Posts tonen met het label recensie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label recensie. Alle posts tonen

zaterdag 3 november 2018

Tijdloze klassiekers: Phanerothyme van Motorpsycho

Het oeuvre van de Noorse band Motorpsycho ligt mij na aan het hart, zoals sommigen wellicht wel weten. Het is dan ook haast vanzelfsprekend dat ik mijn nieuwe serie Tijdloze klassiekers open met een artikel gewijd aan een van de vele beluisterenswaardige albums van de heren uit Trondheim: Phanerothyme uit 2001. Het idee achter deze serie is om muzikale werken te belichten die, in mijn oren, de tand des tijds, tot nog toe, hebben weten te doorstaan.


Mijn persoonlijke geschiedenis met Motorpyscho beslaat inmiddels al meer dan de helft van mijn leven. In 2000 zag ik ze voor het eerst live in de Vera in Groningen. Dit was ten tijde van hun tour om de voorganger van Phanerothyme; Let them eat cake te promoten. Het was een onvergetelijke ervaring en sindsdien ben ik fan. Maar lang was ik ietwat melancholiek dat ik net te laat was geboren om hun hoogtijdagen bij te wonen. Daarmee bedoelde ik dan de periode 1993-1998, waarin de band albums van een haast ongeëvenaard kaliber het licht liet zien. Vuig rockende langspeelplaten waarop een breed spectrum aan genres de revue passeerde, maar die toch vooral gekenmerkt werden door stoeiende baslijnen en bijtijds wijdlopige composities.

Vanaf Let them eat cake werd er opeens opzichtig gekoketteerd met de Californische pop-sound van de late jaren zestig, zeg maar The Beach Boys ten tijd van Pet Sounds. Er worden strijkers en blazers van stal gehaald, de nummers zijn korter en het tempo en het volume wordt zo nu en dan danig teruggeschroefd. Leuk en aardig allemaal, maar het leverde nog geen fantastisch album op. En toen het uitkwam, maakte het mij dus allemaal wat weemoedig naar de scheurende gitaren van het vroegere werk waar mijn puberbrein naar smachtte. Ik was blijkbaar al vroeg melancholiek naar vervlogen tijden.

Phanerothyme kon mij in eerste instantie ook slechts beperkt bekoren. Met de jaren is mijn waardering voor juist dit album echter significant gestegen. Hier valt alles wel op zijn plaats. De productie nadert op dit album een niveau waar Brian Wilson trots op zou kunnen zijn. Het klinkt allemaal gewoon een stuk beter dan op Let them eat cake. Als je gewend bent aan muziek recht uit de garage, is het op het eerste gehoor haast wat gelikt. Maar wat mij betreft verdwijnen die kanttekeningen na meerdere luisterbeurten vanzelf. De titel is overigens geleend uit een rijmpje van Aldous Huxley: To make this trivial world sublime, take half a gram of phanerothyme. Een duidelijke verwijzing naar de psychedelische cultuur van de jaren zestig.

Motorpsycho laat op dit album echt horen dat ze niet alleen liedjes kunnen schrijven en goed hun instrumenten kunnen bespelen, maar ook een uitgebalanceerd klinkend, rijk georkestreerd album kunnen opnemen. Want de band is zelf verantwoordelijk voor de productie van het geheel en heeft een eigen wall of sound gecreëerd die organisch en oorstrelend klinkt. En er wordt zelfs redelijk zuiver gezongen, traditioneel de achilleshiel van deze Noren. Hoewel ik me daar eerlijk gezegd in hun eerdere werk nooit zo aan stoorde. Ik ben me er evenwel van bewust dat dat voor anderen wel een dealbreker kan zijn.

De albumopener Bedroom Eyes is een rustig akoestisch nummer  om er even in te komen. De begeleiding door strijkers is vol en doet het ingetogen nummer tot leven komen. For Free is een van de interessantere nummers op dit album. De klassieke Motorpscycho-sound van stuwende drums, een vooraanstaande bas met de nodige distortion en een lyrisch zingende gitaar wordt gecompleteerd met een rijke orkerstrale productie. Voor de lo-fi puristen onder ons wellicht een gruwel, maar het geheel werkt wonder wel. Een van mijn favorieten.

Op B.S. komen de eerste Californische zonnestralen nadrukkelijk aan de hemel en de orkestratie is zo mogelijk nog rijker en gevarieerder dan op de voorgaande nummers. De titel verwijst wellicht eerder naar de initialen van de bassist Bent Sæther, dan naar de gebruikelijke betekenis van dit acroniem in het Engels, vermoed ik. De eerste drie nummers worden gezongen door Sæther, op Landslide is de gitarist Hans Magnus Ryan aan het woord. Een duidelijk ander geluid, ietwat meer melancholisch van toon naar mijn mening, wat wellicht ook te maken heeft met de aard van de tekst. Ook weer een zeer fraai nummer, met mooie samenzang.


Dan zijn we al aangekomen bij de kern van het album.  De nummers van Go to California en Painting the night unreal zijn uitgesponnen muzikale beschouwingen over de Amerikaanse Droom. Waarbij ze een soort contrast tussen dag en nacht vertegenwoordigen. De titel Go to California zegt natuurlijk al genoeg en de muzikale aankleding lost alle verwachtingen in. Je hoort de zon en de onbegrensde mogelijkheden op je af komen. De video ómvat overigens de sterk ingekorte singleversie, op het album wordt de grens van de acht minuten bereikt. Painting the night unreal begint ingetogen, maar eindigt grootser en meeslepend. Hier wordt de meer artificiële kant van de Verenigde Staten op de korrel genomen: that bald-eagle seal, so that we know it isn't real. De stijl van beide nummers is helemaal Californië, maar ook helemaal Motorpsycho. De band haalt, in beperkte mate, de karakteristieke instrumentale exercities van stal, die we kennen van eerdere albums als Trust Us. In beperkte mate, want er is hier geen sprake is van  de eigenzinnige post-rock-achtige composities zonder duidelijk refrein en couplet die dat legendarische dubbelalbum kenmerken.

Het daaropvolgende The Slow Phaseout is wat mij betreft het minst overtuigende nummer van het album. Ik vind het wat te inwisselbaar. Desondanks was het een van de twee uitverkoren singles, dus de band was zelf blijkbaar een andere mening toegedaan. Het is ook weer niet helemaal verkeerd, een middelmatige Motorpsycho-compositie is immers beter dan wat er zoal op de radio te horen is. Blindfolded is daarentegen dan wel weer een persoonlijke favoriet. Ik heb dan ook een zwak voor de nummers gezongen en geschreven door Hans Magnus Ryan. Maar dit is ook wel een van zijn betere composities. De productie is weeral van een hoog niveau. Rijk doch subtiel en uiterst smaakvol.


Het sluitstuk When you're dead is in zekere zin een curiosum. Want het wordt gezongen door de drummer Håkon Gebhardt en daarmee is het een van de slechts drie nummers op alle reguliere Motorpsycho-albums waar hij achter de microfoon kruipt. De haast naïef aandoende meditatie op de dood is aangekleed als een soort begrafenismars, zoals we die wel kennen uit New Orleans. Het geheel heeft een opmerkelijk luchtig en ontwapenend karakter, wellicht mede dankzij de nauwelijks verholen Noorse tongval van Gebhardt. Een mooie, stemmige afsluiting van een klassiek album.

Helaas verliet Håkon Gebhardt de band kort na het in 2002 verschenen album It's a love cult. De band ging langzaam weer de wat harder rockende kant uit en daar had de drummer blijkbaar geen zin in. Er werd uiteraard wel weer een nieuwe drummer aangetrokken, maar de klassieke kernbezetting die tien jaar had standgehouden kwam daarmee ten einde. Daarna heeft Motorpsycho nog zeker muziek van betekenis gemaakt, het ambitieuze conceptalbum The death defying unicorn uit 2012 is in dezen met name vermeldenswaardig. Maar de energie en dadendrang van het eerdere werk is wat mij betreft toch ongeëvenaard. Ik ben er inmiddels van overtuigd dat deze periode van 1993 tot 2003 hun hoogtijdagen waren en mag mezelf dus gelukkig prijzen dat ik daar nog een paar jaar van nabij mee heb mogen maken. De vroegtijdige melancholie van mijn zijde was dus ietwat voorbarig.

donderdag 5 oktober 2017

De opkomst en ondergang van Brian Wilson of de mythe van Smile

De Beach Boys roepen in het collectieve geheugen nog altijd vooraleerst associaties op met surfen, zon en het naiëf-optimistische Californische levensgevoel. Dat de schepper van de muziek van de Beach Boys, Brian Wilson, niet alleen een van dé muzikale geniën van zijn tijd was, maar ook een uiterst tragisch leven heeft gekend, is niet bij een ieder bekend. 

In 2014 verscheen de film Love and Mercy, die twee scherp contrasterende periodes uit het leven van de artiest onder de loep neemt. De eerste episode is de glansrijke vroege carrière van de Beach Boys, culminerend in de gedoemde sessies voor het album Smile, dat in 1967 had moeten verschijnen. Verweven daarmee zijn flash-forwards naar de late jaren ' 80, wanneer een nieuwe liefde in het leven komt van de fysiek en mentaal gebroken Brian, die dan onder curatele staat van de slinkse nep-psychiater Eugene Landy.

The Beach Boys begon als het bandje van de drie broers Wilson en wat aanverwanten, dat zong over de geneugten van surfen en snelle auto's. Hoewel alleen drummer Dennis Wilson ook echt zelf surfer was, maar dat maakte het publiek niet uit. De composities van Brian werden allengs complexer en geraffineerder, waardoor de muziek op de platen al snel niet meer door de band maar door de beste sessiemuzikanten van Los Angeles werd gespeeld. De karakteristieke meerstemmige zang was vaak de enige concrete bijdrage van de jongens aan hun hits. Met uitzondering van Brian dus, die de muzikale productie van a tot z overzag. 

