Posts tonen met het label geschiedenis. Alle posts tonen
Posts tonen met het label geschiedenis. Alle posts tonen

woensdag 31 oktober 2018

Het vergeten front in de wolken

Dezer dagen is het een eeuw geleden dat de Eerste Wereldoorlog ten einde kwam. Een tragische periode die vaak synoniem wordt geacht met de loopgraven van Noord-Frankrijk en West-Vlaanderen. Maar er werd uiteraard op meer fronten strijd geleverd. Vorige zomer maakte ik gedurende mijn verblijf in Slovenië een bergwandeling naar de letterlijk omstreden toppen Batognica en Krn, die onderdeel waren van het Isonzofront.

Het Isonzofront 1915-1917.
De wandeling was bij de groene stip

Dit front werd actief toen Italië in 1915 zich aansloot bij de Entente en ten strijde trok tegen Oostenrijk-Hongarije. Net als aan het westelijk front verzandde de strijd al snel in een bloedige patstelling rond de oevers van de rivier de Soča (Isonzo in het Italiaans). Tegenwoordig ligt het strijdtoneel grotendeels in Slovenië, dicht bij de grens met Italië, ten noordoosten van Venetië. Het front is bij sommigen wellicht bekend als de setting voor de roman A Farewell to Arms van Ernest Hemingway, hoewel de hoofdpersoon in het boek niet veel noordelijker dan Gorizia komt.

De frontlinies liepen van de Adriatische kust via het Karstplateau, Gorizia en het dal van de Soča tot hoog in de Julische Alpen. In de Eerste van Slag om de Isonzo (er zouden er nog elf volgen) slaagden de Italianen er in enige prominente toppen van het laatstgenoemde massief te veroveren. Maar de Oostenrijkse troepen wisten zich te handhaven in de omliggende bergen. Zo ontstond een van de meest hooggelegen slagvelden van de Grote Oorlog. Waar ruim twee jaar lang, zomer en winter, de soldaten niet alleen tegen elkaar vochten, maar ook de elementen moesten zien te trotseren.

De Soča
Komend vanuit het zuiden volgden we het dal van de Soča stroomopwaarts tot aan Kobarid (ook bekend als Caporetto, waar de Italianen in 1917 een nederlaag leden die ze nooit vergeten zijn). We wierpen een blik op de fraaie kloof die de hemelsblauwe rivier in het landschap uitgesleten heeft en reden over de oostelijke flanken van het dal naar de berghut Koča na planini Kuhinja op circa 1000 meter hoogte. Daar konden we genieten van het uitzicht en de lokale culinaire specialiteiten en zodoende ons in alle rust voorbereiden voor inspannende voettocht die ons de volgende dag wachtte.

Uitzicht vanuit de berghut
We stonden vroeg op, ontbeten, vulden onze waterflessen en gingen op pad. De Julische Alpen bestaan grotendeels uit kalksteen en het landschap wordt gekenmerkt door karst. Al het grondwater zakt weg en daardoor zijn er nauwelijks bergbeekjes of bronnen waar je je dorst zou kunnen lessen. Al het benodigde drinkwater moet je dus meetorsen. De kalkrijke ondergrond zorgt ook voor een bijzondere flora, met een significant aantal endemische soorten.

Aconitum angustifolium
Campanula zoysii

Langzaam maar zeker liepen we omhoog over de alpenweiden tot we na Planina Leskovca aan de voet van de bergwand uitkwamen. Vanaf daar ging het pad steil omhoog door een smal dal tussen twee toppen. De zon was ondertussen vanachter de bergen tevoorschijn gekomen waardoor we boven bij het bergmeertje Lužnica onze eerste welverdiende pauze konden inlassen. Het landschap werd steeds witter. Het gras ging over in kalksteen, hoewel er nog steeds een keur aan bloemen tussen de rotsen te vinden was. We liepen nu door een dramatisch dal langs de voet van de Vrh nad Peski richting het smalle plateau van Batognica. De wolken daalden langzaam op ons neer en zo nu en dan kwamen we al de eerste verroeste voorwerpen tegen die ons herinnerden aan de gebeurtenissen van een eeuw terug: granaatscherven en kogels.

De top van Vrh nad Peski doemt op uit de wolken

De korte klim naar Batognica bracht ons in een soort archeologisch openluchtmuseum. Overal  prikkeldraad, granaatscherven en resten van bouwsels en schuilplekken. Terwijl de nabijgelegen top Krn in 1915 door de Italianen veroverd werd, hielden de Oostenrijkers stand op Batognica. De frontlijn kwam daardoor op ruim 2100 meter hoogte te liggen. Op een rustige dag in juli was het al een beetje frisjes, dus het is nauwelijks voor te stellen dat soldaten ook gedurende de winter hier de frontlijn moesten bemannen. In de eerste winter aan het front was de bevoorrading ook nog eens nog niet op orde, waardoor de zogenoemde weiße Tod voor velen een onvermijdelijk lot bleek. Pas in de loop van 1916 werd door de Oostenrijkers een kabelbaan gebouwd, waardoor de situatie ietwat verbeterde.

Potentilla nitida met prikkeldraad in de achtergrond
Als ik het goed begrepen heb, was de westelijke kant van Batognica in handen van de Italianen (een animatie van het front is hier te zien, Oostenrijk-Hongarije is blauw, Italië rood). Frontale aanvallen op de Oosternrijkse linies bleken al snel vruchteloos, dus begonnen de Italianen de berg te ondermijnen. Het doel was simpelweg de Oostenrijkse posities te ondergraven en vervolgens met explosieven op te blazen. Ze slaagden er in een aantal van deze mijnen tot ontploffing te brengen, maar het was niet genoeg om de Oostenrijkers uit hun posities te verdrijven. Naar het schijnt is de berg hierdoor wel een paar meter lager dan voor de oorlog. Als gevolg van de smadelijke nederlaag bij Caporetto werden de Italianen in de herfst van 1917 van de bergen gejaagd. Even leek het er toen op dat oorlog op dit front ten einde was, maar uiteindelijk trokken de Italianen in 1918 toch aan het langste einde. Het was echter een pyrrusoverwinning, die aan beide zijden honderdduizenden slachtoffers had geëist.
 
We daalden Batognica af aan westelijke zijde. Het pad was uitgehouwen in de bergwand en liep vlak langs de honderden meters diepe afgrond. In de rotsen waren verscheidene openingen in de rotsen te zien. Vermoedelijk waren dit een soort bunkers of wellicht dienden ze als ingang tot een van de vele tunnels. Het pad zelf was duidelijk met militaire precisie aangelegd als onderdeel van de Italiaanse frontlinie. Het laatste gedeelte van de afdaling ging over een steile rotstrap naar de pas Krnska škrbina, de pas van Krn.

