnog in een toendra verandert. Catastrofes zijn in de regel niet te voorspellen. Het lijkt mij dan ook maar het beste om het devies van Schopenhauer "het ergste moet nog komen" ter harte te nemen en verder met stoïcijnse onverschilligheid of epicuristisch optimisme de harde werkelijkheid van alledag te aanvaarden.


vrijdag 15 november 2013

De rechtvaardige rechters

In eerdere artikelen heb ik mijn lof geuit over enkele oorlogsfilms die geproduceerd zijn in de Sovjet-Unie. De vraag dringt zich vervolgens op of er ook in de Verenigde Staten films over de Tweede Wereldoorlog zijn gemaakt die evengoed mijn goedkeuring kunnen wegdragen. Klassieke vertellingen over het epische krijgsgeweld zijn er natuurlijk in alle soorten en maten. En de blik die Hollywood ons op het strijdtoneel blikt is soms goed (Letters from Iwo Jima, Patton), soms redelijk (Cross of Iron, The Longest Day), soms matig (Saving Private Ryan, A Bridge too Far) en soms slecht (The Battle of the Bulge, Inglourious Basterds). Tot voor kort had ik echter geen echt uitmuntende Amerikaanse film over de Tweede Wereldoorlog gezien. Totdat ik Judgment at Nuremberg zag.

Wat natuurlijk direct opvalt is dat Judgment at Nuremberg (Stanley Kramer, 1961) geenszins een klassieke oorlogsfilm is. Het is een rechtbankdrama, met als onderwerp het 'Juristenproces' dat onderdeel uitmaakte van de zogeheten Subsequent Nuremberg Trials die tussen 1946 en 1949 werden gehouden in de nasleep van het befaamde eerste Proces van Neurenberg waar de meest prominente kopstukken van Nazi-Duitsland terecht stonden. De vervolgprocessen vonden, nog meer dan het eerste proces, in de groeiende schaduw van de Koude Oorlog plaats. Doordat de VS steeds minder Duitsland als vijand en steeds meer als potentiële bondgenoot zag, werd de drang om de misdaden van het nazi-regime aan de kaak te stellen snel minder.

De verminderde interesse van de geallieerden voor het vervolgen van nazi's komt in de film duidelijk naar voren. Hoe langer het proces vordert, hoe minder de aanklagers de Duitse publieke opinie tegen de haren in willen strijken door strenge straffen tegen voormalige ambtsdragers te eisen. Dat de film handelt over het proces tegen rechters, zorgt natuurlijk nog voor extra complexiteit. In hoeverre zijn rechters verantwoordelijk voor het ten uitvoer brengen van nazistische wetgeving? Een kwestie die alleen maar lastiger wordt, als men in ogenschouw neemt dat de protagonist van de film, rechter Dan Haywood (Spencer Tracy), in wezen zijn collega's moet berechten terwijl er nauwelijks precedenten zijn of jurisprudentie op dat gebied is. Na de oorlog stond het internationaal strafrecht nog in de kinderschoenen, dus rechters zoals Haywood hadden aanzienlijke vrijheid om zelf, met behulp van de beperkt beschikbare literatuur, een passend juridisch oordeel te vormen over de zaak. Het was alleen vaak wel zo dat er druk werd uitgeoefend op de rechters om tot een vonnis te komen dat niet strijdig was met het contemporaine politieke klimaat, iets wat in de film ook niet onbesproken blijft.

Aangezien de rechter in theorie een grote mate van autonomie had, is het dan ook niet meer dan logisch dat het verblijf van Haywood in Neurenberg en zijn interactie met de lokale bevolking een prominente plaats in de film inneemt. De na-oorlogse houding van de Duitsers blijft in deze film niet slechts steken bij de nu haast clichématige wir haben es nicht gewusst-mentaliteit, maar de complexiteit van het omgaan met gevoel van zowel schuld als slachtofferschap komt nadrukkelijk aan bod. Op dit vlak moet met name de rol van Marlene Dietrich geprezen worden. Ze speelt een Duitse dame op gevorderde leeftijd, wier man een officier in de Wehrmacht was, die geëxecuteerd is omdat onder zijn bevel oorlogsmisdaden zouden zijn begaan. Naar het schijnt had Dietrich grote moeite met het spelen van deze reactionaire, doch charmante vrouw, aangezien ze zelf een grote afkeer had ten opzichte van de door de Duitse bevolking geclaimde onwetendheid aangaande de gruwelen van het nazi-regime. Toen deze haast fysieke walging haar acteerwerk in de weg begon te staan, kreeg ze uiteindelijk de tip om maar aan haar moeder te denken. Het uiteindelijke filmpersonage 'mevrouw Bertholt' is dus grotendeels een projectie van Marlene Dietrich's moeder.