Brian was in de studio en thuis achter de piano in zijn element. Op het podium echter bepaald minder en aan reizen had hij ook al een hekel. De druk van de platenbazen om zowel onafgebroken hits te produceren, als constant op tournee te zijn, nam met het groeiend succes al maar verder toe. Om zich te kunnen concentreren op het schrijven en produceren nieuwe muziek, besloot Brian vanaf 1964 niet meer met de band op tournee te gaan. En die keuze wierp zijn vruchten af, die in twee woorden samen te vatten zijn: Pet Sounds

De weg die Brian Wilson aflegde om op zijn 23e een van de onbetwist beste muzikale scheppingen van de twintigste eeuw af te leveren, is fascinerend en wordt in de film geweldig in beeld en geluid gebracht. Met name de sessies voor Pet Sounds in de studio zijn een genot voor oog en oor.  Paul Dano, die de jong Brian speelt, is geweldig gecast, hij verbeeldt de complexe en breekbare combinatie van onschuld en genialiteit op onnavolgbare wijze.



Pet Sounds was echter in eerste instantie geen groot financieel succes. En bij de rest van de band viel een rijk georkestreerd sterk persoonlijke plaat zonder enige verwijzing naar zon en zee ook niet in ongemeen goede aarde. Met name neef Mike Love, zou zijn gal nogal expliciet gespuwd hebben en hebben geëist dat de tekst en titel van Hang on to your ego gewijzigd zou worden in I know there's an answer. Dit omdat de oorspronkelijke versie zou verwijzen naar drugs [in retrospectief niet zonder ironie, aangezien we nu weten Mike Love verreweg het grootste ego had van alle bandleden]. De volgende single, Good Vibrations, was zo mogelijk muzikaal nog complexer dan Pet Sounds, maar was wel een onverbiddelijke bestseller. Hierdoor won Brian weer flink wat krediet terug bij band en platenbonzen en kreeg hij carte blanche voor het volgende album: Smile.

(Spoiler alert)
Smile geldt als een van de grote nooit voltooide meesterwerken uit de muziekhistorie en de verwachte opvolger van Pet Sounds kwam er dus nooit. De ontstaansgeschiedenis van Smile is met de nodige mythes omgeven en over de schuldvraag van het falen zijn boeken volgeschreven. De film schetst een mooi beeld van de sfeer rond deze sessies en zonder expliciet vingerwijzen worden er wel een aantal hints gegeven aangaande de oorzaken van dit grootse mislukken.

De film legt de nadruk op de psyche van Brian, zeker met oog op de andere helft van de film een voor de hand liggende keuze. Het beeld wordt geschetst van een gedreven kunstenaar, die in de loop van het opnameproces de controle over zichzelf en zijn schepping langzamerhand kwijtraakt. Zijn gedrag wordt steeds excentrieker en de muziek gaat in Brians hoofd een eigen leven leiden. In de film komt het niet expliciet aan bod, maar het is bekend dat hij er van overtuigd raakte dat de sessies voor het nummer Mrs. O'Leary's Cow (Fire) een brand in de buurt had veroorzaakt:



Toen Brian Wilson in 2004 als solo-artiest de nummers van Smile opnieuw opnam, was hij nog altijd bang voor Mrs. O'Leary's Cow (Fire). Het was op Brian Wilson presents Smile het enige nummer dat zonder zijn inmenging tot stand kwam. Wat overigens geen probleem was, aangezien het een grotendeels instrumentale compositie betreft. Smile was dus meer dan een trauma geworden. Maar of het falen volledig aan de geestestoestand van Brian (en overmatig drugsgebruik) is te wijten, is volgens mij de vraag.

Smile was wellicht in zijn opzet reeds gedoemd te falen. Brian had tijdens de productie van Good Vibrations voor het eerst een modulaire aanpak toegepast. Hierbij werd het nummer niet in een keer gespeeld, maar werden verschillende kortere fragmenten (door middel van tape splicing) achter elkaar vast geplakt. Een revolutionair, maar tijdrovend proces. Voor een nummer ging het nog, maar voor een gigantisch project als Smile was het gezien de technische beperkingen van de jaren '60 waarschijnlijk te hoog gegrepen. Zeker omdat de afzonderlijke nummers grotendeels alleen nog maar in het hoofd van Brian bestonden en er een legendarische hoeveelheid materiaal werd opgenomen.

Een goed gefocuste solo-artiest had het misschien nog tot een goed einde weten te brengen. De lang uitlopende sessies zorgden er echter voor dat de sluimerende spanningen binnen de Beach Boys hoog op liepen. Zo hoog dat externe mede-songwriter Van Dyke Parks op en gegeven moment de handdoek in de ring gooide. Hij schreef de teksten en die waren voor (weerom) Mike Love een steen des aanstoots. Waar Pet Sounds met introspectieve teksten over de liefde al sterk afweek van het surf-sjabloon, ging Smile pas echt van de gebaande paden. Het voert te ver om de uiteenlopende thema's van het album hier te bespreken. Daar kun je een heel boek over schrijven. Laat ik volstaan met een citaat uit het prijsnummer van Smile, het ironisch getitelde Surf's Up:
Hung velvet overtaken me
Dim chandelier awaken me
To a song dissolved in the dawn
The music hall a costly bow
The music all is lost for now
To a muted trumpeter swan
Columinated ruins domino
Dat is nog eens andere koek dan Surfin' U.S.A. zullen we maar zeggen. En de weerstand die dit bij de band opriep, komt uiteraard ook in Love and Mercy aan bod. Het valt overigens te zeggen dat Brian Wilson met deze nieuwlichterij wel helemaal in tune was met de tijdgeest. Op 26 mei 1967 brachten de Beatles Sgt. Pepper's Lonely Hearts Club Band uit (dat sterk geïnspireerd was door Pet Sounds, dat op zijn beurt weer schatplichtig was aan Rubber Soul, maar dat terzijde), waarmee de Summer of Love werd ingeluid. The Beach Boys hadden 50 jaar geleden dus The Beatles potentieel het gras voor de voeten weg kunnen maaien met een avant-gardistisch psychedelisch opus. Maar het mocht niet zo zijn.

De mythische Smile-tapes
De sessies werden in april 1967 een halt toe geroepen en de tapes verdwenen in de spreekwoordelijke vault. Capitol Records had Smile gedurende sessies al uitgebreid gepromoot en dat was het startpunt van de mythevorming. Zeker nadat er gauw de gekste verhalen de ronde gingen doen over de opnames en er her en daar fragmenten van nummers opdoken. Zo zond CBS in april 1967 een fragment van Surf's Up uit, met Brian alleen achter de piano. De kijkers vonden het prachtig. Maar het nummer verscheen al maar niet op plaat.  Pas in 1971 werd Surf's Up op het gelijknamige album uitgebracht. Onder auspiciën van Carl Wilson, want de confrontatie met het trauma Smile kon Brian nog altijd niet aan.

Want dat was helaas het jammerlijke gevolg van het debacle Smile. Brian Wilson verloor zijn zelfvertrouwen en nam genoegen met een bijrol binnen de Beach Boys. Nog maar mondjesmaat schreef hij nieuw materiaal of droeg hij actief bij aan de productie van albums. Hij trok zich terug en in zijn donkerste periode bracht hij naar het schijnt drie jaar in bed door. Op een gestaag dieet van fastfood, televisie en drugs. In de jaren zeventig liet hij nog eenmaal echt van zich spreken met weerom een verkapt solo-album The Beach Boys Love You. Een lichtelijk bizar en verknipt werkstuk, maar niet zonder kwaliteit en bepaald charmant, zeker omdat dit keer vrijwel alle teksten van de hand van Brian zijn. Het geeft daarmee een aardig inkijkje in zijn wereld. Typerend is het aan de fameuze talkshowgastheer gewijde Johnny Carson, vermoedelijk ontsproten aan een tv-kijkend bestaan in bed.

Zoals te verwachten was dit excentrieke uitstapje geen succes bij het grote publiek en Brian werd voorgoed naar de zijlijn van The Beach Boys verbannen. De fysieke en mentale aftakeling zette door en het is derhalve een wonder dat juist Brian de enig overlevende is van de gebroeders Wilson. Dat Brian het overleeft heeft, is wellicht te danken aan Eugene Landy, hoewel Brian's huidige fragiele mentale en fysieke staat waarschijnlijk ook deels hem te danken is. Landy is de antagonist van de andere helft van Love and Mercy en die zal ik nu verder laten voor wat het is. De oudere Brian wordt gespeeld door John Cussack, die een mooie breekbare man neerzet, maar niet even overtuigend is als Paul Dano, naar mijn mening. De film als geheel is een aangrijpende aanrader en de onverwachte combinatie tussen muziek en psychische problematiek komt wonderwel fantastisch uit de verf.

Wat is er vervolgens geworden van die verstofte opnames van Smile? Nadat Brian Wilson in 2004 met zijn band en Van Dyke Parks een reconstructie had gemaakt van wat Smile als album had moeten worden, verscheen dan in 2011 eindelijk The Smile Sessions. Een uitgebreid uittreksel uit de archieven. Want ondanks geruchten dat Brian een deel van de tapes verbrand zou hebben, zijn alle opnames zorgvuldig bewaard. En nu dus eindelijk ook voor het grote publiek beschikbaar. Dankzij de computer is het tegenwoordig een stuk eenvoudiger om van fragmenten een afgerond album te smeden. En aangezien de nummers op Smile nooit echt een definitief canonieke vorm hebben kunnen krijgen, nodigt dit gegeven liefhebbers uit om zelf een eigen versie van Smile samen te stellen. Laat ik ter afsluiting een fraaie stereo-versie delen, op YouTube zijn er nog veel meer te vinden.

donderdag 31 augustus 2017

Jacques Cousteau, een man van zijn tijd

Onlangs zag ik de film L'Odyssée, geweid aan het leven en werk van Jacques Cousteau en zijn zoon Philippe. De film geeft een interessant beeld van de tocht die vader Cousteau af heeft moeten leggen om te worden tot de man zoals hij tegenwoordig herinnerd wordt. Voor mij aanleiding om deze rolprent te bespreken en daarbij ook met een schuin oog te kijken naar twee van de drie lange documentaires die Cousteau zelf uitbracht: La Monde du silence en La Monde sans soleil.