Krnska škrbina, met grotten en verroeste artillerie
Vanaf de pashoogte vervolgden we onze weg naar de top van Krn (in het Italiaans bekend als Monte Nero). Hier belemmerde het wolkendek het zicht echter danig. De hellingen waren ook hier nog bezaaid met roestig prikkeldraad. We liepen eerst naar de berghut Gomiščkovo zavetišče vlak onder de top en bestegen zo vanaf de westkant de laatste honderd meter hoogteverschil. Boven gekomen brak de hemel enigszins open, hoewel het beloofde Alpenpanorama zich niet openbaarde. Gelukkig hingen de wolken alleen rond de top, zodat we weer van het uitzicht konden genieten zodra we de berghut tijdens de afdaling gepasseerd waren.

De afdaling ging over de het brede pad dat de Italianen hadden aangelegd om hun troepen op de berg vanuit de Soča-vallei te kunnen bevoorraden. Langzamerhand werden de bergweiden weer groener en bloemrijker en al snel kwamen we de eerste rustig grazende koeien tegen. Na een paar uur rustig wandelen kwamen we weer bij ons startpunt uit en konden we tevreden terugkijken op een indrukwekkende tocht. De route van de wandeling is hier te vinden, wij liepen alleen in omgekeerde richting. 

De berghut Gomiščkovo zavetišče, vlak onder de top van Krn

woensdag 29 november 2017

Tradities in verandering

Het is weer bijna december en in Nederland is het dus weer tijd voor de inmiddels jaarlijkse discussie aangaande het fenomeen Zwarte Piet. Ik heb me in het verleden al een paar keer expliciet over deze kwestie uitgesproken en daar sta ik nog altijd achter. Ik wil me nu vooral richten op een van de belangrijkste argumenten die de voorstanders van Zwarte Piet gebruiken: Zwarte Piet is nu eenmaal traditie. Waarmee geïmpliceerd wordt dat tradities per definitie onveranderlijk zijn. Dit is mijns inziens onjuist.

Ik wil niet ontkennen dat Zwarte Piet een traditie is, maar tradities zijn een stuk minder onveranderlijk dan veel mensen denken. Een goed voorbeeld is Koninginnedag of liever Koningsdag, zoals het sinds 2014 heet. De traditie om de verjaardag van het regerend staatshoofd te vieren is al oud, maar de invulling van de feestdag is in de loop der jaren nogal veranderd. De bierdrinkende menigtes die heden ten dage menig stadscentrum bevolken op 27 april, zijn een relatief recent verschijnsel. Vroeger ging het er in het algemeen wat bedeesder en plechtstatiger aan toe, neem nou het traditionele bloemendefilé uit 1969:



Eén van mijn favoriete klassieke clichés is panta rhei. Heraclitus wist al dat alles vloeit en aan verandering onderhevig is. Ook de dingen die op het eerste gezicht onveranderlijk lijken te zijn. En zo zijn ook tradities constant in flux.

Ik wil niet per se beweren dat alle veranderingen per definitie ten goede zijn. Velen zullen wel hebben gemerkt dat vele (online-) winkeliers tegenwoordig aan Black Friday doen, een uit Amerika overgewaaid fenomeen dat inmiddels ook in Europa traditionele vormen begint aan te nemen. Met Thanksgiving hebben we in de hier niets, maar lekkere kortingen de dag erna vinden blijkbaar wel gretig aftrek. En daarmee zijn we ongevraagd een dag rijker waarop de hoogmis van het consumentisme gevierd dient te worden. Maar dit terzijde.

Aangezien tradities meestal aan ongeschreven regels gebonden zijn, is het vaak onduidelijk wie deze regels voorschrijft. Wie bepaalt dat Zwarte Piet niet meer Zwart mag zijn? De koning, het grootkapitaal, het college van B&W, de staatsomroep, de culturele elite of Jan met de Pet? Ik zou zeggen dat dit idealiter een kwestie van algehele consensus zou moeten zijn. Maar die consensus is er helaas niet en derhalve is deze heikele kwestie voer voor een hoogoplopend nationaal debat geworden.

Voorlopig lijkt dit debat nog lang niet uitgewoed. En wat de uitkomst ook zal zijn, een status quo ante bellum lijkt mij zeer onwaarschijnlijk. De verandering lijkt immers al ingezet en ik durf de voorspelling wel aan dat er geen weg terug is. Of je het nou leuk vindt of niet, ook Sinterklaas zal met zijn tijd mee gaan.

maandag 13 november 2017

Padua, in het voetspoor van Goethe

Gedurende mijn verblijf in Padua las ik een reisverslag van een andere noordeling die ruim tweehonderd jaar geleden Italië aandeed. Goethe was in 1786 vanuit Frankfurt op weg naar Rome. Hij nam de route over de Brennerpas en zijn eerste reisdoel was Venetië. Zo kwam hij dus ook langs Padua, waar hij een dag of twee verbleef.

Padua was eind achttiende eeuw vooral befaamd vanwege de gerenommeerde universiteit. De eeuwenoude academie maakte op Goethe echter een belabberde indruk:
>Das Universitätsgebäude hat mich mit aller seiner Würde erschreckt. Es ist mir lieb, daß ich darin nichts zu lernen hatte.
Er was een aspect van de universiteitsstad dat de geleerde Duitser wel kon bekoren, de botanische tuin:
Der botanische Garten ist desto artiger und munterer. Es können viele Pflanzen auch den Winter im Lande bleiben, wenn sie an Mauern oder nicht weit davon gesetzt sind. Man überbaut alsdann das Ganze zu Ende des Oktobers und heizt die wenigen Monate. Es ist erfreuend und belehrend, unter einer Vegetation umherzugehen, die uns fremd ist.  
Gelukkigerwijs is de botanische tuin zoals Goethe die bezocht, vandaag de dag ook nog te bewonderen. Het is de oudste botanische tuin ter wereld en tevens UNESCO werelderfgoed. De oudst nog levende plant is de zogeheten Goethepalm. Deze, inmiddels tot hoge struik uitgegroeide, Europese dwergpalm is in 1585 geplant en is daarmee even oud als de tuin zelf.


De botanische tuin, met de Goethepalm in een speciaal gebouwde kas
De palm wordt niet expliciet in de Italienische Reise vermeld, maar dankt zijn naam aan de passage die Goethe er in zijn Geschichte meines botanischen Studiums wijdt. De observaties die hij maakte aangaande deze boom, zouden dienen voor zijn latere studie Versuch die Metamorphose der Pflanzen zu erklären (1790), een van zijn meer invloedrijke natuurwetenschappelijke publicaties. Het voert te ver om precieze inhoud en context van dit werk te bespreken (zie hier), dus laat ik mij beperken door te vermelden dat ene Charles Darwin het met aandacht heeft gelezen.

De idee dat alle planten naar een soort archetypische Urpflanze zijn gemodelleerd, speelde al in Italië door het hoofd van Goethe (zie hier voor meer interessante achtergrondinfo). Juist bij het beschouwen van de ongekende floristische verscheidenheid van de tuin in Padua, raakt hij van de gedachte doordrongen dat alle planten wellicht een gemeenschappelijke vorm hebben van waaruit ze zich ontwikkeld hebben:
Hier in dieser neu mir entgegentretenden Mannigfaltigkeit wird jener Gedanke immer lebendiger, daß man sich alle Pflanzengestalten vielleicht aus einer entwickeln könne.
De Goethepalm is een van de pronkstukken van de tuin, die ook zijn oorspronkelijke indeling en architectuur nog heeft behouden. Naast het historische gedeelte van de tuin is er op een kleine, doch respectvolle afstand, ook een grote, moderne kas. Hierin zijn verscheidene tropische biotopen herschapen en wordt de bezoeker op educatieve wijze ingelicht over de ongekende verwoesting die de mens op Aarde zo her en der aanricht.