In de uiteindelijke rechtszaak komt het niet alleen tot een confrontatie tussen de aanklagers en de verdediging, maar ook de aangeklaagde rechters onderling hebben een nogal verschillende kijk op de schuldvraag. Uit deze complexe juridische maar vooral ook ethische kluwen moet Dan Haywood een rechtvaardig oordeel zien te spinnen. Dat dat hem persoonlijk zwaar valt is niet verbazingwekkend, desondanks is het verbluffend hoe goed de film de morele dilemma's weet te verbeelden en de toch soms droge juridische kost menselijke gezichten weet te geven. Uiteraard wordt er niet voorbijgegaan aan de intensiteit van de misdaden van het nazi-regime en de daaraan gekoppelde complexe schuldvraag. Dat de film al deze abstracte danwel gruwelijke thema's toch op een geëngageerde en kunstige wijze weet te behandelen, maakt de film wat mij betreft tot een waar meesterwerk.

De film is (momenteel) in zijn geheel beschikbaar op YouTube:

vrijdag 13 september 2013

Pruitt-Igoe: het failliet van de moderne architectuur?

De befaamde Amerikaanse wijk met torenflats Pruitt-Igoe wordt vaak gebruikt als schoolvoorbeeld van alles wat er mis is met de moderne architectuur. De flats die begin jaren '50 in Saint Louis werden gebouwd, waren geïnspireerd door de ideeën van modernistische architecten zoals Le Corbusier. Het feit dat de flats snel aftakelden en reeds in de jaren '70 aan de sloophamer ten prooi vielen,  heeft er toe geleid dat de architecten vaak de schuld kregen van alles wat er mis was met het complex.

De postmodernistische architectuurhistoricus Charles Jencks noemde het moment waarop dit icoon van het modernisme werd opgeblazen "The day modern architecture died". Als je met Google Maps of Streetview in de buurt rondkijkt waar ooit Pruitt-Igoe stond, dan zie je nogal wat kale plekken. Niet alleen Pruitt-Igoe is een grote stadse wildernis, ook veel andere terreinen liggen braak. Urban prairie lijkt wel  de voornaamste vorm van landgebruik in de oude wijken van Saint Louis. Het zijn dus niet alleen de moderne gebouwen die gesloopt zijn, ook vrijwel alle 19e en vroeg 20ste eeuwse bebouwing is verdwenen.

In hoeverre problemen als sociale ongelijkheid, achterstallig onderhoud en criminaliteit inherent waren aan het architecturale ontwerp is voer voor discussie. Al in 1991 schreef Kartharine Bristol een artikel waarin ze de schuld van deze sociale catastrofe eerder bij de politici, dan bij de arhcitecten legt:


Een paar jaar terug is er een documentaire gemaakt met een gelijksoortige strekking als de stellingen geformuleerd in dat artikel. Eveneens getiteld the Pruitt-Igoe Myth.



Met het opruimen van de verkrotte stadswijken en het bouwen van moderne flats werd in gepoogd de onderklasse te verheffen uit hun miserabele bestaan. Pruitt-Igoe was een federaal project, de bouw werd met rijksoverheidsgeld gefinancierd. Er was echter geen federaal geld voor onderhoud van dit mega-complex gereserveerd, men verwachtte dat de huren de kosten zouden dekken. Dit was echter bij lange na niet het geval en geen enkele instantie wilde het gat in de begroting dichten. Het complex was vanaf het begin af aan gedoemd te vervallen.

Een ander probleem was dat de demografische en economische verwachtingen niet waar werden gemaakt. Doordat de bevolking van St. kromp in plaats van groeide en werkgelegenheid uit de stad wegtrok, was er feitelijk geen behoefte aan sociale woningbouw op zo'n grote schaal. Leegstand was dus een tweede zwaard van Damokles dat boven de hoogbouw hing.

Daarnaast is er nog de complexe materie van segregatie en sociale uitsluiting. In eerste instantie was gepland dat een deel van de flats voor blanken en een ander deel van zwarten gereserveerd zouden zijn. In 1956 werd het, door een gerechtelijke uitspraak in de staat Missouri, verboden om woningbouw te raciaal te segregeren. Deze uitspraak, samen met de opkomst van suburbia, leidde tot een massale uittocht van blanken uit de oude stadswijken, de zogeheten white flight. Dit leidde er toe dat Pruitt Igoe al snel vrijwel uitsluitend bevolkt werd door de kansarme zwarte onderklassen.