Jacques Cousteau staat bekend als de man die het televisiekijkend publiek kennis liet maken met de de onderzeese wereld. In zekere zin was hij de Franse equivalent van David Attenborough. Alleen begon Cousteau zijn carrière allerminst als een natuurbeschermer. Nadat hij in eerste instantie faam en fortuin had vergaard als mede-uitvinder van de AquaLung (de ademautomaat die de basis vormt van elke moderne duikuitrusting), begon hij een leven als propagandist voor de exploratie van de zee. Hij mat zich een imago van modern maritiem ontdekkingsreiziger aan en door middel van films, tv-programma's, boeken en voordrachten deed hij geromantiseerd verslag van zijn reizen met zijn vlaggenschip de Calypso.

La Monde du silence, animals were harmed in the making of this film
Cousteau's eerste avondvullende film La Monde du silence uit 1953 geeft een goed beeld van deze periode. Een revolutionaire film, met net als menig politieke revolutie, de nodige bloedvergieten. Voor het eerst kon in kleur de wonderbaarlijke flora en fauna van (met name) de Rode Zee op het witte doek worden gebracht. Maar het gedrag van de bemanning van de Calypso tegenover het zeeleven is regelmatig gruwelijk of op zijn minst afkeurenswaardig. Zo wordt er bijvoorbeeld met dynamiet gevist (zogenaamd in naam der wetenschap),  koraal met hamers bewerkt en zeeschildpadden getreiterd. Tegen het eind van de documentaire botst de  Calypso per ongeluk op een jonge walvis, die daarbij ernstig gewond raakt. De bemanning besluit daarop het dier uit zijn lijden verlossen. Ongelukje, kan gebeuren. Maar als het karkas vervolgens door haaien aangevreten wordt, wordt er een slachting onder de haaien aangericht. Zogenaamd om de walvis te wreken. De logica hiervan ontging mij volledig en het leek er vooral op dat de heren gewoon lekker wat haaien  wilden vermoorden, die volgens de voice-over 'de vijand van elke zwemmer' zouden zijn. De film werd door tijdgenoten overigens wel gewaardeerd, blijkens beloning met een Gouden Palm en een Academy Award voor best documentaire. Tijden veranderen, zullen we maar zeggen.

Documentaire aangeprezen als science-fiction
In L'Odyssée komen deze wandaden niet expliciet aan de orde, maar wel wordt duidelijk dat Jacques Cousteau tot aan de jaren zeventig niet bepaald gedreven werd door altruïstische motieven. Hij komt naar voren als een ijdele, zelfingenomen man met een hang naar (buitenechtelijk) avontuur en grootheidswaan. Hij heeft lange tijd het idee dat nieuwe technologie tot een kolonisatie van de diepzee zal leiden, met permanente menselijke bewoning van submarine habitats. In retrospectief een lichtelijk bizarre gedachte, maar het paste helemaal in de tijdgeest van de vroege jaren zestig. Het was de tijd toen technologische ontwikkelingen de mensheid nog de mogelijkheid leken te kunnen geven om aan het Aardse bestaan te kunnen ontsnappen. Cousteau wist bij de Franse olie-industrie geld los te praten voor zijn ambitieuze Conshelf project. Het experimentele onderzeeverblijf voor de kust van Sudan zou de eerste stap moeten zijn voor de permanente kolonisatie van het continentaal plat. Daar kwam het uiteraard vervolgens niet van. Het ambitieuze project was onderwerp voor Cousteau's tweede lange documentaire La Monde sans soleil. De film ademt de sfeer van de space race en is een stuk beter te verteren dan zijn voorganger. Niet minder gedateerd dan La Monde du silence, maar nu eerder charmant dan walgelijk. Dit keer geen expliciet geweld tegen dieren, maar een futuristische setting bevolkt door kettingrokende kikvorsmannen in zilveren pakjes. De cinematografie is zeer fraai, alhoewel het zo nu en dan wel nogal in-scène-gezet aandoet. De film (ook al bekroond met een Academy Award voor beste documentaire) is in zijn geheel, in ietwat sub-optimale beeldkwaliteit, op YouTube te bekijken:


Zoals gezegd was het Conshelf-project met name gedreven door Cousteau´s illusoire geloof in submariene kolonisatie. Illusies die nogal wat geld kosten, meer geld dan er binnen komt in de Cousteau-organisatie, zo blijkt naar verloop van tijd in L'Odyssée. Om de schoorsteen van de Calypso toch rokende te kunnen blijven houden, wordt er in de Verenigde Staten financiële steun gezocht. Cousteau weet de hoge heren van het netwerk ABC te overtuigen om een docudrama avant la lettre te bekostigen, waarin de Calypso over de Zeven Zeeën gevolgd wordt. Om de bemanning van de Calypso eenvoudig herkenbaar te maken voor het televisiepubliek, komt Jacques op het lumineuze idee om rode mutsjes te gaan dragen. Een verwijzing naar de traditionele uitmonstering van duikers uit het pre-AquaLung-tijdperk.  De serie The Undersea World of Jacques Cousteau (in het Frans L’Odyssée sous-marine de l'équipe Cousteau, vandaar de titel van de film) is een wereldwijd succes en maakt van Cousteau een nog grotere beroemdheid, met een aanzienlijke impact op de populaire cultuur. Hierbij kan uiteraard de geslaagde parodie The Life Aquatic With Steve Zissou, inclusief de inmiddels clichématige rode mutsjes, van Wes Anderson niet onvermeld blijven.

Maar elk succes heeft een keerzijde. En op deze keerzijde legt L'Odyssée begrijpelijkerwijs de nadruk. De jaren in de schijnwerper hebben Cousteau vervreemd van vrouw en kinderen. Hij is nog altijd getrouwd met Simone Melchior, maar daarmee is eigenlijk ook alles gezegd. Ze runt de dagelijkse gang van zaken op de Calypso, het schip dat net als het huwelijk betere tijden gekend heeft. Zoon Philippe is de egomanie van zijn vader meer dan zat en hoewel hij met hem een passie voor duiken en cinema deelt, mist hij bij Jacques een oprechte inzet voor de bescherming van natuur en milieu. Philippe vestigt zich met zijn Amerikaanse vriendin in Californië, waar hij zijn eigen pad kiest. 

Vervolgens lijkt het voor vader helemaal mis te lopen als zelfs de inkomsten uit de televisieserie geen soelaas meer kunnen brengen voor het (moreel?) bankroete Cousteau-imperium. In een desperate laatste poging om het tij te keren, stelt Jacques een ambitieuze expeditie naar Antarctica voor aan de Amerikaanse televisiebobo's. Hij weet ze te overreden, maar krijgt slechts 1 miljoen dollar toegezegd. Daarmee kan geen ijsbreker gecharterd worden en aldus moet de brakke Calypso het pakijs trotseren. Gekkenwerk, zo lijkt het. Maar gelukkig komt op het laatste moment nog een verzoening tussen vader en zoon Cousteau tot stand. Philippe brengt een moderne kijk op het kwetsbare Antarctische ecosysteem mee aan boord. De unieke natuur van het Zuidpoolgebied en de desastreuze gevolgen van de walvisvaart worden onderwerp van de televisieserie. Zo wordt de expeditie niet alleen een succes voor de familie Cousteau, maar ook voor de bescherming van Antarctica en de walvissen. L'Odyssée legt in de aftiteling een expliciet verband tussen de reis van Cousteau (in 1972) en het Antarctisch Milieuprotocol. Aangezien dat verdrag in 1991 opgezet is en in 1998 geratificeerd werd, weet ik niet zo zeker of dat hard te maken is. Maar dat de documentaires zullen zeker van enige invloed zijn geweest op de perceptie van Antarctica als waardevol natuurgebied.

De hervonden liefde tussen vader en zoon mocht helaas niet al te lang duren, aangezien het noodlot op een gegeven moment toesloeg. Aan drama dus geen gebrek in L'Odyssée. Of het nog goed kwam met het huwelijk van Jacques en Simone, komt eigenlijk niet aan meer verder aan de orde. Feit is dat ze getrouwd zijn gebleven tot de dood Simone in 1990. De film toont Jacques Cousteau als een ambitieuze, vaak egocentrische patriarch. Maar ook iemand die, onder invloed van de nieuwe generatie, met zijn tijd meegaat. Of dit geschetste beeld helemaal klopt, weet ik niet. In hoeverre Philippe van doorslaggevende invloed was op de natuurbeschermer Jacques, is enigszins de vraag. De werkelijkheid zal ongetwijfeld complexer zijn geweest dan in de film naar voren komt. Zo lees ik op Wikipedia bijvoorbeeld dat Jacques zich in 1960 al actief verzette tegen het in zee dumpen van nucleair afval door de Franse overheid.

Ik vond L'Odyssée op zich wel de moeite waard. Al kwam dat wellicht vooral omdat ik het onderwerp interessant vond. Het acteerwerk is namelijk af en toe wat al te dik aangezet en het script legt het drama er vaak weinig subtiel bovenop. En mooie onderwaterbeelden zijn eigenlijk behoorlijk dun gezaaid in een film over de grondlegger van de submariene cinema. Maar voor wie in het verhaal achter de beroemdheid Jacques Cousteau geïnteresseerd is, verschaft L'Odyssée toch wel een aardige en onderhoudende introductie.

zondag 17 augustus 2014

Rusland en Duitsland, twee handen op één buik?