De tropische kas van binnen
De kas van buiten, met de basiliek van Santa Giustina op de achtergrond

Goethe was natuurlijk van alle markten thuis en in Italië ging zijn aandacht begrijpelijkerwijs vooral uit naar het alomtegenwoordige culturele erfgoed. In de Italienische Reise worden vele kunstwerken van naam uitvoerig door hem becommentarieerd. Zoals elke kritische toerist, heeft ook Goethe een bewuste selectie gemaakt uit het cultuuraanbod. De keuzes die hij maakt reflecteren zijn persoonlijke voorkeuren en de tijdgeest. In de Veneto schrijft hij met verve over het oeuvre van Palladio, een bouwmeester die hem na aan het hart lag en in de achttiende eeuw helemaal in de mode was.

Maar het kwam ook voor dat Goethe qua smaak zijn tijd vooruit was. In Padua bezocht hij onder meer de Eremitani-kerk, met de fresco's van Andrea Mantegna in de Ovetari Kapel. Goethe was uiterst lovend over het werk van de meester uit de vijftiende eeuw:
In der Kirche der Eremitaner habe ich Gemälde von Mantegna gesehen, einem der älteren Maler, vor denen ich erstaunt bin. Was in diesen Bildern für eine scharfe, sichere Gegenwart dasteht!
In de voetnoten van mijn editie vermeldt Herbert von Einem dat deze roem opmerkelijk is en in schril contrast staat tot de hoon die Mantegna in de tijd van Goethe meestal ten deel viel:
Goethes Bemerkungen über Mantegna sind von hohem kunstgeschichtligem Wert. Während sein Führer Volkmann die Fresken noch als "gotisch und sehr maniriert" aburteilt, hat Goethe die eigenwürchsige Kraft Mantegnas und die geschichtlige Bedeutung seiner Kunst klar erkannt.
Helaas kon ik het meesterwerk niet in volle glorie aanschouwen, want juist de Ovetari-kapel is verwoest tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het grootste deel van Padua is oorlogsgeweld bespaard gebleven, maar een Amerikaans bombardement gericht op nabijgelegen Duitse barakken trof op 11 maart 1944 de Eremitani-kerk.

Sinds die tijd is de kerk weer heropgebouwd en heeft men aan de hand van teruggevonden fragmenten het fresco met pijn en moeite weer enigszins gereconstrueerd. Het werk is vooral van belang vanwege de revolutionaire toepassing van perspectief, met name in de scene die het martelaarschap van Sint-Jacob verbeeldt. Doordat de leegtes tussen de fragmenten door een zwart-wit reproductie worden opgevuld, is het meesterschap van Mantegna nog altijd te bewonderen.


Het martelaarschap van Sint-Jacob in de Ovetari Kapel
Zoals ik de vorige keer schreef, waren de fresco's van Giotto in de Scrovegni Kapel voor mij de voornaamste aanleiding om Padua te bezoeken. Goethe laat dit werk opvallend genoeg in geen van zijn geschriften de revue passeren en heeft het dus waarschijnlijk dan ook niet gezien. Von Einem vindt dat, met rede, eeuwig zonde:
Es ist tief bedaurlich, daß Goethe eine ähnlich starke persönliche Begegnung in der Cappella dell' Arena mit Giottos berühmten Fresken versagt geblieben ist.
Waarschijnlijk is deze omissie te wijten aan de relatief geringe statuur die het werk van Giotto in de achttiende eeuw had, hoewel Goethe hem wel degelijk enige malen in zijn geschriften bij name noemt. Dus helemaal vergeten was hij zeker niet. Maar van de roem die Giotto bij leven toekwam, was niet veel meer over.

Voor Goethe was het bezoek aan Padua niet veel meer dan een aangenaam en inspirerend oponthoud op weg naar Venetië. Daar kon hij zich verbazen over de wonderbaarlijke handelsstad gebouwd midden in de Lagune. Goethe had het voorrecht als een van de eerste echte toeristen de laatste ademteugen van de Venetiaanse Republiek vast te leggen. Tien jaar later maakte Napoleon een definitief einde aan La Serenissima. Voor mij was Venetië een brug te ver deze zomer. Wellicht dat ik in het laagseizoen ooit eens een poging waag, maar vooralsnog schrikt het overweldigende massatoerisme mij af.


De route die Goethe tussen 1786 en 1788 door Italië volgde

maandag 30 oktober 2017

Padua, een korte confrontatie met Giotto

Deze zomer bracht mij voor het eerst in lange tijd weer naar Italië. Waar ik in vroeger tijden verscheidene keren Toscane had aangedaan, wachtten nu de uitgestrekte vlaktes van de Veneto. Het eigenlijke doel van mijn reis was het westen van Slovenië (waarover later wellicht meer). Maar aangezien mijn vlucht mij naar de luchthaven van Venetië bracht, besloot ik eerst een paar dagen in het Padua door te brengen.

Venetië vanuit het vliegtuig

Waarom Padua? Een woord: Giotto. In Toscane en Rome heb ik in voorgaande jaren al verscheidene hoofdwerken uit de schilderkunst van de Renaissance mogen bewonderen, maar er was in mijn ogen nog een allergrootste omissie. En dat was de vermaarde Scrovegni Kapel in Padua. En waarom dan niet Venetië, toch ook een van de centra van de Renaissance? Tja, tussen droom en werkelijkheid staan praktische bezwaren. Venetië is in juli een van de plaatsen waar ik nou niet bepaald wil zijn. De globale toerisme-apocalyps in uitvoering. Duur en verschrikkelijk druk.

Padua is daarentegen een relatief slaperige universiteitsstad, waar het in de zomer opvallend rustig is. En gezegend met een grote goed bewaarde Middeleeuwse binnenstad met vele interessante bezienswaardigheden. Waarvan de Scrovegni Kapel dus het onvermijdelijke klapstuk is. De kapel is overigens ook wel bekend als de Arena Kapel, dit omdat hij gesitueerd is naast de ruïnes van een Romeins amfitheater.

De Scrovegni Kapel, met restanten van de Romeinse arena links

De kapel is gebouwd in opdracht van Enrico Scrovegni, een rijke lokale bankier. Hoewel bankier wellicht een te neutrale term is. De ziel van Enricos vader Reginaldo wordt door Dante in de zevende cirkel van de hel geplaatst, als zijnde een berucht woekeraar. Zoonlief vond het blijkbaar nodig de zondes van het familiebedrijf af te kopen met een kapel, grenzend aan het (niet bewaard gebleven) stadspaleis van de Scrovegni's.