Overheidsbeleid verkleinde de kansen van de bewoners op een fatsoenlijk bestaan nog verder door een groot aantal restrectieve, paternalistische regeltjes. Zo mochten er in huishoudens waar een vrouw een uitkering ontving geen volwassen man wonen. Hierdoor werder veel gezinnen verscheurd en groeiden kinderen op zonder vader. Het fragiele sociale netwerk stond op instorten. En het is dan ook eigenlijk weinig verrassend dat velen een heenkomen zochten in drugs en criminaliteit.

Het bovenstaande wordt in de documentaire en het artikel van Bristol uitvoerig behandelt. Dan rest nog de vraag in hoeverre de casus Pruitt-Igoe toepasbaar is op de moderne architectuur als geheel en waarom juist de moderne architectuur tot zondebok werd gemaakt. Daar kom ik in een volgende post op terug.

maandag 2 september 2013

Watergate op het witte doek

Met het heengaan van David Frost is weer een karakter uit de mythologie rond het Watergate-schandaal weggevallen. Voor mijn generatie en zij die na mij ter wereld zijn gekomen, liggen de gebeurtenissen die leidden tot het aftreden van president Nixon in een grijs verleden. Het is dan ook goed dat er meerdere films zijn gemaakt over deze belangwekkende episode uit de recente geschiedenis. Het gevaar ligt immers op de loer dat Watergate spoedig alleen nog maar bekend is als kiem voor de suffix -gate, waarmee elk woord tot naam voor een verwant schandaal kan worden omgevormd.

Op deze plek zal ik twee films bespreken, die respectievelijk de opmaat en de uitval van Watergate belichten. Allereerst zal ik All the president's men behandelen en daarna zal ik wat woorden wijden aan Frost/Nixon.

De klassieker All the president's men van Alan J. Pakula uit 1976 behandelt de speurtocht van de journalisten Bob Bernstein en Carl Woodward naar de mensen achter de inbraak in het Watergate-hotel. Woodward (Robert Redford) werkt nog niet zo lang bij de Washington Post en krijgt al snel hulp van de meer ervaren speurneus Bernstein (Dustin Hoffman). Met behulp van een geheimzinnige informant, charme en slinkse trucs weten ze langzaam maar zeker het web van intriges te ontrafelen.

Goed, een aardig verhaal, gebaseerd op de memoires van Bernstein en Woodward. Maar heel veel meer dan een verfilmd jongensboek wordt het wat mij betreft niet. Volgens de beschrijving moet het een politiek-journalistieke thriller zijn, maar ik heb nou niet echt met samengeknepen billen op de bank gezeten. Punt is dat er voor de journalisten feitelijk niet echt iets op het spel staat, hun persoonlijke veiligheid is geen moment in gevaar. De kijker weet al dat het allemaal goed afloopt, de film is eigenlijk niet veel meer dan een mooi aangeklede hagiografie. De acteurs geven een nogal geïdealiseerd beeld van deze helden van de moderne tijd, iets wat de film er niet echt interessanter op maakt. De karakters van Woodward en Bernstein worden niet nader uitgediept dan respectievelijk de archetypes ideale schoonzoon en de charismatische workaholic. De eigenlijke drijfveren van de beide journalisten worden ook niet echt duidelijk. Zijn het pragmatische jagers op een scoop of willen ze de corruptie in de hoogste regionen van het landsbestuur blootleggen?

Een van de charmes van de film is, dat de hoofdpersonages niet weten wat ze op het spoor zijn, ze weten alleen dat het spoor naar steeds hogere regionen van de macht leidt. Wat niet in de film aan bod komt is hoe dit almaar uitdijende schandaal de visie van Woodward en Bernstein op de politiek veranderde. Dachten ze altijd al dat politiek en het landsbestuur van binnen verrot was, waren ze teleurgesteld in de president, kwam dit alles als een verrassing of kon het hun eigenlijk niet schelen zolang ze maar voorpaginanieuws maakten? In wezen is de periode die de film bestrijkt natuurlijk ook vrij beperkt, alleen de openingszetten in de schaakpartij pers tegen politiek worden verbeeld. Maar daarmee hebben de filmmakers wat mij betreft een kans laten liggen. Ik heb het idee dat de prijzen die de film uiteindelijk ten deel vielen, dan ook meer toekomen aan de journalisten Woodward en Bernstein, dan aan de film zelf.

Persoonlijk vond in Frost/Nixon als film een stuk beter. Wellicht komt het omdat ik zelf ook een kind van mijn tijd ben. Hoewel ik voor andere films uit de jaren '70 bepaald niet zuinig ben met mijn lof. Waarschijnlijk is er dus toch meer aan de hand.