Als er één land is dat een bijzondere relatie tot Rusland onderhoudt, dan is het wel Duitsland. Als land in het midden van het Europese continent, heeft het altijd zowel naar 'het Westen' als naar 'het Oosten' en meer bepaald Rusland gekeken. De geschiedenis kan rijkelijk getuigenis afleggen over de Duits-Russische relaties. Duitsland en Rusland konden het altijd goed met elkaar vinden totdat Duitse imperialisten en later een vanuit Oostenrijk tot rijkskanselier omhooggeklommen individu het in opeenvolgende wereldoorlogen in hun hoofd haalden om de Russische ruimte te willen veroveren.
Een niet zo willekeurig citaat uit een willekeurig artikel over de recente ontwikkelingen binnen Europa. Terwijl de Angelsaksische mogendheden sinds de val van de de Tsaar en de opkomst van Lenin, nu al bijna een volle eeuw, een vrij moeizame relatie hebben met de het grootste land ter wereld, heeft Duitsland in diezelfde periode (met uitzondering van 1933-1938 en 1941-195) een opvallend betere band met Rusland gecultiveerd.

Zonder Duitse hulp had Lenin dit huis in Zürich nooit kunnen verlaten.

Over de zeer opmerkelijke ontwikkelingen in de diplomatieke en politieke verhoudingen tussen Duitsland en Rusland (of liever de Sovjet-Unie) tussen de beide Wereldoorlogen, heeft de legendarische journalist en historicus Sebastian Haffner een zeer lezenswaardig boek geschreven. Het duivelspact vertelt het verhaal vanaf de Duitse list om Lenin naar Rusland te sturen om de revolutie over te nemen en een wapenstilstand tot stand te brengen, tot aan Operatie Barbarossa.

En hoewel Hitler inderdaad dacht dat hij de Sovjet-Unie in een paar maanden met zijn panzers op de knieën zou kunnen dwingen, zag hij een paar jaar eerder ook geen bezwaar in het sluiten van het beruchte Molotov-Ribbentrop-pact met zijn theoretische aartsvijand Stalin. Dit laatste verdrag is slechts één van de vele saillante diplomatieke episodes in de periode 1917-1941. Het verdrag van Rapallo in 1922, waarbij er midden in de nacht in pyjama's door de Duitse diplomatieke top koortsachtig overleg werd gevoerd om de volgende dag pijlsnel een vredesverdrag met Rusland te ondertekenen en zo de Britse premier Lloyd George buiten spel te zetten en verbijsterd en woedend achter te laten, wordt door Haffner gekenschetst als 'een van de grote gebeurtenissen van de eeuw, een aardschok die het gehele internationale toneel veranderde.'

Het verdrag van Rapallo zette de toon voor ruim tien jaar durende, intensieve Duits-Russische samenwerking. Niet alleen diplomatiek en economisch, maar vooral ook militair. De aan Duitsland in het verdrag van Versailles opgelegde beperkingen met betrekking tot landmacht, vloot en luchtmacht, werd in het diepste geheim ontweken door diep in Rusland, onttrokken aan het oog van de rest van de wereld, wapens te produceren en militairen op te leiden. De Sovjet-Unie profiteerde op zijn beurt van de geavanceerde Duitse techniek en tactieken door de bouw van fabrieken en gezamenlijke oefeningen. Zo lag de kiem voor de legers die elkaar in de jaren '40 op leven en dood bevochten, ironisch genoeg in de nauwe coöperatie van de beide grootmachten.

Een koele vriendschap of een warme rivaliteit?

Beide mogendheden hadden steeds wisselende motieven en bijbedoelingen met de samenwerking, maar constant was de dreiging van een oppermachtig Frans-Anglo-Amerikaans blok de kracht die de potentiële vijanden in elkaar armen dreef. En in dat opzicht is de situatie heden ten dage eigenlijk niet te vergelijken met de politiek-diplomatieke constellatie van het interbellum. Poetins buitenlandpolitiek doet wellicht nog wel wat aan de nationalistische paranoia van Stalin denken, maar Duitsland is tegenwoordig juist diep verankerd in de Noord-Atlantische alliantie. Dat Merkel echter van alle westerse leiders nog het best met het Kremlin over weg kan, zou je (met een lichtelijk teleologische redenering) wel aan de hand van de lange Duits-Russische geschiedenis kunnen verklaren. Rusland voelt zich, al dan niet terecht, duidelijk miskend en gedemoniseerd door het Westen en dan is het goed te weten dat er in elk geval één vooraanstaande westerse natie is, die vertrouwd is als trait-d'union tussen Oost en West te fungeren.

zondag 18 mei 2014

De weerbarstige realiteit van het westerse boeddhisme

Zo als zoekende westerling op reis in Azië is het natuurlijk een klassieke topos om geïnteresseerd te raken in het boeddhisme. En in deze zal ik mijn volgelingen ook niet teleurstellen. Ik heb menig tempel bezocht. Zo hier en daar heb ik wat wierook gebrand. Ik heb What the Buddha taught van Walpola Rahula gelezen. Ik heb twee nachten te midden van monniken doorgebracht en daarbij tevens 's ochtends voor dag en dauw hun dagelijkse vuurritueel bijgewoond.

Santenkraam, er is denk ik geen andere taal een beter woord om de tempels van de Japanse Shingon-sekte te beschrijven.

Dit alles past natuurlijk in het gekende patroon van de zweverige gelukszoeker in het Verre Oosten. Maar ik heb geprobeerd dit cliché ietwat te ontkrachten, door mij ook te verdiepen in de keerzijde van het westers boeddhisme. Want dat is wellicht de eerste concessie aan de realiteit die gedaan moet worden door de serieuze Dharma Bum. Dat een persoon geboren en getogen binnen een westerse cultuur en maatschappij die het boeddhisme omarmt, automatisch ook een westerse invulling aan de levensbeschouwing geeft.

Dat is uiteraard niks nieuws. Evengoed heeft het boeddhisme in zijn tocht van India naar Japan, via China en Korea, meerdere kleinere en grotere invloeden van de plaatselijke gebruiken, rituelen en denkwijzen ondergaan. Het feit dat het boeddhisme in feite een gedecentraliseerde stroming is, maakt het bij uitstek geschikt voor allerhande aanpassingen en interpretaties. Dit blijkt alleen al in Japan uit de veelheid van stromingen en sektes binnen het boeddhisme die in heden en verleden tot bloei zijn  gekomen.

Wat dat betreft is het dus niet gek dat ook in het Westen het boeddhisme een voedingsbodem heeft gevonden en er westerse interpretaties van het boeddhisme zijn ontstaan, die ontegenzeggelijk geïnspireerd zijn op inheemse wijsgerige en levensbeschouwelijke tradities. Vandaar dat ik tijdens mijn verblijf in de Oriënt ook Cruel Theory - Sublime Practice: Toward a Revaluation of Buddhism ter hand heb genomen. Het boek bestaat uit drie essays van evenzovelen auteurs, die ik in een drietal beschouwingen zal pogen te bespreken.

 Ik heb eens gehoord dat als je drie argumenten paraat hebt, dat je dan moet beginnen met het op één na beste argument, vervolgens het minste argument moet geven en om het beste argument tot het laatst moet bewaren. Bij het lezen van Cruel Theory - Sublime Practice moest ik aan die les in retorica denken. Het eerste essay van Tom Pepper kon mij bij tijd en wijle zeer bekoren, het opstel van Glenn Wallis was duidelijk minder en het afsluitende stuk van Matthias Steingass vond ik geweldig. Al bij al een lezenswaardige publicatie die een scherpe blik werpt op de weerbarstige realiteit van een imperfecte levensbeschouwing.

dinsdag 14 januari 2014

Het verdriet van Europa

Het is inmiddels bijna 100 jaar geleden dat de duisternis over Europa neerdaalde en het Belle Epoque ten einde kwam. We kunnen ons afvragen hoe veel verder we nu zijn gekomen. Zijn de wonden geheeld, is de oude orde hersteld? In vele opzichten vormde de Eerste Wereldoorlog een cesuur sans précédent in de Europese geschiedenis. Vervolgens kwam 14-18  (met name in Nederland) natuurlijk in de lange slagschaduw van 39-45 terecht, al was het maar omdat vaak genoeg gesuggereerd is dat het tweede conflict het eigenlijke sluitstuk van het, eerste onafgesloten conflict vormde. Op die hardnekkige veronderstelde causaliteit kom ik later wellicht nog terug, maar in dit artikel wil ik de aandacht vestigen op een belangwekkend boek aangaande de Eerste Wereldoorlog dat enige jaren geleden door de Britse econoom-historicus Niall Ferguson is geschreven: The pity of war (in het Nederlands verschenen als De erbarmelijke oorlog).

Dat de Eerste Wereldoorlog gewonnen werd door Frankrijk en Groot-Brittannië is met het oog op het resultaat eigenlijk moeilijk vol te houden. Het was een klassieke pyrrusoverwinning. De westerse geallieerden wisten de koloniale bezittingen van Duitsland te verdelen, maar daar tegenover stond ook voor hun een groot verlies. En die koloniën waren ze binnen veertig jaar toch allemaal weer kwijt. Het is sowieso de vraag wat het hele negentien/twintigste-eeuwse koloniale verhaal heeft opgeleverd. Ferguson suggereert dat het met name voor Groot-Brittannië nogal wat extra kapitaal opleverde, wat in de Eerste Wereldoorlog goed van pas kwam. Ferguson poneert zelfs de stelling dat het niet zo zeer industriële productie, als wel economische kapitaalkracht uiteindelijk de doorslag gaf in het verloop van de oorlog. En het kapitaal dat Groot-Brittannië had vergaard in de loop van de negentiende eeuw legde dus meer gewicht in de schaal dan het Kruppstaal uit het Ruhrgebied. Maar nu verklap ik een deel van Fergusons conclusies reeds.