Voor de decoratie van de ruim bemeten kapel nam Enrico niet de eerste de beste in dienst. Zoals het een patserige parvenu betaamt, spaarde hij kosten noch moeite en gaf hij de opdracht aan de schilder die op ieders lippen lag en de meest modieuze kunst van zijn tijd produceerde. Giotto had reeds in Assisi en aan het pauselijk hof in Rome gewerkt en was wellicht de eerste kunstenaar sinds de oudheid was die bij leven een landelijke beroemdheid was. Hij beschilderde tussen 1303 en 1305 (samen met zijn assistenten) de muren en gewelven volgens een nauwkeurig uitgedacht schema, met onder meer scènes uit het leven van Jezus en Maria.

Scènes uit het leven van Jezus
Overigens komt ook Giotto in de Goddelijke Komedie (geschreven vrij kort na de voltooiing van de kapel in Padua) voorbij. In een passage in het vagevuur (XI, 91-96) mijmert Dante over de vergankelijkheid van de roem. Waar eerst Giotto's leermeester Cimabue de scepter zwaaide, is deze nu door zijn pupil in naam en faam reeds lang voorbij gestreefd. Faam die wellicht toch niet zo vergankelijk was als Dante dacht, want ruim 700 jaar later geniet Giotto nog altijd een zekere beroemdheid.

Wat was er dan zo belangwekkend aan zijn schilderingen, dat juist Giotto niet vergeten is en het overgrote deel van zijn tijdgenoten wel? Wel nu, Giotto wordt vaak, terecht of niet, als een soort aartsvader van de Renaissance beschouwd. De fresco's in de Scrovegni Kapel zijn het best bewaarde en het meest omvangrijke met zekerheid aan Giotto toegeschreven werk en deze worden vaak als een keerpunt in westerse kunstgeschiedenis gezien. De formalistische byzantijnse stijl, die tot dan toe ook de westerse schilderkunst domineerde, maakt hier plaats voor een meer naturalistische stijl.
[Uiteraard is dit een ietwat vereenvoudigde verklaring en het valt te zeggen dat de trend richting naturalisme al eerder was ingezet en Giotto eerder trendvolger dan trendbreker was.]

De bewening van Christus, waarschijnlijk de beroemdste scène van de cyclus
Binnen de byzantijnse traditie worden scenes uit de bijbel binnen een strikt vaststaand patroon afgebeeld en is er weinig relatief ruimte voor persoonlijke interpretaties van de kunstenaar. Giotto had ogenschijnlijk lak aan deze versteende conventies en presenteerde in de Scrovegni Kapel een hele eigen artistieke weergave van de Bijbelverhalen. Hij streefde naar een zo natuurlijk mogelijk weergave van de verschillende scenes en presenteerde de Bijbelse personages als mensen van vlees en bloed met menselijke emoties. Zijn aanpak was, op zijn zachtst gezegd, invloedrijk en hij kreeg al snel vele navolgers.

De Scrovegni Kapel maakt tegenwoordig onderdeel uit van het gemeentelijke museale ensemble Musei Civici di Padova en toegang is streng gereguleerd. Je moet vooraf bespreken en wordt dan met een kleine groep 15 minuten in de de kapel gelaten. Dat is natuurlijk eigenlijk wat te kort om het grootse Gesamtkunstwerk op je in te laten werken, maar de beheerders beweren dat het noodzakelijk is uit conservatie-oogpunt. De korte ervaring is desalniettemin indrukwekkend en overweldigend, naar mijn bescheiden mening.

In Padua is natuurlijk nog wel een stuk meer te zien. Maar daar zal ik nu niet veel verder over uitweiden. Het is zoals in elke Italiaanse stad ook uitstekend culinair genieten, zeker als je de betere kleine restaurants in de achterafstraatjes van het oude centrum weet te vinden. Padua trekt al eeuwenlang toeristen, al waren het vroeger meestal welgestelde heren die Italië op hun grand tour aandeden. Volgende keer zal ik mijn licht laten schijnen op de ervaringen in Padua van wellicht de bekendste Italiëganger. Dan zal ook blijken dat Giotto in de tijd van Goethe helemaal niet over onvergankelijke roem leek te beschikken. Dante had het dus niet helemaal bij het verkeerde eind.

Het Laatste Oordeel

woensdag 20 augustus 2014

Naar de grens

Een reis naar Korea was voor mij niet compleet zonder een bezoek aan de Demilitarized Zone (DMZ), die het schiereiland al ruim 60 jaar in noord en zuid verdeelt. Zowel vanuit de noordelijke Democratische Volksrepubliek Korea als vanuit de zuidelijke Republiek Korea is deze grenszone voor toeristen met een georganiseerde tour te bezoeken. En aangezien ik enkele dagen in Seoul zou verblijven, had ik van tevoren een dagtour naar langs de verscheidene hoogtepunten van deze befaamde grenszone geboekt. Er zijn eigenlijk opvallend weinig restricties om aan zo'n tour deel te nemen: je mag geen staatsburger van Korea of een niet-vriendschappelijke natie zijn, je moet je uiterlijk vier dagen van tevoren opgeven en betalen, je moet je paspoort meenemen, je mag geen aanstootgevende kleding dragen en je moet de aanwijzingen van de gidsen opvolgen.

De tour vertrok 's ochtends in alle vroegte met een volle bus vanaf de USO-compound in hartje Seoul. De ochtendspits kwam al op gang, maar het was vooral richting het centrum, terwijl wij uiteraard koers zitten richting de ommelanden en dus goed op konden schieten. De reis voerde langs de noordoever van de Han-rivier en al gauw kon ik de eerste hekwerken en wachtposten van het Zuid-Koreaanse leger waarnemen. Hoe dichter we de Zone naderden, hoe frequenter en opvallender de militaire aanwezigheid.

Militaire roadblock op weg naar de DMZ.

Na ruim een uur rijden kwam de bus aan bij de Amerikaans-Koreaanse basis Camp Bonifas, aan de zuidrand van de DMZ. Daar nam onze Koreaanse gids tijdelijk afscheid van ons en kregen we een korte, propagandistische briefing van een niet al te snuggere Amerikaanse infanterist over de lokale geopolitieke stand van zaken. Deze soldaat (afkomstig uit de Deep South) was samen met een collega rekruut ook onze gids binnen de zogeheten Joint Security Area (JSA). Dit was het enige onderdeel van de tour waar we daadwerkelijk binnen de DMZ waren en waar we uiteindelijk zelfs een paar meter over de streep in Noord-Koreaans grondgebied mochten vertoeven. In de JSA gelden allemaal strenge regels, met name ten aanzien van fotografie en onze militaire begeleiders hadden dan ook grote moeite om alle schietgrage toeristen in toom te houden.

Toeristen betreden de barakken die over de grens tussen Noord- en Zuid-Korea zijn gebouwd.