Maar goed, Frost/Nixon dus. Een gedramatiseerde vertelling uit 2008 van Ron Howard op basis van het gelijknamige toneelstuk van Peter Morgan over de legendarische serie tv-interviews tussen David Frost (Michael Sheen) en Richard Nixon (Frank Langella). De film beslaat de periode vanaf het aftreden van Nixon in 1974 tot en met de nasleep van de interviews in 1977.

David Frost's carrière zit in een dipje als hij op het idee komt de net afgetreden Nixon te interviewen, om zo zichzelf weer terug in de schijnwerpers te krijgen. Nixon staat in eerste instantie weifelend tegenover het voorstel. Maar hij wil uiteindelijk ook zijn kant van het verhaal bij een breed publiek naar voren brengen. En als hem een genereuze financiële vergoeding in het vooruitzicht wordt gesteld, hapt hij toe.

Frost betaalt een voorschot aan Nixon, maar heeft op dat moment nog geen zender gevonden die de interviews uit wil zenden. Uiteindelijk weet hij, met hulp van een zeer beperkt aantal sponsors, met passen en meten het project toch van de grond te krijgen. Hij heeft een driemanschap geformeerd die de inhoudelijke achtergronden voorbereid, terwijl Frost zelf aan de arm van zijn knappe vriendin het nachtleven van Los Angeles onveilig maakt. Nixon heeft zich ook omringd door adviseurs en hij is er van overtuigd dat hij meerdere maten te groot is voor de platvloerse entertainer Frost.

In de eerste opnamesessies, thuis bij een vriend van Nixon in een buitenwijk van LA, lijkt dit ook het geval. Nixon laat Frost alle hoeken van de kamer zien en ondertussen is Frost er nog altijd niet zeker van dat het interview ooit uitgezonden zal worden. Uiteindelijk weet het researchteam van Frost toch nóg een lijk in de kast van Nixon te vinden. Na een intense confrontatie breekt de ex-president tijdens de laatste sessie en laat hij weten het land in de steek gelaten te hebben. Frost heeft het historische duel gewonnen.

Een interessante en niet alledaagse film naar mijn mening. Zowel Frost als Nixon zijn complexe karakters en hun beider sterktes en zwaktes worden uitvoerig belicht. Het is een typische acteursfilm, zowel Sheen als Langella krijgen alle ruimte om zich van hun beste kant te laten zien. Dat het op een toneelstuk is gebaseerd, is eigenlijk alleen duidelijk door de hoge eisen die de film aan de acteurs stelt. Voor de rest is de transitie van toneel naar film perfect gemaakt. De film doet echt filmisch aan, er zitten weinig statische scenes of vermoeiende dialogen in. Al met al een grote aanrader voor de liefhebber van goed acteerwerk, Amerikaanse politiek en recente geschiedenis.

Het beeld dat bij mij achterblijft van Watergate, tegen de achtergrond van de wereld van vandaag, is gemengd. Aan de ene kant roept het vragen op over de steeds maar toenemende privileges die de overheid zichzelf toestaat als het om observatie en controle van burgers gaat. Is het zo dat wat tijdens Watergate nog als misdaad werd gezien, tegenwoordig gewoon beleid is geworden? Aan de andere kant wordt uit beide films duidelijk in hoeverre Nixon en zijn kornuiten willens en wetens de rechtsgang probeerden te frustreren en hoe amateuristisch ze dit eigenlijk deden. Was een ambtsdrager met dezelfde misdaden dezer dagen wel weggekomen? Even er van uitgaande dat hij of zij even incapabel zou zijn om alles bij tijds onder het vloerkleed te vegen en er ook tegenwoordig ook nog altijd goede speurneuzen rondlopen bij de vrije pers. Voor meer achtergronddetails en een wat gekleurde blik, kan verder ik ook nog de film Nixon uit 1995 aanraden. Afgezien van het feit dat Oliver Stone in die film wederom zijn stokpaardje van de Kennedy-samenzwering berijdt, een goede biopic, met Anthony Hopkins als labiele, alcoholistische hoofdpersoon.

vrijdag 30 augustus 2013

De opgang

Een film die qua onderwerp zeer vergelijkbaar is met Kom en zie, maar qua thematiek en sfeer nogal verschillend is. Dat is Voskhozhdeniye (The Ascent) van Larisa Shepitko uit 1977. Ook deze film gaat over partizanen in Wit-Rusland. Maar deze film is eerder verstild en ingetogen, dan barok en bombastisch. Toch zal ook deze film menig kijker nog lang bijblijven.