Niet het gehele boek is met zo'n afstandelijke rationeel-wetenschappelijke blik geschreven als de delen waarin hij de economische toestand van de grootmachten analyseert. Het is deels ook een duidelijk Brits geschiedenisboek. En een centrale vraag met betrekking tot de rol van Groot-Brittannië in de oorlog is of het wel de moeite waard was om Duitsland de oorlog te verklaren. Ferguson komt met een duidelijk antwoord op die vraag: de oorlogsverklaring was "nothing less than the greatest error of modern history," omdat Duitsland volgens hem uiteindelijk geen reële bedreiging vormde voor de Britse belangen. Groot-Brittannië stond er financieel veel beter voor dan Duitsland en had in wezen weinig belangen op het Continent. Als Duitsland Frankrijk zou hebben verslagen en vervolgens, zoals Ferguson veronderstelt, een Bismarckiaanse proto-EU had gevormd, dan was dat in wezen alleen maar ten goede gekomen aan de Britse diplomatieke en handelsrelaties met Europa. En op koloniaal vlak waren Rusland en Frankrijk de belangrijkste rivalen van Groot-Brittannië, de mantra keep your friends close, but keep your enemies closer was immers de leidende gedachte geweest bij de vorming van de Triple Entente. Duitsland was in 1914 dus geen directe bedreiging voor The Empire. En daarom schrijft Ferguson de escalatie van het conflict voor een belangrijk deel op Brits conto: "it was the British government which ultimately decided to turn the continental war into a world war, a conflict which lasted twice as long and cost many more lives".

Ferguson is thuis in de economie en de Duitse taal en cultuur en dat is te merken. Waar andere Angelsaksische geschiedschrijving vaak een nogal eenzijdig perspectief biedt, weet Ferguson de Duitse motieven gedurende het verloop van het conflict goed weer te geven. De Franse, Russische, Oostenrijk-Hongaarse en Ottomaanse kant van de zaak komt minder aan bod, maar dat wijst er alleen maar op dat de auteur zich van zijn beperkingen bewust is en zich met name richt op de elementen van de geschiedenis waar hij daadwerkelijk wat interessants over te vertellen heeft. Allereerst weet hij een aantal hardnekkige mythes door te prikken over de tijdgeest waarbinnen de Europese machtspolitiek tot een militaristisch kruitvat uitgroeide. En hij weet, zoals gezegd, de invloed van geld en kapitaal op het handelen van de strijdende partijen helder te duiden. Daarnaast gaat hij ook nog in op het complexe begrip publieke opinie en de rol propaganda in de vorming van het beeld van de oorlog bij burgers, soldaten en nageslacht. Ook wordt er aandacht besteed aan de motivatie van soldaten om te gaan vechten, om door te blijven vechten en om uiteindelijk te stoppen met vechten. Tenslotte wordt er ook nog nadrukkelijk aandacht besteed aan het na-oorlogse economische beleid, de herstelbetalingskwestie en de uiteindelijk tragische gevolgen daarvan.

Maar ik zal niet al die aspecten bespreken. Wie daar meer over wil weten moet immers maar het boek lezen, waarin de auteur zijn volledige argumentatie ontvouwt. Kortgezegd valt samen te vatten dat het militarisme niet een extreem sterke kracht was. Wat wel de oorzaak is van de Oorlog komt minder goed naar voren, maar de suggestie van ongelukkige samenloop van omstandigheden wordt gewekt. En wie het boek The Guns of August van Barbara Tuchman heeft gelezen, die weet dat het het wellicht eerder een gebrek aan daadkracht van de leidende partijen was om een oorlog te vermijden, dan een daadwerkelijke wil om een oorlog te beginnen.

De leiders hadden geen zin om de oorlog te stoppen, dus kwam er een oorlog. Oorlog werd niet als iets slechts gezien. Dat een oorlog voor alle strijdende partijen nadelig zou kunnen zijn, was niet aan de orde. En er was ook geen besef van de enorme economische inzet die nodig zou zijn om de oorlog te winnen. Het concept 'totale oorlog' was nog onbekend. Zowel Groot-Brittannië, Frankrijk als Duitsland kwamen ernstig gehavend uit de oorlog. Voor Oostenrijk-Hongarije en het Ottomaanse Rijk betekende de oorlog de doodsteek. En de gevolgen van de revoluties, die veroorzaakt werden door het dramatische strijdverloop aan het Oostfront, in Rusland zijn genoegzaam bekend. Een tijdperk kwam ten einde, een generatie liet het leven en er kwam een nieuw (inherent labiel?) staatkundig evenwicht tot stand.


De enige juiste kijk op de geschiedenis?
Fergusons boek is extra actueel nu in Groot-Brittannië nogal een rel is ontstaan doordat de conservatieve minister van onderwijs Micheal Gove de zogenaamd linkse historici de maat neemt en stelt dat de moed en het patriottisme van de soldaten in de Grote Oorlog te weinig aandacht krijgt. Ook vindt hij dat het voor eens en altijd duidelijk moet worden gemaakt dat toch echt alleen Duitsland schuld had aan het uitbreken van de oorlog en dat Groot-Brittannië van elke blaam gezuiverd dient te worden. Het is in dit verband goed te weten dat de revisionistisch geschiedschrijving van Ferguson allerminst marxistisch of links geïnspireerd genoemd kan worden. Ferguson is juist een rechtgeaarde conservatief. Dat uitgerekend Niall Ferguson, na gedegen historisch onderzoek, tot de conclusie komt dat de oorzaak van de Eerste Wereldoorlog minder zwart-wit is dan ons traditioneel vaak voorgespiegeld wordt, geeft te denken over de validiteit van de opvattingen van Gove. Waarschijnlijk is het juist de eenzijdige blik op de geschiedenis van Micheal Gove, die gestuurd wordt door politieke opvattingen.

maandag 6 januari 2014

De leegte, het verval en de pretentie


Kan een film drijven op uiterlijk vertoon alleen? Dat was de vraag die ik mezelf stelde na het zien van de film van het jaar 2013 (volgens NRC dan): La Grande Bellezza van Paolo Sorrentino. Het is een film die gaat over het materieel rijke, maar geestelijk arme, Roomse leven van verveelde jetsetters op leeftijd. Van een verhaal is eigenlijk geen sprake. We volgen slechts de escapades van Jep Gambardella (Toni Servillo), een playboy die in een grijs verleden naam heeft gemaakt als auteur, maar die na zijn glansrijke debuut een eeuwigdurend writers block kent.

De man en het niks

Feitelijk gebeurt er niks noemenswaardigs in de film. De muziek is prachtig en de beelden zijn oogstrelend. Maar verder is er leegte. En dat bijna drie uur lang. Het is niet zo dat er niks vermakelijks gebeurt. Er zijn af en toe lichtelijk amusante scenes en er worden zo nu en dan wat spitsvondige bon mots gebezigd. Maar uiteindelijk is het niks meer dan een optocht van verveelde en verwende oude mensen die niet weten wat ze met hun leven aan moeten. Tja.

Dit alles dus gesitueerd in Rome. De Eeuwige Stad. Al millennia lang in verval, maar nog altijd van een tijdloze schoonheid. Door dit decor bewegen onze helden op leeftijd zich van het ene bacchanaal naar de andere opgecokete polonaise. Het verval van een generatie. Zij die ooit dachten de wereld te kunnen verbeteren met hun schoonheid en hun idealen, hebben hun verlies genomen en trachten met botox de schone schijn op te houden. Waar ze het allemaal van doen is volstrekt onduidelijk. Maar dat doet er eigenlijk niet toe. De creditcard is waarschijnlijk gewillig.

Ik zal ook maar het eind verklappen, omdat ik toch niemand deze film echt kan aanraden. Ik zou gewoon zelf naar Rome gaan en daar de bloemetjes buiten zetten. In plaats van naar een misselijkmakend geriatrisch carnaval op het witte doek te moeten kijken. Maar goed, onze vriend Jep onthult op het eind waarom hij al veertig jaar een leeg leven leidt en nooit meer aan scheppend werk is toegekomen. Hij had eerst getracht een Roman over Niets te schrijven, zoals Flaubert, maar dat lukte niet. Vervolgen was hij op zoek gegaan naar de Grote Schoonheid (als in de titel), maar die zoektocht is dus op niks uitgelopen. Tja.

Als groteske desillusie is de film wellicht geslaagd, maar als film naar mijn mening niet. Uiteraard kan geclaimd worden dat het hier grote Grote Kunst over de schoonheid en het niets betreft, maar volgens mij heeft de keizer in dit geval gewoon geen kleren aan. Ik sta best welwillend tegenover l'art pour l'art, maar dat wil niet zeggen dat een pretentieuze vergulde drol geen drol is. De lof die de film ten deel valt, lijkt mij een gevalletje van holle vaten klinken het hardst. La Grande Bellezza is een film die sterft in schoonheid.

De Gouden Drol 2013 gaat naar La Grande Bellezza!

dinsdag 24 december 2013

Heeft de wetenschap het antwoord op alle denkbare vragen?