Het ging er allemaal behoorlijk routinematig aan toe. Er wordt tijdens de korte tour door de JSA een strak schema gevolgd, waar absoluut niet van afgeweken mocht worden. Je wordt eerst opgesteld op een soort podium, krijgt wat uitleg over wat je allemaal om je heen ziet en dan mag je een van de barakken een tiental minuten in. In de barak kun je de jure Noord-Koreaans grondgebied betreden, omdat het vroeger de plek was waar delegaties uit Noord en Zuid elkaar troffen voor onderhandelingen en zodoende precies over de grens is gebouwd. Nadat je na een paar minuten met een vrij grote groep in een vrij kleine barak hebt gestaan en je, strak in het gelid, weer naar buiten gedirigeerd bent door de soldaten, gaat de hele groep weer de bus in en wordt je langs nog een aantal andere bezienswaardigheden/curiositeiten van de JSA gevoerd.

Zicht op de Democratische Volksrepubliek Korea.

Eerst wordt de hele groep weer uitgeladen bij een uitzichtpunt richting Propaganda Village (aldaar bekend als Peace Village of Kijong-dong, 평화리) in Noord-Korea, dat voornamelijk bekend is vanwege de gigantische vlaggenmast. Een stellage die vermoedelijk uiting geeft aan de onderlinge penisnijd tussen Noord en Zuid. Ten zuiden van de grens is namelijk een gelijkaardig, doch net iets kleiner, fallussymbool opgericht. Overigens was het ten strengste verboden foto's te maken van objecten die zich aan de zuidzijde van de demarcatielijn bevonden. Plaatjes schieten van alles wat los en vast stond was prima zolang het zich maar in Noord-Korea bevond, maar als je je fototoestel richting het zuiden richtte, kon je op zijn minst een scheldkanonnade en niet mis te verstane dreigementen van de Amerikaanse chaperons verwachtten. Vanuit de bus kregen we verder nog de Bridge of No Return en de locatie van het Axe murder incident te zien. Smullen dus voor de connaisseurs van de meer obscure episodes uit de twintigste eeuwse geschiedenis. De bus reed daarna, door de mijnenvelden en de tankgreppels die de grens van de DMZ aan zuidelijke zijde vormen, weer terug naar Camp Bonifas, waar je snuisterijen in de souvenirwinkel kon kopen en nog een propagandistisch museum over de geschiedenis van de JSA en de DMZ kon bezoeken. De taak van de Amerikaanse militairen ("voorkomen dat de onnozele toeristen geen Derde Wereldoorlog veroorzaken") zat er toen op en de Koreaanse gidsen (die de DMZ niet binnen mogen) namen het voor de rest van de dag weer over.

"On this spot was located the yellow poplar which was the focal point of the ax murder of two United Nations Command officers. Captain Anton Bonifas and first lieutenant Mark Barrett, who were attacked and killed by North Korean while supervising a work party trimming the tree on august 16 1976."

Het eigenlijke hoogtepunt was dus nu achter de rug, de JSA is immers een geopolitieke hot-spot hors catégorie, maar er stond desondanks nog een vol programma te ingepland. Eerst lunch in een kantine bij het propagandistische treinstation van Dorasan. Waarna een onvermijdelijk bezoek aan het treinstation zonder functie, behalve het symboliseren van de wil van de Zuid-Koreaanse samenleving om naar hereniging van het verdeelde schiereiland te streven. Het gigantische stationsgebouw is ruim tien jaar geleden gebouwd in de hoop dat er ooit passagierstreinen naar Pyongyang zullen vertrekken en aankomen. Het staat er, gezien de politieke realiteit, echter ongebruikt bij en er is niks te beleven behalve een bezoek aan de goed gesorteerde souvenirwinkel, waar ik nog Noord-Koreaanse wijn en likeur op de kop wist te tikken. Vervolgens naar het uitzichtpunt Dora Observatory, waar ik geheime grensinstallaties van het Zuiden wist te fotograferen.

Tenslotte wachtte ons nog een claustrofobische afdaling in een van de infiltratietunnels die vanuit het Noorden onder de DMZ door zijn gegraven om een mogelijke invasie te faciliteren. Waarvan er een aantal door het Zuiden ontdekt zijn opgespoord en die nu een mooie tourist-trap vormen. Een bijna letterlijke tourist-trap, omdat het een flinke inspanning vereist om vanuit de diepte van de tunnel weer terug naar de oppervlakte omhoog te zwoegen. Boven gekomen was ik lichamelijk en geestelijk behoorlijk verzadigd en tijdens de busreis terug naar Seoul kon ik de opgedane indrukken op mij in laten werken. Aan de ene kant was het uitgebreide rondleiding door een soort propagandistisch pretpark, maar tegelijkertijd was het ook een harde confrontatie met een reële frontlinie van een nog altijd niet afgesloten oorlog.

Hoopvolle propaganda over een spoorverbinding die ooit het Koreaanse schiereiland met de rest van de Wereld zal verbinden. In het treinstation Dorasan.
Links Zuid-Korea, rechts Noord-Korea, gezien vanaf Dora Obervatory. Inclusief de grensinstallaties aan de zuidelijke kant, die ik dus absoluut niet mocht fotograferen.
Onze Koreaanse gids vertelt over de derde infiltratie-tunnel.

zondag 17 augustus 2014

Rusland en Duitsland, twee handen op één buik?

Als er één land is dat een bijzondere relatie tot Rusland onderhoudt, dan is het wel Duitsland. Als land in het midden van het Europese continent, heeft het altijd zowel naar 'het Westen' als naar 'het Oosten' en meer bepaald Rusland gekeken. De geschiedenis kan rijkelijk getuigenis afleggen over de Duits-Russische relaties. Duitsland en Rusland konden het altijd goed met elkaar vinden totdat Duitse imperialisten en later een vanuit Oostenrijk tot rijkskanselier omhooggeklommen individu het in opeenvolgende wereldoorlogen in hun hoofd haalden om de Russische ruimte te willen veroveren.
Een niet zo willekeurig citaat uit een willekeurig artikel over de recente ontwikkelingen binnen Europa. Terwijl de Angelsaksische mogendheden sinds de val van de de Tsaar en de opkomst van Lenin, nu al bijna een volle eeuw, een vrij moeizame relatie hebben met de het grootste land ter wereld, heeft Duitsland in diezelfde periode (met uitzondering van 1933-1938 en 1941-195) een opvallend betere band met Rusland gecultiveerd.

Zonder Duitse hulp had Lenin dit huis in Zürich nooit kunnen verlaten.

Over de zeer opmerkelijke ontwikkelingen in de diplomatieke en politieke verhoudingen tussen Duitsland en Rusland (of liever de Sovjet-Unie) tussen de beide Wereldoorlogen, heeft de legendarische journalist en historicus Sebastian Haffner een zeer lezenswaardig boek geschreven. Het duivelspact vertelt het verhaal vanaf de Duitse list om Lenin naar Rusland te sturen om de revolutie over te nemen en een wapenstilstand tot stand te brengen, tot aan Operatie Barbarossa.