De film beschrijft het lot van twee partizanen die met zware keuzes geconfronteerd worden. De mannen, Rybak (Vladimir Gostyukhin) en Sotnikov (Boris Plotnikov) worden gepot door een Duitse patrouille en na een lange vlucht gearresteerd en meegenomen naar een legerkamp. Daar worden ze beide ondervraagd door een agent van de Wit-Russische hulppolitie (Weißruthenische Hilfspolizei), de rechterhand van de Duitsers als het om het opsporen van vijandige elementen ging. Hij stelt beide mannen voor een even simpel als onmogelijk dilemma: je kameraden verraden of sterven. 

Dit geeft eigenlijk al een beetje aan dat deze film het genre van Tweede-Wereldoorlogsfilm weet te overstijgen. De oorlog vormt slechts een achtergrond bij de handelingen van de personages. De film had in principe ook in de Middeleeuwen, de klassieke oudheid of de toekomst gesitueerd kunnen zijn. Uiteraard geeft de setting in de Tweede Wereldoorlog wel een herkenbaar moreel referentiekader aan de kijker en zo dus ook extra diepgang aan de karakters.

Zoals gezegd is het dus in wezen een tijdloos verhaal over verraad en opoffering in een historisch decor. Door dit decor is direct voor de kijker duidelijk dat de Wit-Russische politieagent (meesterlijk gespeeld door Anatoli Solonitsyn, bekend uit de Tarkovsky-producties Andei Rublev, Solaris en Stalker) een in-en-in slecht persoon is, ook al doet hij zich soms vriendelijk voor. Ook is direct duidelijk dat we met de partizanen in principe de goeien voor ons hebben. Dat uiteindelijk de partizanen niet als moreel onkreukbare ridders van de communistische zaak naar voren komen, is wellicht verrassend voor de bevooroordeelde westerling. De film weet de subtiliteiten van de hardvochtige werkelijkheid, die niet zwart-wit was, maar juist door grijs gekenmerkt werd, perfect te verbeelden.

Dat de historische realiteit juist door een fictief, tijdloos drama het best wordt verbeeld, is wellicht niet verrassend. De tragedies van Sofokles en Sheakespeare hebben immers ook vaak een (crypto-)historische basis. En dat zijn bij uitstek werken die eeuwen na dato nog altijd mensen weten te roeren. Wat mij betreft heeft Shepitko een van de zeldzame films gemaakt, die vergelijking de met de grote kunstwerken in de geschiedenis aankan.


Larisa Sheptiko
Behalve het onderwerp, partizanen in Wit-Rusland, is er nog een opvallend verband tussen De Opgang en Kom en zie. De regisseur van de laatste film, Larisa Shepitko. Helaas heeft Shepitko het meesterwerk van haar man nooit mogen aanschouwen, aangezien ze in 1979 op 41-jarige leeftijd bij een auto-ongeluk om het leven kwam.

woensdag 28 augustus 2013

Kom en zie

Na de introductie op de materie in een voorgaand artikel, zal ik in dit artikel nader ingaan op de film Idi i smotri (Come and See) en de context van het fictieve en tegelijk historisch-realistische verhaal dat deze film vertelt over de Tweede Wereldoorlog in Wit-Rusland.

De film is in 1985 uitgebracht in de Sovjet-Unie ter gelegenheid van de viering van 40 jaar overwinning op Nazi-Duitsland. De film is echter allesbehalve triomfalistisch. Bitter en nihilistisch zou de een zeggen, morbide en poëtisch zou een andere interpretatie kunnen zijn. Absurdistisch, realistisch, gruwelijk, confronterend, het zijn allemaal termen die van toepassing zouden kunnen zijn op deze film.

Of de kijker de film positief of negatief beoordeelt, is iets heel persoonlijks. Een ding weet ik echter vrij zeker: het zien van deze film gaat je niet in de koude kleren zitten en zal je wellicht nog lang achtervolgen. Als je snel nare dromen krijgt van films en daar geen prijs op stelt, dan is het eventueel aan te raden deze film te vermijden. Want wat je er ook van vindt, lichtvoetig vermaak is het zeker niet.

Het onderwerp van de film is de strijd tussen Duitse legereenheden en partizanen in Wit-Rusland en de repesailles die de Duitsers op de burgerbevolking uitvoeren. De protagonist is een jongen, ogenschijnlijk nog nauwelijks in de pubertijd, die wordt meegezogen in de wervelwind van de geschiedenis die in zijn omgeving huishoudt. Dat hij er niet zonder kleerscheuren vanaf komt moge duidelijk zijn.