Nadat ik in een eerdere tirade van leer was getrokken tegen de zingevende pretenties van de wetenschap, kwam de te verwachten reactie dat mijn betoog niet meer dan een stroopredenering betrof. Ik zou een stroman aanvallen, een standpunt dat niemand daadwerkelijk wenst te verdedigen. Het kwam dan ook goed uit, dat ik in de boekwinkel een boek tegenkwam waarin het door mij bestreden standpunt met verve verdedigd wordt. In The Atheist's Guide to Reality, Enjoying Life without Illusions verkondigt de filosoof Alex Rosenberg dat de wetenschap het antwoord kan geven op de vraag wat de zin des levens is. En hij houdt daarmee niet op, hij stelt ook dat een wetenschappelijk geïnspireerd moreel nihilisme de enige rationeel verdedigbare levensbeschouwing is voor de moderne atheïstische mens. Toe maar, dat vraagt om een reactie van mijn kant. En ik zal dus een poging wagen.

"The physical facts fix all the facts."

Het simplistische harde deteminisme spat van de pagina's. Hij begint het boek door te stellen dat hij er al van uit gaat dat zijn weldenkende lezers per definitie atheïsten zijn. Het geloof in God is immers niets anders dan jezelf systematisch voor de gek te houden. Een aanval op God à la Dawkins of Hitchens ziet hij als een hopeloos achterhoedegevecht. We moeten vooruit kijken en op zoek gaan naar een rationeel alternatief voor religie dat antwoord kan geven op de vragen die traditioneel binnen het bereik van de religie en levensbeschouwing vallen. En wat hem betreft kan de wetenschappelijke studie van de fysieke wereld ons het antwoord op die vragen bieden.

Volgens Rosenberg heeft de wetenschap een helder antwoord op een aantal gevoelige vragen, die de mensheid al millenia lang bezighouden:

  • Is there a God? No.
  • What is the nature of reality? What physics says it is.
  • What is the purpose of the universe? There is none.
  • What is the meaning of life? There is none.
  • Why am I here? Just dumb luck.
  • Does prayer work? Of course not.
  • Is there a soul? Is it immortal? No.
  • Is there free will? Not a chance!
  • What happens when we die? Everything pretty much goes on as before, except us.
  • What is the difference between right and wrong, good and bad? There is no moral difference between them.
  • Why should I be moral? Because it makes you feel better than being immoral.
  • Is abortion, euthanasia, suicide, paying taxes, foreign aid or anything elde you don't like forbidden, permissible, or sometimes obligatory? Anything goes.
  • What is love, and how can I find it? Love is the solution to a strategic interaction problem. Don't look for it; it will find you when you need it.
  • Does history have any meaning or purpose? It's full of sound and fury, but signifies nothing.
  • Does the human past have any lesson for the future? Fewer and fewer, if it had any to begin with.

Het indrukwekkende succes van de natuurkunde als basis voor onze groeiende kennis over de fysieke wereld en de gigantische verklarende kracht van Darwins evolutietheorie zijn voor Rosenberg aanleiding om tot deze stellige uitspraken te komen. Hij vindt dat er uiteindelijk rationeel gezien geen andere levenbeschouwing verdedigbaar is dan het nihilisme, maar volgens hem is het wel een aangenaam nihilisme. Als het om normen en waarden gaat zijn er geen normen en waarden die intrinsiek goed zijn. Normen en waarden zijn onderhevig aan natuurlijke selectie en de normen en waarden die nu door de meeste mensen op Aarde gedeeld worden (en waarvan een deel vervat zijn in de Universele verklaring van de rechten van de mens), zijn de normen en waarden die na duizenden jaren van selectiedruk de meeste fitness blijken te hebben. En we kunnen dus best volgens die normen en waarden leven, maar we moeten niet denken dat ze intrinsieke waarde hebben.

Tot zover kan ik nog met de standpunten van Rosenberg leven. Hoewel ik het niet met hem eens ben, vind ik zijn redenatie interessant. De vraag is natuurlijk of normen en waarden daadwerkelijk door middel van evolutionaire principes worden geselecteerd. Hij raakt nog wat verder van mijn pad af, als hij gaat beweren dat het bewustzijn een illusie is. Wat we denken en waarnemen heeft geen aanwijsbare betrekking op materiële dingen en is dus per definitie waardeloos. Al onze handelingen worden geleid door hersenprocessen die geen concrete afspiegeling in het bewustzijn hebben. Rosenberg is zich er van bewust dat hij zich op filosofisch glad ijs beweegt en hij komt dan ook zelf met het klassieke tegenargument: What is it like to be a bat?



Thomas Nagel trachtte de materialistische aanvallen op het zelfstandig bewustzijn te ontkrachten met een klassiek geworden gedachte-experiment. Stel je voor dat je een vleermuis bent. Kun je als mens je voorstellen hoe het is om een vleermuis te zijn? We kunnen ons wellicht voorstellen dat het bezitten van echolocatie vergelijkbaar is met wat een sonar-technicus aan boord van een onderzeeër beleeft. Maar dan stellen we ons eigenlijk voor hoe het is om als mens in een vleermuislichaam gevangen te zijn en echolocatie te kunnen gebruiken. We kunnen ons uiteindelijk niet voorstellen hoe het is om daadwerkelijk een vleermuis te zijn. 

Other organisms have their own kind of subjective experiences, and even the most extensive neurological study won't capture what it's like to have those experiences. Neuroscience can only show what goes on in the bat's brain when it's having its echo-locating experiencs. It cannot tell us what having those experience is like.

Hier heeft Rosenberg dus een probleem. Want hoewel hij eerder hoog op heeft gegeven over het verklarende vermogen van de neurowetenschappen, loopt hij nu op tegen de beperkingen ervan. Hij redt zich uiteindelijk uit deze, door hem zelf opgezette, val met twee kunstgrepen. Ten eerste zegt hij dat het tegenargument vals speelt, doordat het eisen stelt aan de wetenschap die onredelijk zijn. En ten tweede komt hij met wetenschappisme (scientism) op de proppen, als eenvoudig lapmiddel voor de gaten die de wetenschap (science) niet kan vullen. Hij komt er, na het bespreken van een aantal andere voorbeelden en gedachte-experimenten, uiteindelijk op uit dat de filosofische critici zoals Nagel de wetenschap voor een onmogelijke en onredelijke uitdaging stellen, doordat de vraag niet met wetenschappelijke middelen beantwoord kan worden:

The challenge to neuroscience of explaining what it's like to be a bat turns out to be the demand that it solve that mystery whit its hand tied behind its back. It's no surprise that science can't solve a problem posed this way. After all, science isn't magic.

Hij gaat vervolgens ook nog in op de Monadologie van Leibniz, waarin gesteld wordt dat "waarneming niet verklaard kan worden door mechanische principes, door vormen en bewegingen en dat niets dat afhankelijk is van waarneming daardoor verklaard kan worden". Rosenberg vind dat zulke redenaties het gevolg zijn van misleiding door ons onbetrouwbare bewustzijn. Argumenten die puur op introspectie gebaseerd zijn, zijn niet vergelijkbaar met objectief wetenschappelijk bewijs. Daardoor zijn de redenaties van Leibniz en Nagel uiteindelijk geen bedreiging voor scientism:

So, when it comes to to the presistent question of what the minde is, scientism can disregard objections that are based on Leibniz's thought experiment or Nagel's. It can disregard the argument that subjectivity is not physical, so there must be nonphysical mind, person, self, soul that has the subjective experience. It can disregard denials that the mind is the brain.

Is this intellectually responsible? Yes. Our evidence for the truth of physics as the complete theory of reality is much stronger than our evidence for the truth of the conclusion of any thought experiment that relies on introspection. Plus, introspection is wrong about so much, it can't carry any weight against science. Scientism is safe to conclude that there are flaws in Nagel's argument and Leibniz's. We don't know where the slips occur but we know that their conclusions are false.

To repeat, it would be intellectually irresponsible for neuroscience to disregard these arguments. They present in a wonderfully effective way some of the great scientific challenges that face neuroscience. It's a challenge scientistic non-neuroscientists are confident neuroscience will eventually resolve. The challenges of neuroscience are not problems for scientism.

Ik heb Rosenberg hier uitvoerig geciteerd, omdat hij hier duidelijk maakt wat scientism voor hem betekent. Het geloof dat de wetenschap uiteindelijk alle vragen kan beantwoorden, inclusief de vragen die de wetenschap nu nog niet kan beantwoorden. Dat is een geloof dat ik niet deel, maar het is goed dat hij uiteindelijk ook toegeeft dat een deel van zijn zogenaamd rationeel-wetenschappelijke wereldbeeld op geloof is gebaseerd.

Vrije wil of determinisme? Volgens Rosenberg heeft de wetenschap het laatste woord in deze kwestie.

Ook zijn argumenten tegen de vrije wil, die voortkomen uit zijn strikte determinisme, vind ik persoonlijk niet echt overtuigend. Rosenberg zegt dat de vrije wil één van de illusies is die voortkomen uit introspectie. Introspectie is volgens hem per definitie onbetrouwbaar en aangezien het universum door de onbreekbare natuurwetten geregeerd wordt, is voor de vrije wil van het individu geen plaats. Ik laat mij in mijn persoonlijke overtuigingen welbewust ook door introspectie leiden, dus ik accepteer zijn argumenten op dit gebied logischerwijs niet.

Hij maakt tegen het eind van het boek expliciet duidelijk dat hij de wetenschap niet als heilsleer ziet en ook niet als peiler onder een mogelijk seculier-humanistisch alternatief voor religie. Hij gaat er immers van uit dat er geen hoger doel is en dat de wetenschap daar dus onmogelijk naar kan streven. Hij is dan ook kritisch op zij die de wetenschap in een niet-nihilistisch verband plaatsen:

Even so adamant an atheist as Richard Dawkins has succumbed to the delusion that a substitute for religion is required and available form science. People ask Dawkins, "Why do you bother getting up in the morning if the meaning of life boils down to such a cruel pitiless fact, that we exist merely to help replicate a string of molecules?" His answer is that "science is one of the supreme things that makes life worth living."