En hoewel Hitler inderdaad dacht dat hij de Sovjet-Unie in een paar maanden met zijn panzers op de knieën zou kunnen dwingen, zag hij een paar jaar eerder ook geen bezwaar in het sluiten van het beruchte Molotov-Ribbentrop-pact met zijn theoretische aartsvijand Stalin. Dit laatste verdrag is slechts één van de vele saillante diplomatieke episodes in de periode 1917-1941. Het verdrag van Rapallo in 1922, waarbij er midden in de nacht in pyjama's door de Duitse diplomatieke top koortsachtig overleg werd gevoerd om de volgende dag pijlsnel een vredesverdrag met Rusland te ondertekenen en zo de Britse premier Lloyd George buiten spel te zetten en verbijsterd en woedend achter te laten, wordt door Haffner gekenschetst als 'een van de grote gebeurtenissen van de eeuw, een aardschok die het gehele internationale toneel veranderde.'

Het verdrag van Rapallo zette de toon voor ruim tien jaar durende, intensieve Duits-Russische samenwerking. Niet alleen diplomatiek en economisch, maar vooral ook militair. De aan Duitsland in het verdrag van Versailles opgelegde beperkingen met betrekking tot landmacht, vloot en luchtmacht, werd in het diepste geheim ontweken door diep in Rusland, onttrokken aan het oog van de rest van de wereld, wapens te produceren en militairen op te leiden. De Sovjet-Unie profiteerde op zijn beurt van de geavanceerde Duitse techniek en tactieken door de bouw van fabrieken en gezamenlijke oefeningen. Zo lag de kiem voor de legers die elkaar in de jaren '40 op leven en dood bevochten, ironisch genoeg in de nauwe coöperatie van de beide grootmachten.

Een koele vriendschap of een warme rivaliteit?

Beide mogendheden hadden steeds wisselende motieven en bijbedoelingen met de samenwerking, maar constant was de dreiging van een oppermachtig Frans-Anglo-Amerikaans blok de kracht die de potentiële vijanden in elkaar armen dreef. En in dat opzicht is de situatie heden ten dage eigenlijk niet te vergelijken met de politiek-diplomatieke constellatie van het interbellum. Poetins buitenlandpolitiek doet wellicht nog wel wat aan de nationalistische paranoia van Stalin denken, maar Duitsland is tegenwoordig juist diep verankerd in de Noord-Atlantische alliantie. Dat Merkel echter van alle westerse leiders nog het best met het Kremlin over weg kan, zou je (met een lichtelijk teleologische redenering) wel aan de hand van de lange Duits-Russische geschiedenis kunnen verklaren. Rusland voelt zich, al dan niet terecht, duidelijk miskend en gedemoniseerd door het Westen en dan is het goed te weten dat er in elk geval één vooraanstaande westerse natie is, die vertrouwd is als trait-d'union tussen Oost en West te fungeren.

donderdag 20 maart 2014

Liever Turks dan Wilders

Bij het lezen van het boek The Rise of Western Christendom, Triumph and Diversity, A.D. 200 - 1000 van Peter Brown stuitte ik op een interessant citaat in de inleiding tot de herziene derde editie. Het was een citaat van ons aller Geert Wilders, uitgesproken tijdens een redevoering in Rome op 25 maart 2011:
Rome is the cradle of our Western civilization - the most advanced and superior civilization the world has ever known. ... the history of Rome ... serves as a warning ... [for Rome] suffered a loss of belief in its own civilization. The Romans ... did not perceive the immigration of the Barbarians as a threat until it was too late. ... But then on 31st of the year 406, the Rhine froze and tens of thousands of Germanic Barbarians crossed the river, flooded the Empire and went on a Rampage, destroying every city they passed. ... The fall of Rome was a traumatic experience.

Het bewijs, wellicht ten overvloede, maar toch

Het beeld dat de blonde Limburger oproept, is een beeld van hordes barbaren die de beschaafde wereld om zeep helpen en de aanzet geven tot eeuwen van verval en achterlijkheid. En wat hij er natuurlijk mee wil zeggen, is dat als we niet oppassen eenzelfde doemscenario ons nu weer wacht. De islam in al haar verschrikkelijke uitwassen staat klaar om de hoogstaande joods-christelijk cultuur omver te werpen en ons zo doende wederom in de donkere middeleeuwen te storten. De vraag is natuurlijk of het beeld dat Geert schetst over Rome en de barbaren ook iets met de historische werkelijkheid te maken heeft. En de historische werkelijkheid achterhalen, dat is de expertise van een historicus als Peter Brown. Ik citeer de eminente geleerde dus ook maar even:
The story of the fall of Rome has always left in the back of our minds a heavy sediment of fear and regret. Such a narrative is calculated to be disturbing. It presents a complacent empire, a silent build-up of pressure from outside , a sudden breakthrough, a murderous rampage and then, silence ... the extinction of civilization for many centuries. What is regrettable is that this narrative should erupt, from time to time, to serve the purposes of toxic political movements in contemporary Europe. For this reason it is particularly important to get the story right. What really happened in western Europe between 400 and 800 A.D.?

Wat gebeurde er nou echt in West-Europa tussen 400 en 800 na Christus? Dat is een vraag die Wilders natuurlijk helemaal niet interesseert. Dat de werkelijkheid wel eens complexer zou kunnen zijn dan een clichématige clash tussen beschaving en barbarij, daar heeft onze favoriete demagoog natuurlijk niks aan. Hij is alleen maar geïnteresseerd in het aanwijzen van zondebokken, het scheppen van verdeeldheid en het zaaien van haat. Peter Brown zet in zijn boek helder uiteen dat de vroege Middeleeuwen wellicht het eind van de klassieke oudheid betekende, maar niet het eind van elke vorm van beschaving. De Europese beschaving kreeg alleen een ander aanzien en vele aspecten van onze cultuur die we als typisch westers beschouwen vinden juist hun oorsprong in de 'donkere' Middeleeuwen en niet in de Oudheid.

Een aanrader!
En het mooie aan Brown's boek is dat het niet slechts een beperkte blik op West-Europa biedt. Want hoewel de titel The Rise of Western Christendom anders doet vermoeden, besteedt hij ook in ruime mate aandacht aan het oostelijk christendom en de islam. En daar komen we natuurlijk bij een ander favoriet stokpaardje van Wilders, dat de islam inherent een achterlijke cultuur zou zijn. Als we echter sec de geschiedenis beschouwen, dan valt daarin weinig hard bewijs voor zulks een stelling te vinden.

Nu zullen de fellow travelers van de PVV natuurlijk met het weerwoord klaarstaan dat de islam van vandaag niet de islam van de vroege middeleeuwen is. Maar de islam was juist in de zevende en achtste eeuw bij uitstek een vitale en expansionistische beweging, die, veel meer dan in onze huidige tijd, de christelijke westerse wereld tot op het bot wist te tarten. In de huidige wereld zijn de groepen als de Taliban en Al Qaida de verliezers van de globalisering, die geen realistische bedreiging vormen voor het  globale machtsevenwicht. Fareed Zakaria stelt dan ook terecht in zijn recensie van The World is Flat van Thomas Friedman dat strijd tegen het Islamisme in wezen een achterhoede-gevecht is.
Terrorism remains a threat, and we will all continue to be fascinated by upheavals in Lebanon, events in Iran and reforms in Egypt. But ultimately these trends are unlikely to shape the world's future. The countries of the Middle East have been losers in the age of globalization, out of step in an age of free markets, free trade and democratic politics. The world's future -- the big picture -- is more likely to be shaped by the winners of this era. And if the United States thought it was difficult to deal with the losers, the winners present an even thornier set of challenges.