Dat er achter het front partizanen actief waren is wellicht bij meesten wel bekend. Wat minder bekend is, dat dit met name in Wit-Rusland op zo'n grote schaal gebeurde dat de Duitsers er serieus hinder van ondervonden en de Sovjet-propaganda hun daden nauwelijks hoefde te overdrijven. Het landschap van Wit-Rusland, met zijn onherbergzame wouden en moerassen, was dan ook sterk in het voordeel van de partizanen. Die konden met hun terreinkennis en lokale contacten eenvoudig de Duitsers het leven flink zuur maken. Van een Duitse bezettingsmacht was achter de frontlinie nauwelijks sprake en de essentiele verbindingen tussen het front en het achterland, zoals bruggen en spoorwegen, waren dan ook een vrij eenvoudig doelwit.

In de film komen deze acties eigenlijk niet aan bod. Van verheerlijking van de heldendaden van de partizanen is dan ook geen sprake. Hun armzalige bestaan, de constante dreiging van de vijandelijk vuur en de zware interne discipline worden zonder opsmuk in de verf gezet.

Ook de wandaden van de Nazi's worden soms slechts terloops weergegeven. Waarmee ze niet minder indringend worden weergegeven. Integendeel zelfs. Een van de beelden die bij een ieder na het zien van deze film bij zal blijven, is de stapel naakte lijken achter een hut die de naamloze kinderen slechts in een flits zien, als ze in paniek het dorp proberen te ontvlochten.

Verderop in de film wordt het brute geweld juist op bijna barokke manier in beeld gebracht. Hier past wellicht een verwijzing naar het boek dat in mijn voorgaande bericht ook al ter sprake kwam: Bloedlanden van Timothy Snyder. Snyder bepreekt daarin ook de strijd die de Duitsers tegen de partizanen leverde, of liever tegen de burgerbevolking van Wit-Rusland. Want van pogingen de partizanen effectief aan te pakken was in werkelijkheid geen sprake. Er waren achter de linies speciale SS-eenheden actief, in een rol die doet denken aan de Einsatzgruppen die eerder in de oorlog de oprukkende Wehrmacht achterna gingen om Joden uit te moorden. Tegen de tijd dat de partizanenstrijd op zijn hevigst was (en deze film dus gesitueerd moet worden), waren de Joden in Wit-Rusland al vrijwel uitgeroeid of, als ze geluk hadden, gevlucht.

De anti-partizanenacties hadden als doel door vergeldingen de burgers af te schrikken de partizanen van steun te voorzien. In werkelijkheid had de bevolking geen keus, aangezien de partizanen ook niet schuwden geweld te gebruiken als ze trachtten aan eten of andere essentiële goederen te komen. Los van deze realiteit, ging de SS bij elk spoor van verzet over op het uitmoorden van burgers en het afbranden van dorpen. Dit is wat in het tweede deel van de film uitvoerig in beeld wordt gebracht.

Na het zien van deze scenes was mijn gedachte dat sommige details zo bizar waren, dat ze onmogelijk fictief konden zijn. Immers: reality is often stranger than fiction. En Snyder bevestigt mijn vermoedens. Zo is de SS-officier met het halfaapje op de schouder, die de moordpartij goedkeurend aanschouwt, ogenschijnlijk geïnspireerd op de beruchte SS´er Dirlewanger, die tijdens zijn gruweldaden ook een aapje meetorste.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat een van de schrijvers van het scenario van de film, Ales Adamovich, ooggetuige was van de onbeschrijfelijke gruwelijkheden die zich achter het front in Wit-Rusland hebben afgespeeld. Dat Adamovich, samen met regisseur en co-auteur Elem Klimov, er toch in is geslaagd deze onbevattelijke wandaden in beeld en geluid te vatten, is wat mij betreft een historische prestatie van formaat.

dinsdag 27 augustus 2013

De blik uit het Oosten

Het algemene beeld dat mensen in Nederland hebben van de Tweede Wereldoorlog wordt voornamelijk gevormd door de gebeurtenissen in West-Europa tussen mei 1940 en mei 1945. De bezetting, de Jodenvervolging, de bombardementen, Westerbork, D-Day, het verzet, collaboratie, Een Brug te Ver, Auschwitz, Soldaat van Oranje en de bevrijding. Dat dekt qua thematiek wel ongeveer het collectieve geheugen.

Daarnaast is er dan nog de geschiedenis in de Oost. Oost en Zuidoost Azië. Japan, China, Nanjing, Indonesië, Singapore, de Birmaspoorweg, island hopping, Hiroshima, Nagasaki. Voor veel mensen een vergeten bladzijde, voor anderen, om uiteenlopende redenen, een open wond. Hier valt zeker een blog vol over te schrijven, maar daar heb ik helaas de kennis, noch de moed voor.