Alex Rosenberg is een filosoof die de uiterste consequenties van zijn redenaties niet schuwt; rationeel denken kan volgens hem alleen leiden tot deterministisch nihilisme. De morele implicaties daarvan zijn volgens hem minder radicaal dan men wellicht zou kunnen verwachten. Uiteindelijk zijn altruïstische en aangename normen en waarden door natuurlijke selectie in menselijke culturen ruimschoots aanwezig zijn en hoeven we ons geen zorgen te maken over wat Darwin omschreef als nature, red in tooth and claw. Ik weet niet of ik het met die conclusies eens ben. Wellicht hecht mijn onbetrouwbare (?) bewustzijn te veel waarde aan humanisme, om volledig te kunnen vertrouwen op Rosenbergs hardvochtige conclusies.

vrijdag 15 november 2013

De rechtvaardige rechters

In eerdere artikelen heb ik mijn lof geuit over enkele oorlogsfilms die geproduceerd zijn in de Sovjet-Unie. De vraag dringt zich vervolgens op of er ook in de Verenigde Staten films over de Tweede Wereldoorlog zijn gemaakt die evengoed mijn goedkeuring kunnen wegdragen. Klassieke vertellingen over het epische krijgsgeweld zijn er natuurlijk in alle soorten en maten. En de blik die Hollywood ons op het strijdtoneel blikt is soms goed (Letters from Iwo Jima, Patton), soms redelijk (Cross of Iron, The Longest Day), soms matig (Saving Private Ryan, A Bridge too Far) en soms slecht (The Battle of the Bulge, Inglourious Basterds). Tot voor kort had ik echter geen echt uitmuntende Amerikaanse film over de Tweede Wereldoorlog gezien. Totdat ik Judgment at Nuremberg zag.

Wat natuurlijk direct opvalt is dat Judgment at Nuremberg (Stanley Kramer, 1961) geenszins een klassieke oorlogsfilm is. Het is een rechtbankdrama, met als onderwerp het 'Juristenproces' dat onderdeel uitmaakte van de zogeheten Subsequent Nuremberg Trials die tussen 1946 en 1949 werden gehouden in de nasleep van het befaamde eerste Proces van Neurenberg waar de meest prominente kopstukken van Nazi-Duitsland terecht stonden. De vervolgprocessen vonden, nog meer dan het eerste proces, in de groeiende schaduw van de Koude Oorlog plaats. Doordat de VS steeds minder Duitsland als vijand en steeds meer als potentiële bondgenoot zag, werd de drang om de misdaden van het nazi-regime aan de kaak te stellen snel minder.

De verminderde interesse van de geallieerden voor het vervolgen van nazi's komt in de film duidelijk naar voren. Hoe langer het proces vordert, hoe minder de aanklagers de Duitse publieke opinie tegen de haren in willen strijken door strenge straffen tegen voormalige ambtsdragers te eisen. Dat de film handelt over het proces tegen rechters, zorgt natuurlijk nog voor extra complexiteit. In hoeverre zijn rechters verantwoordelijk voor het ten uitvoer brengen van nazistische wetgeving? Een kwestie die alleen maar lastiger wordt, als men in ogenschouw neemt dat de protagonist van de film, rechter Dan Haywood (Spencer Tracy), in wezen zijn collega's moet berechten terwijl er nauwelijks precedenten zijn of jurisprudentie op dat gebied is. Na de oorlog stond het internationaal strafrecht nog in de kinderschoenen, dus rechters zoals Haywood hadden aanzienlijke vrijheid om zelf, met behulp van de beperkt beschikbare literatuur, een passend juridisch oordeel te vormen over de zaak. Het was alleen vaak wel zo dat er druk werd uitgeoefend op de rechters om tot een vonnis te komen dat niet strijdig was met het contemporaine politieke klimaat, iets wat in de film ook niet onbesproken blijft.

Aangezien de rechter in theorie een grote mate van autonomie had, is het dan ook niet meer dan logisch dat het verblijf van Haywood in Neurenberg en zijn interactie met de lokale bevolking een prominente plaats in de film inneemt. De na-oorlogse houding van de Duitsers blijft in deze film niet slechts steken bij de nu haast clichématige wir haben es nicht gewusst-mentaliteit, maar de complexiteit van het omgaan met gevoel van zowel schuld als slachtofferschap komt nadrukkelijk aan bod. Op dit vlak moet met name de rol van Marlene Dietrich geprezen worden. Ze speelt een Duitse dame op gevorderde leeftijd, wier man een officier in de Wehrmacht was, die geëxecuteerd is omdat onder zijn bevel oorlogsmisdaden zouden zijn begaan. Naar het schijnt had Dietrich grote moeite met het spelen van deze reactionaire, doch charmante vrouw, aangezien ze zelf een grote afkeer had ten opzichte van de door de Duitse bevolking geclaimde onwetendheid aangaande de gruwelen van het nazi-regime. Toen deze haast fysieke walging haar acteerwerk in de weg begon te staan, kreeg ze uiteindelijk de tip om maar aan haar moeder te denken. Het uiteindelijke filmpersonage 'mevrouw Bertholt' is dus grotendeels een projectie van Marlene Dietrich's moeder.

In de uiteindelijke rechtszaak komt het niet alleen tot een confrontatie tussen de aanklagers en de verdediging, maar ook de aangeklaagde rechters onderling hebben een nogal verschillende kijk op de schuldvraag. Uit deze complexe juridische maar vooral ook ethische kluwen moet Dan Haywood een rechtvaardig oordeel zien te spinnen. Dat dat hem persoonlijk zwaar valt is niet verbazingwekkend, desondanks is het verbluffend hoe goed de film de morele dilemma's weet te verbeelden en de toch soms droge juridische kost menselijke gezichten weet te geven. Uiteraard wordt er niet voorbijgegaan aan de intensiteit van de misdaden van het nazi-regime en de daaraan gekoppelde complexe schuldvraag. Dat de film al deze abstracte danwel gruwelijke thema's toch op een geëngageerde en kunstige wijze weet te behandelen, maakt de film wat mij betreft tot een waar meesterwerk.

De film is (momenteel) in zijn geheel beschikbaar op YouTube:

vrijdag 30 augustus 2013

De opgang

Een film die qua onderwerp zeer vergelijkbaar is met Kom en zie, maar qua thematiek en sfeer nogal verschillend is. Dat is Voskhozhdeniye (The Ascent) van Larisa Shepitko uit 1977. Ook deze film gaat over partizanen in Wit-Rusland. Maar deze film is eerder verstild en ingetogen, dan barok en bombastisch. Toch zal ook deze film menig kijker nog lang bijblijven.

De film beschrijft het lot van twee partizanen die met zware keuzes geconfronteerd worden. De mannen, Rybak (Vladimir Gostyukhin) en Sotnikov (Boris Plotnikov) worden gepot door een Duitse patrouille en na een lange vlucht gearresteerd en meegenomen naar een legerkamp. Daar worden ze beide ondervraagd door een agent van de Wit-Russische hulppolitie (Weißruthenische Hilfspolizei), de rechterhand van de Duitsers als het om het opsporen van vijandige elementen ging. Hij stelt beide mannen voor een even simpel als onmogelijk dilemma: je kameraden verraden of sterven. 

Dit geeft eigenlijk al een beetje aan dat deze film het genre van Tweede-Wereldoorlogsfilm weet te overstijgen. De oorlog vormt slechts een achtergrond bij de handelingen van de personages. De film had in principe ook in de Middeleeuwen, de klassieke oudheid of de toekomst gesitueerd kunnen zijn. Uiteraard geeft de setting in de Tweede Wereldoorlog wel een herkenbaar moreel referentiekader aan de kijker en zo dus ook extra diepgang aan de karakters.

Zoals gezegd is het dus in wezen een tijdloos verhaal over verraad en opoffering in een historisch decor. Door dit decor is direct voor de kijker duidelijk dat de Wit-Russische politieagent (meesterlijk gespeeld door Anatoli Solonitsyn, bekend uit de Tarkovsky-producties Andei Rublev, Solaris en Stalker) een in-en-in slecht persoon is, ook al doet hij zich soms vriendelijk voor. Ook is direct duidelijk dat we met de partizanen in principe de goeien voor ons hebben. Dat uiteindelijk de partizanen niet als moreel onkreukbare ridders van de communistische zaak naar voren komen, is wellicht verrassend voor de bevooroordeelde westerling. De film weet de subtiliteiten van de hardvochtige werkelijkheid, die niet zwart-wit was, maar juist door grijs gekenmerkt werd, perfect te verbeelden.

Dat de historische realiteit juist door een fictief, tijdloos drama het best wordt verbeeld, is wellicht niet verrassend. De tragedies van Sofokles en Sheakespeare hebben immers ook vaak een (crypto-)historische basis. En dat zijn bij uitstek werken die eeuwen na dato nog altijd mensen weten te roeren. Wat mij betreft heeft Shepitko een van de zeldzame films gemaakt, die vergelijking de met de grote kunstwerken in de geschiedenis aankan.


Larisa Sheptiko
Behalve het onderwerp, partizanen in Wit-Rusland, is er nog een opvallend verband tussen De Opgang en Kom en zie. De regisseur van de laatste film, Larisa Shepitko. Helaas heeft Shepitko het meesterwerk van haar man nooit mogen aanschouwen, aangezien ze in 1979 op 41-jarige leeftijd bij een auto-ongeluk om het leven kwam.

woensdag 28 augustus 2013

Kom en zie

Na de introductie op de materie in een voorgaand artikel, zal ik in dit artikel nader ingaan op de film Idi i smotri (Come and See) en de context van het fictieve en tegelijk historisch-realistische verhaal dat deze film vertelt over de Tweede Wereldoorlog in Wit-Rusland.