Gedurende de Tachtigjarige Oorlog was het motto van de Geuzen Liever Turks dan Paaps. Een tijdloze klassieker. En ik ben uiteraard een goed patriot en ik weet de vrijheidslievende idealen van de Geuzen en hun rechtvaardige strijd tegen het Spaanse juk zeker op waarde te schatten. Daarom lijkt het mij ook niet verkeerd om de wapenspreuk van de Geuzen een nadere wending te geven: Liever Turks dan Wilders. Ik zou zelf liever ingezetene zijn van een welwillende Islamistische staat dan moeten leven in een land dat geregeerd wordt door de crypto-fascistische Wilders. Geert Wilders is immers niet minder fundamentalistisch dan de meest radicale moellahs in Pakistan.

Ah, de goeie ouwe tijd!

dinsdag 14 januari 2014

Het verdriet van Europa

Het is inmiddels bijna 100 jaar geleden dat de duisternis over Europa neerdaalde en het Belle Epoque ten einde kwam. We kunnen ons afvragen hoe veel verder we nu zijn gekomen. Zijn de wonden geheeld, is de oude orde hersteld? In vele opzichten vormde de Eerste Wereldoorlog een cesuur sans précédent in de Europese geschiedenis. Vervolgens kwam 14-18  (met name in Nederland) natuurlijk in de lange slagschaduw van 39-45 terecht, al was het maar omdat vaak genoeg gesuggereerd is dat het tweede conflict het eigenlijke sluitstuk van het, eerste onafgesloten conflict vormde. Op die hardnekkige veronderstelde causaliteit kom ik later wellicht nog terug, maar in dit artikel wil ik de aandacht vestigen op een belangwekkend boek aangaande de Eerste Wereldoorlog dat enige jaren geleden door de Britse econoom-historicus Niall Ferguson is geschreven: The pity of war (in het Nederlands verschenen als De erbarmelijke oorlog).

Dat de Eerste Wereldoorlog gewonnen werd door Frankrijk en Groot-Brittannië is met het oog op het resultaat eigenlijk moeilijk vol te houden. Het was een klassieke pyrrusoverwinning. De westerse geallieerden wisten de koloniale bezittingen van Duitsland te verdelen, maar daar tegenover stond ook voor hun een groot verlies. En die koloniën waren ze binnen veertig jaar toch allemaal weer kwijt. Het is sowieso de vraag wat het hele negentien/twintigste-eeuwse koloniale verhaal heeft opgeleverd. Ferguson suggereert dat het met name voor Groot-Brittannië nogal wat extra kapitaal opleverde, wat in de Eerste Wereldoorlog goed van pas kwam. Ferguson poneert zelfs de stelling dat het niet zo zeer industriële productie, als wel economische kapitaalkracht uiteindelijk de doorslag gaf in het verloop van de oorlog. En het kapitaal dat Groot-Brittannië had vergaard in de loop van de negentiende eeuw legde dus meer gewicht in de schaal dan het Kruppstaal uit het Ruhrgebied. Maar nu verklap ik een deel van Fergusons conclusies reeds.

Niet het gehele boek is met zo'n afstandelijke rationeel-wetenschappelijke blik geschreven als de delen waarin hij de economische toestand van de grootmachten analyseert. Het is deels ook een duidelijk Brits geschiedenisboek. En een centrale vraag met betrekking tot de rol van Groot-Brittannië in de oorlog is of het wel de moeite waard was om Duitsland de oorlog te verklaren. Ferguson komt met een duidelijk antwoord op die vraag: de oorlogsverklaring was "nothing less than the greatest error of modern history," omdat Duitsland volgens hem uiteindelijk geen reële bedreiging vormde voor de Britse belangen. Groot-Brittannië stond er financieel veel beter voor dan Duitsland en had in wezen weinig belangen op het Continent. Als Duitsland Frankrijk zou hebben verslagen en vervolgens, zoals Ferguson veronderstelt, een Bismarckiaanse proto-EU had gevormd, dan was dat in wezen alleen maar ten goede gekomen aan de Britse diplomatieke en handelsrelaties met Europa. En op koloniaal vlak waren Rusland en Frankrijk de belangrijkste rivalen van Groot-Brittannië, de mantra keep your friends close, but keep your enemies closer was immers de leidende gedachte geweest bij de vorming van de Triple Entente. Duitsland was in 1914 dus geen directe bedreiging voor The Empire. En daarom schrijft Ferguson de escalatie van het conflict voor een belangrijk deel op Brits conto: "it was the British government which ultimately decided to turn the continental war into a world war, a conflict which lasted twice as long and cost many more lives".

Ferguson is thuis in de economie en de Duitse taal en cultuur en dat is te merken. Waar andere Angelsaksische geschiedschrijving vaak een nogal eenzijdig perspectief biedt, weet Ferguson de Duitse motieven gedurende het verloop van het conflict goed weer te geven. De Franse, Russische, Oostenrijk-Hongaarse en Ottomaanse kant van de zaak komt minder aan bod, maar dat wijst er alleen maar op dat de auteur zich van zijn beperkingen bewust is en zich met name richt op de elementen van de geschiedenis waar hij daadwerkelijk wat interessants over te vertellen heeft. Allereerst weet hij een aantal hardnekkige mythes door te prikken over de tijdgeest waarbinnen de Europese machtspolitiek tot een militaristisch kruitvat uitgroeide. En hij weet, zoals gezegd, de invloed van geld en kapitaal op het handelen van de strijdende partijen helder te duiden. Daarnaast gaat hij ook nog in op het complexe begrip publieke opinie en de rol propaganda in de vorming van het beeld van de oorlog bij burgers, soldaten en nageslacht. Ook wordt er aandacht besteed aan de motivatie van soldaten om te gaan vechten, om door te blijven vechten en om uiteindelijk te stoppen met vechten. Tenslotte wordt er ook nog nadrukkelijk aandacht besteed aan het na-oorlogse economische beleid, de herstelbetalingskwestie en de uiteindelijk tragische gevolgen daarvan.

Maar ik zal niet al die aspecten bespreken. Wie daar meer over wil weten moet immers maar het boek lezen, waarin de auteur zijn volledige argumentatie ontvouwt. Kortgezegd valt samen te vatten dat het militarisme niet een extreem sterke kracht was. Wat wel de oorzaak is van de Oorlog komt minder goed naar voren, maar de suggestie van ongelukkige samenloop van omstandigheden wordt gewekt. En wie het boek The Guns of August van Barbara Tuchman heeft gelezen, die weet dat het het wellicht eerder een gebrek aan daadkracht van de leidende partijen was om een oorlog te vermijden, dan een daadwerkelijke wil om een oorlog te beginnen.