Het Oostfront in Europa is een essentieel element in de Tweede Wereldoorlog dat, in Nederland in elk geval, wat mij betreft nog te weinig aandacht krijgt. De strijd op leven en dood tussen Nazi-Duitsland en de Sovjet-Unie. Het slagveld waar de beslissing viel. Miljoenen soldaten aan beide kanten gesneuveld en doodgehongerd. Miljoenen burgers vermoord en uitgehongerd. De plek waar de zwartste bladzijden in de geschiedenis van de mensheid geschreven werden. In een aantal vervolg-artikelen zal ik, aan de hand van films uit de Sovjet-Unie, een aantal woorden aan deze materie wijden.

Timothy Snyder noemde het strijdtoneel in Oost-Europa, in zijn gelijknamige boek uit 2010, de Bloedlanden . Zijn diepgravende en gruwelijke historische beschrijving beslaat de periode van 1930 tot de dood van Stalin in 1953. Snyder geeft de achtergrond weer, tegen welke de films die ik later ga bespreken gezien moet worden. Twee totalitaire regimes, die niet op een mensenleven meer of minder kijken, in directe confrontatie met elkaar.

Het boek van Snyder brengt enkele vergeten hoofdstukken van de Tweede Wereldoorlog aan het licht. Een aantal daarvan hebben specifiek betrekking op de filmbesprekingen in mijn volgende blogposts. Los daarvan is het een boek dat ik, onlangs de afschrikwekkende inhoud, een ieder aan kan raden die geïnteresseerd is in de Tweede Wereldoorlog of beter de duistere kant van de mensheid probeert te begrijpen.

Als het om het Oostfront gaat, is de algemeen ontwikkelde buitenstaander meestal wel van een paar  zaken op de hoogte. Operatie Barbarossa, de Slag bij Stalingrad, de Slag bij Kursk, de Slag om Berlijn. Zeker Stalingrad en Berlijn hebben de laatste jaren flink in de belangstelling gestaan, met name door de boeken van Antony Beevor, films als Der Untergang en het verschijnen van Leven en Lot van Vassily Grossman in het Nederlands.

Het belang van het Oostfront vanuit een  puur militair-historisch perspectief wordt tegenwoordig ook algemeen erkend. De militaire overzichtsgeschiedenissen van Andrew Roberts en wederom Antony Beevor schenken veel aandacht aan het oostelijk strijdperk en stellen beide dat het daar was dat Duitsland de oorlog verloor. Ook in Amerika dringt langzamerhand het besef door dat wellicht de VS de uiteindelijk zege aan de Sovjet-Unie te danken had en niet andersom, zie bijvoorbeeld de recente documentaire-serie Oliver Stone's Untold History of the United States.

Het is derhalve ook niet verwonderlijk dat er ook in Sovjet-Unie nogal wat films over de Tweede Wereldoorlog zijn gemaakt en dat de meeste daarvan de strijd aan het Oostfront als onderwerp hebben. Met onze westerse vooroordelen zouden we wellicht verwachten dat deze films een geïdealiseerd beeld schetsen van de heldhaftige strijd van de gewone arbeiders, boeren, en kameraden tegen de fascistische vijand in de Grote Patriottische Oorlog. Dit clichébeeld gaat wellicht op voor het grootste deel van de films, net zo goed als de meeste Hollywood-producties over de Tweede Wereldoorlog een sterk propagandistisch karakter hebben. Maar de vooringenomenheid mag geen reden zijn om de Sovjet-oorlogsfilm daarom maar helemaal links te laten liggen. Er zitten namelijk wel degelijk parels tussen, waarvan ik enkele voorbeelden nader zal brspreken. Na deze wijdlopige introductie zal ik in een volgende post allereerst de film Idi i Smotri (Come and See) van Elen Klimov uit 1985 behandelen.

donderdag 15 augustus 2013

De slechtste film sinds de de val van het Derde Rijk

Een film die mij letterlijk deed walgen. En dan niet letterlijk in de figuurlijke zin, zo als zo vaak abusievelijk gesteld wordt heden ten dagen, maar letterlijk.

Een film die verheerlijking van moorddadig en sadistisch geweld naar een ongekend hoog plan tilt.

Een film die associaties met de meest gewelddadige en misdadige regimes oproept, ook al is schrijver dezes zich bewust van de almaar verslappende kracht van zulke vergelijkingen. Maar deze film vraagt er nou eenmaal om in zo'n perspectief geplaatst te worden.

Los van de evidente morele en ethische punten die in de bespreking naar voren komen, is het ook gewoon een hele slechte film. Een buitengewoon onsamenhangend script, een overvloed aan overbodige verwijzingen naar andere films, puberale pogingen tot humor en satire, vermoeiend saaie scenes vol overtollige en ridicule dialogen en enkele legendarisch slechte acteerprestaties. Oké, er zijn één of twee acteurs die een goede vertolking van hun rol ten besten geven, maar dat weet de film helaas niet te redden.