De film is in 1985 uitgebracht in de Sovjet-Unie ter gelegenheid van de viering van 40 jaar overwinning op Nazi-Duitsland. De film is echter allesbehalve triomfalistisch. Bitter en nihilistisch zou de een zeggen, morbide en poëtisch zou een andere interpretatie kunnen zijn. Absurdistisch, realistisch, gruwelijk, confronterend, het zijn allemaal termen die van toepassing zouden kunnen zijn op deze film.

Of de kijker de film positief of negatief beoordeelt, is iets heel persoonlijks. Een ding weet ik echter vrij zeker: het zien van deze film gaat je niet in de koude kleren zitten en zal je wellicht nog lang achtervolgen. Als je snel nare dromen krijgt van films en daar geen prijs op stelt, dan is het eventueel aan te raden deze film te vermijden. Want wat je er ook van vindt, lichtvoetig vermaak is het zeker niet.

Het onderwerp van de film is de strijd tussen Duitse legereenheden en partizanen in Wit-Rusland en de repesailles die de Duitsers op de burgerbevolking uitvoeren. De protagonist is een jongen, ogenschijnlijk nog nauwelijks in de pubertijd, die wordt meegezogen in de wervelwind van de geschiedenis die in zijn omgeving huishoudt. Dat hij er niet zonder kleerscheuren vanaf komt moge duidelijk zijn.

Dat er achter het front partizanen actief waren is wellicht bij meesten wel bekend. Wat minder bekend is, dat dit met name in Wit-Rusland op zo'n grote schaal gebeurde dat de Duitsers er serieus hinder van ondervonden en de Sovjet-propaganda hun daden nauwelijks hoefde te overdrijven. Het landschap van Wit-Rusland, met zijn onherbergzame wouden en moerassen, was dan ook sterk in het voordeel van de partizanen. Die konden met hun terreinkennis en lokale contacten eenvoudig de Duitsers het leven flink zuur maken. Van een Duitse bezettingsmacht was achter de frontlinie nauwelijks sprake en de essentiele verbindingen tussen het front en het achterland, zoals bruggen en spoorwegen, waren dan ook een vrij eenvoudig doelwit.

In de film komen deze acties eigenlijk niet aan bod. Van verheerlijking van de heldendaden van de partizanen is dan ook geen sprake. Hun armzalige bestaan, de constante dreiging van de vijandelijk vuur en de zware interne discipline worden zonder opsmuk in de verf gezet.

Ook de wandaden van de Nazi's worden soms slechts terloops weergegeven. Waarmee ze niet minder indringend worden weergegeven. Integendeel zelfs. Een van de beelden die bij een ieder na het zien van deze film bij zal blijven, is de stapel naakte lijken achter een hut die de naamloze kinderen slechts in een flits zien, als ze in paniek het dorp proberen te ontvlochten.

Verderop in de film wordt het brute geweld juist op bijna barokke manier in beeld gebracht. Hier past wellicht een verwijzing naar het boek dat in mijn voorgaande bericht ook al ter sprake kwam: Bloedlanden van Timothy Snyder. Snyder bepreekt daarin ook de strijd die de Duitsers tegen de partizanen leverde, of liever tegen de burgerbevolking van Wit-Rusland. Want van pogingen de partizanen effectief aan te pakken was in werkelijkheid geen sprake. Er waren achter de linies speciale SS-eenheden actief, in een rol die doet denken aan de Einsatzgruppen die eerder in de oorlog de oprukkende Wehrmacht achterna gingen om Joden uit te moorden. Tegen de tijd dat de partizanenstrijd op zijn hevigst was (en deze film dus gesitueerd moet worden), waren de Joden in Wit-Rusland al vrijwel uitgeroeid of, als ze geluk hadden, gevlucht.

De anti-partizanenacties hadden als doel door vergeldingen de burgers af te schrikken de partizanen van steun te voorzien. In werkelijkheid had de bevolking geen keus, aangezien de partizanen ook niet schuwden geweld te gebruiken als ze trachtten aan eten of andere essentiële goederen te komen. Los van deze realiteit, ging de SS bij elk spoor van verzet over op het uitmoorden van burgers en het afbranden van dorpen. Dit is wat in het tweede deel van de film uitvoerig in beeld wordt gebracht.

Na het zien van deze scenes was mijn gedachte dat sommige details zo bizar waren, dat ze onmogelijk fictief konden zijn. Immers: reality is often stranger than fiction. En Snyder bevestigt mijn vermoedens. Zo is de SS-officier met het halfaapje op de schouder, die de moordpartij goedkeurend aanschouwt, ogenschijnlijk geïnspireerd op de beruchte SS´er Dirlewanger, die tijdens zijn gruweldaden ook een aapje meetorste.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat een van de schrijvers van het scenario van de film, Ales Adamovich, ooggetuige was van de onbeschrijfelijke gruwelijkheden die zich achter het front in Wit-Rusland hebben afgespeeld. Dat Adamovich, samen met regisseur en co-auteur Elem Klimov, er toch in is geslaagd deze onbevattelijke wandaden in beeld en geluid te vatten, is wat mij betreft een historische prestatie van formaat.

dinsdag 27 augustus 2013

De blik uit het Oosten

Het algemene beeld dat mensen in Nederland hebben van de Tweede Wereldoorlog wordt voornamelijk gevormd door de gebeurtenissen in West-Europa tussen mei 1940 en mei 1945. De bezetting, de Jodenvervolging, de bombardementen, Westerbork, D-Day, het verzet, collaboratie, Een Brug te Ver, Auschwitz, Soldaat van Oranje en de bevrijding. Dat dekt qua thematiek wel ongeveer het collectieve geheugen.

Daarnaast is er dan nog de geschiedenis in de Oost. Oost en Zuidoost Azië. Japan, China, Nanjing, Indonesië, Singapore, de Birmaspoorweg, island hopping, Hiroshima, Nagasaki. Voor veel mensen een vergeten bladzijde, voor anderen, om uiteenlopende redenen, een open wond. Hier valt zeker een blog vol over te schrijven, maar daar heb ik helaas de kennis, noch de moed voor.

Het Oostfront in Europa is een essentieel element in de Tweede Wereldoorlog dat, in Nederland in elk geval, wat mij betreft nog te weinig aandacht krijgt. De strijd op leven en dood tussen Nazi-Duitsland en de Sovjet-Unie. Het slagveld waar de beslissing viel. Miljoenen soldaten aan beide kanten gesneuveld en doodgehongerd. Miljoenen burgers vermoord en uitgehongerd. De plek waar de zwartste bladzijden in de geschiedenis van de mensheid geschreven werden. In een aantal vervolg-artikelen zal ik, aan de hand van films uit de Sovjet-Unie, een aantal woorden aan deze materie wijden.

Timothy Snyder noemde het strijdtoneel in Oost-Europa, in zijn gelijknamige boek uit 2010, de Bloedlanden . Zijn diepgravende en gruwelijke historische beschrijving beslaat de periode van 1930 tot de dood van Stalin in 1953. Snyder geeft de achtergrond weer, tegen welke de films die ik later ga bespreken gezien moet worden. Twee totalitaire regimes, die niet op een mensenleven meer of minder kijken, in directe confrontatie met elkaar.

Het boek van Snyder brengt enkele vergeten hoofdstukken van de Tweede Wereldoorlog aan het licht. Een aantal daarvan hebben specifiek betrekking op de filmbesprekingen in mijn volgende blogposts. Los daarvan is het een boek dat ik, onlangs de afschrikwekkende inhoud, een ieder aan kan raden die geïnteresseerd is in de Tweede Wereldoorlog of beter de duistere kant van de mensheid probeert te begrijpen.

Als het om het Oostfront gaat, is de algemeen ontwikkelde buitenstaander meestal wel van een paar  zaken op de hoogte. Operatie Barbarossa, de Slag bij Stalingrad, de Slag bij Kursk, de Slag om Berlijn. Zeker Stalingrad en Berlijn hebben de laatste jaren flink in de belangstelling gestaan, met name door de boeken van Antony Beevor, films als Der Untergang en het verschijnen van Leven en Lot van Vassily Grossman in het Nederlands.

Het belang van het Oostfront vanuit een  puur militair-historisch perspectief wordt tegenwoordig ook algemeen erkend. De militaire overzichtsgeschiedenissen van Andrew Roberts en wederom Antony Beevor schenken veel aandacht aan het oostelijk strijdperk en stellen beide dat het daar was dat Duitsland de oorlog verloor. Ook in Amerika dringt langzamerhand het besef door dat wellicht de VS de uiteindelijk zege aan de Sovjet-Unie te danken had en niet andersom, zie bijvoorbeeld de recente documentaire-serie Oliver Stone's Untold History of the United States.

Het is derhalve ook niet verwonderlijk dat er ook in Sovjet-Unie nogal wat films over de Tweede Wereldoorlog zijn gemaakt en dat de meeste daarvan de strijd aan het Oostfront als onderwerp hebben. Met onze westerse vooroordelen zouden we wellicht verwachten dat deze films een geïdealiseerd beeld schetsen van de heldhaftige strijd van de gewone arbeiders, boeren, en kameraden tegen de fascistische vijand in de Grote Patriottische Oorlog. Dit clichébeeld gaat wellicht op voor het grootste deel van de films, net zo goed als de meeste Hollywood-producties over de Tweede Wereldoorlog een sterk propagandistisch karakter hebben. Maar de vooringenomenheid mag geen reden zijn om de Sovjet-oorlogsfilm daarom maar helemaal links te laten liggen. Er zitten namelijk wel degelijk parels tussen, waarvan ik enkele voorbeelden nader zal brspreken. Na deze wijdlopige introductie zal ik in een volgende post allereerst de film Idi i Smotri (Come and See) van Elen Klimov uit 1985 behandelen.