De leiders hadden geen zin om de oorlog te stoppen, dus kwam er een oorlog. Oorlog werd niet als iets slechts gezien. Dat een oorlog voor alle strijdende partijen nadelig zou kunnen zijn, was niet aan de orde. En er was ook geen besef van de enorme economische inzet die nodig zou zijn om de oorlog te winnen. Het concept 'totale oorlog' was nog onbekend. Zowel Groot-Brittannië, Frankrijk als Duitsland kwamen ernstig gehavend uit de oorlog. Voor Oostenrijk-Hongarije en het Ottomaanse Rijk betekende de oorlog de doodsteek. En de gevolgen van de revoluties, die veroorzaakt werden door het dramatische strijdverloop aan het Oostfront, in Rusland zijn genoegzaam bekend. Een tijdperk kwam ten einde, een generatie liet het leven en er kwam een nieuw (inherent labiel?) staatkundig evenwicht tot stand.


De enige juiste kijk op de geschiedenis?
Fergusons boek is extra actueel nu in Groot-Brittannië nogal een rel is ontstaan doordat de conservatieve minister van onderwijs Micheal Gove de zogenaamd linkse historici de maat neemt en stelt dat de moed en het patriottisme van de soldaten in de Grote Oorlog te weinig aandacht krijgt. Ook vindt hij dat het voor eens en altijd duidelijk moet worden gemaakt dat toch echt alleen Duitsland schuld had aan het uitbreken van de oorlog en dat Groot-Brittannië van elke blaam gezuiverd dient te worden. Het is in dit verband goed te weten dat de revisionistisch geschiedschrijving van Ferguson allerminst marxistisch of links geïnspireerd genoemd kan worden. Ferguson is juist een rechtgeaarde conservatief. Dat uitgerekend Niall Ferguson, na gedegen historisch onderzoek, tot de conclusie komt dat de oorzaak van de Eerste Wereldoorlog minder zwart-wit is dan ons traditioneel vaak voorgespiegeld wordt, geeft te denken over de validiteit van de opvattingen van Gove. Waarschijnlijk is het juist de eenzijdige blik op de geschiedenis van Micheal Gove, die gestuurd wordt door politieke opvattingen.

zondag 1 december 2013

200 jaar koninkrijk: een historische vergissing

Eerder presenteerde ik in mijn semi-fictieve vraaggesprek met Wilfried de Jong al enkele voorstellen voor de restauratie van de Republiek Nederland. Die visionaire plannen zijn reeds voor het nageslacht vastgelegd en zal ik hier niet herhalen. Wellicht dat ik het een-en-ander nog eens in een Republikeins Manifest giet. Maar voorlopig wil ik mij concentreren op mijn hopeloze pleidooi om het huidige Koninkrijk af te schaffen. Ik weet dat ik me een roepende in de woestijn kan achten, maar die gedachte brengt mij allerminst tot inkeer. Ik raak er juist steeds sterker van overtuigd dat de rest van het volk door Oranjegezinde propaganda in verzoeking wordt geleid.

De propagandastorm is weeral aangewakkerd door de viering van 200 jaar Koninkrijk der Nederlander. Allerhande stukjes worden opgevoerd om nog maar eens aan het volk duidelijk te maken dat er niks sterker met ons bloed en de Vaderlandse bodem is verweven dan het Huis van Oranje. Ik kon de walgneigingen eigenlijk niet onderdrukken toen ik Huub Stapel op het strand van Scheveningen zag staan. Zijn we nóg niet genoeg geïndoctrineerd?

De geschiedenis herhaalt zich, de eerste keer als tragedie, de tweede keer als farce

De Nederlandse monarchie valt met wat creativiteit te bezien als een van de vele paradoxale uitkomsten van de Franse Revolutie. Napoleon stichtte de monarchie in Nederland met zijn broer als kopstuk. Lodewijk Napoleon stelde echter de belangen van zijn onderdanen boven de belangen van het Franse keizerrijk. Wellicht dat het goede imago van onze eerste eigen koning bijdroeg aan de beslissing om na de Franse Tijd de Oranjes weer in het land halen om een koninklijke dynastie op te zetten. Maar waarschijnlijk was de reactionaire sfeer in Europa rond het Wener Congres meer van belang. De grote Europese mogendheden wilden alles in het werk stellen om de verschrikkelijke vernieuwingen van de Franse Revolutie weg te strijken en de oude orde te herstellen. En een van de meest vooraanstaande verworvenheden van de goede oude tijd was uiteraard de monarchie.

Dit terwijl Nederland natuurlijk bij uitstek een republikeinse traditie had. En er in feite dus geenszins sprake was van een restauratie. Zeker, de Oranjes vervulden een rol van variabele prominentie binnen de Republiek. Maar uiteindelijk was een monarchie iets dat we in de Acte van Verlatinghe in 1581 juist hadden afgezworen. Uiteraard valt het huidige koningshuis te verdedigen. De afgelopen eeuw hebben onze vorstinnen zich verdienstelijk van hun taak gekweten. Maar vaak genoeg kwam ook aan het licht dat een erfelijk staatshoofd in praktijk lastig met een democratisch stelsel te combineren valt.

Ik blijf er bij, dat als je gelooft in de zegeningen van de democratie, dat een parlementaire monarchie dan niet de ideale constructie is. Critici zullen wellicht menen dat de democratie an sich ook niet ideaal is. Maar ik moet toch Churchill gelijk geven: "It has been said that democracy is the worst form of government except all those other forms that have been tried from time to time." Er is de facto geen beter alternatief. Ook valt te verdedigen dat een monarchie goed in te passen is in een democratische staatsvorm. Echter als principieel voorstander van de democratie, meen ik dat ook het staatshoofd democratisch gekozen dient te worden. En niet op basis van familiale banden aan het hoofd van ons land komt. Nepotisme keuren we algemeen af, waarom dan wel een koninklijke dynastie?

Is ons koningshuis meer dan een toneelstuk? Moet de staat het volk voorzien van royaal entertainment? Volksvermaak is typisch een dienst die wel beter door particulieren dan door de overheid verzorgd kan worden. Het is dan dus ook niet de taak van de staat om voor sprookjeshuwelijken en liefdesbaby's te zorgen. En verandering is niet onmogelijk. Onze huidige koning staat niet afwijzend tegenover staatkundige vernieuwing. Hij zal elke wet ondertekenen die democratisch tot stand is gekomen. Een militaire coup hoeven we dus niet te vrezen, we moeten voor de traditionele republikeinse waarden opkomen! Politici moeten durf tonen. Niet slapjes over modern koningschap spreken, maar zich expliciet uitspreken voor de republiek.

De aartsvaders van..
... de Republiek Nederland

Het koninkrijk is wat mij betreft een historische vergissing, die strijdig is met de waarden die vervat waren in onze eerste onafhankelijke Republiek zoals die door Willem van Oranje en Johan van Oldenbarnevelt vormgegeven was. De beste Nederlandse tradities van onafhankelijk burgerschap, meritocratie, patriottisme zijn door de instelling van de monarchie onder het vloerkleed geveegd. Soit, het koninkrijk is niet meer de absolute monarchie die het onder Willem I was, maar dat de continuïteit van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden onderbroken is, vind ik onvergeeflijk. Tijd dus om onze republikeinse kroonjuwelen af te stoffen!