Voor degenen die dat nog niet hebben weten te raden, heb ik het natuurlijk over Inglourious Basterds van Quentin Tarantino. Ik wil op deze plaatst even zeggen dat beslist geen Tarantino-hater ben, althans dat was ik niet voordat ik deze toch wel misdadig slechte film zag.

Het valt te verdedigen dat mijn negatieve opvatting het gevolg is van mijn potentiële persoonlijke evolutie van post-modernist naar moralist. Zover zou ik zelf niet willen gaan, maar het valt te zeggen dat een absolute nihilist met een voorliefde voor visueel geweld wellicht minder problemen met deze film zou hebben. 

Het lijkt me vooral dat Tarantino bij het maken van deze film elke balans tussen cinema en post-modernisme uit het oog is verloren. De film is zoals gezegd voorzien van een overdaad aan verwijzingen naar al-dan-niet klassiek films en filmmakers. Het eigenlijke verhaal met een groep Joodse paramilitairen gezind op wraak en een eveneens wraakzuchtigh Joods meisje als protagonisten en daar tegenover een sadistische SS'er en de gehele top van Nazi-Duitsland is te bizar voor woorden. Maar een zeer bizar verhaal hoeft een goede film niet in de weg te staan. Integendeel, zou ik haast zeggen. In dit geval zijn de slechte plot en de santekraam aan absurde karakters elementen die de film zo slecht maken als die is.

Los van het morele oordeel, ben ik dus van mening dat het een langdradige vervelende film is, die tevergeefs probeert op de lachspieren van de kijker te werken. Persoonlijk vind ik het walgelijke aan deze film dat de protagonisten ongeneerd moordadig zijn. Ik ben mij bewust van de rijke traditie aan slasher- en spatterfilms, waardoor geweld in films enigszins gedemoraliseerd is voor velen. Maar juist doordat deze film het geweld in de context van de Tweede Wereldoorlog plaatst, in onze cultuur toch een eikpunt moreel en ethisch verderf, begeeft Tarantino zich op zeer glad ijs.

Het moorddadig geweld wordt als vermaak gebracht. Moedwillige verminking en marteling en brute moorden, worden tonge-in-cheek en voorzien van bon mots vanuit divers hoeken in beeld gebracht. Binnen het oevre van Tarantino is dit uiteraard niks nieuws, het is zijn handelsmerk. In zijn eerdere films had ik zelf weinig moeite ermee. Het feit dat deze film een quasi-historische setting heeft, maakt het geweld een stuk minder waardevrij. Daarbij is dat de film de traditionele rollen binnen Tweede-Wereldoorlogfilms omgedraaid. Zo zijn het nu de Joden die een ruimte vol Nazi's afgrendelen afbranden en wie poogt te ontsnappen wordt neergeschoten. Deze overduidelijke filmische verwijzing naar de moordpartijen van Einzatsgruppen en andere SS-eenheden op de Joodse, Poolse en Wit-Russische bevolking maakte mij eerlijk gezegd misselijk. Wellicht ben ik te gevoelig, maar ik vond dit eigenlijk niet kunnen. En wellicht dat dit een scene was die uiteindelijk ooit eens gemaakt zou moeten worden, maar voor mij had het niet gehoeven.

Uiteraard zou een advocaat van de duivel in kunnen brengen dat de film een satirische kritiek is op onze maatschappij die geweld verheerlijkt. Ik ben het daar niet mee eens, omdat het volgens mij juist deze film is die zelf model staat voor de verheerlijking van geweld binnen de popcultuur. En ik zie geen aanwijzingen binnen de film voor zelfkritiek, afgezien wellicht van de bizarre proporties die het geweld aanneemt. 

Een ander punt ter verdediging van de film zou kunnen zijn dat de omkering van rollen een ander licht op materie werpt. Maar wat mee betreft neemt deze film op geen enkele wijze de complexe materie van de historische werkelijkheid serieus, dus van een serieus ander licht op de Tweede Wereldoorlog is wat mij betreft in de verste verte geen sprak

Al met al om diverse redenen in elk geval de slechtst oorlogsfilm die ik ooit heb gezien. Zelfs een buitengewoon matig misbaksel als "The Battle of the Bulge" is in vergelijking nog een alleszins behoorlijke film. Als tegenwicht voor deze abjecte Amerikaanse rotzooi zal ik in de komende artikelen een paar onderbelichte oorlogsfilms uit de Sovjet-Unie bepreken.