Posts tonen met het label muziek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label muziek. Alle posts tonen

zaterdag 3 november 2018

Tijdloze klassiekers: Phanerothyme van Motorpsycho

Het oeuvre van de Noorse band Motorpsycho ligt mij na aan het hart, zoals sommigen wellicht wel weten. Het is dan ook haast vanzelfsprekend dat ik mijn nieuwe serie Tijdloze klassiekers open met een artikel gewijd aan een van de vele beluisterenswaardige albums van de heren uit Trondheim: Phanerothyme uit 2001. Het idee achter deze serie is om muzikale werken te belichten die, in mijn oren, de tand des tijds, tot nog toe, hebben weten te doorstaan.


Mijn persoonlijke geschiedenis met Motorpyscho beslaat inmiddels al meer dan de helft van mijn leven. In 2000 zag ik ze voor het eerst live in de Vera in Groningen. Dit was ten tijde van hun tour om de voorganger van Phanerothyme; Let them eat cake te promoten. Het was een onvergetelijke ervaring en sindsdien ben ik fan. Maar lang was ik ietwat melancholiek dat ik net te laat was geboren om hun hoogtijdagen bij te wonen. Daarmee bedoelde ik dan de periode 1993-1998, waarin de band albums van een haast ongeëvenaard kaliber het licht liet zien. Vuig rockende langspeelplaten waarop een breed spectrum aan genres de revue passeerde, maar die toch vooral gekenmerkt werden door stoeiende baslijnen en bijtijds wijdlopige composities.

Vanaf Let them eat cake werd er opeens opzichtig gekoketteerd met de Californische pop-sound van de late jaren zestig, zeg maar The Beach Boys ten tijd van Pet Sounds. Er worden strijkers en blazers van stal gehaald, de nummers zijn korter en het tempo en het volume wordt zo nu en dan danig teruggeschroefd. Leuk en aardig allemaal, maar het leverde nog geen fantastisch album op. En toen het uitkwam, maakte het mij dus allemaal wat weemoedig naar de scheurende gitaren van het vroegere werk waar mijn puberbrein naar smachtte. Ik was blijkbaar al vroeg melancholiek naar vervlogen tijden.

Phanerothyme kon mij in eerste instantie ook slechts beperkt bekoren. Met de jaren is mijn waardering voor juist dit album echter significant gestegen. Hier valt alles wel op zijn plaats. De productie nadert op dit album een niveau waar Brian Wilson trots op zou kunnen zijn. Het klinkt allemaal gewoon een stuk beter dan op Let them eat cake. Als je gewend bent aan muziek recht uit de garage, is het op het eerste gehoor haast wat gelikt. Maar wat mij betreft verdwijnen die kanttekeningen na meerdere luisterbeurten vanzelf. De titel is overigens geleend uit een rijmpje van Aldous Huxley: To make this trivial world sublime, take half a gram of phanerothyme. Een duidelijke verwijzing naar de psychedelische cultuur van de jaren zestig.

Motorpsycho laat op dit album echt horen dat ze niet alleen liedjes kunnen schrijven en goed hun instrumenten kunnen bespelen, maar ook een uitgebalanceerd klinkend, rijk georkestreerd album kunnen opnemen. Want de band is zelf verantwoordelijk voor de productie van het geheel en heeft een eigen wall of sound gecreëerd die organisch en oorstrelend klinkt. En er wordt zelfs redelijk zuiver gezongen, traditioneel de achilleshiel van deze Noren. Hoewel ik me daar eerlijk gezegd in hun eerdere werk nooit zo aan stoorde. Ik ben me er evenwel van bewust dat dat voor anderen wel een dealbreker kan zijn.

De albumopener Bedroom Eyes is een rustig akoestisch nummer  om er even in te komen. De begeleiding door strijkers is vol en doet het ingetogen nummer tot leven komen. For Free is een van de interessantere nummers op dit album. De klassieke Motorpscycho-sound van stuwende drums, een vooraanstaande bas met de nodige distortion en een lyrisch zingende gitaar wordt gecompleteerd met een rijke orkerstrale productie. Voor de lo-fi puristen onder ons wellicht een gruwel, maar het geheel werkt wonder wel. Een van mijn favorieten.

Op B.S. komen de eerste Californische zonnestralen nadrukkelijk aan de hemel en de orkestratie is zo mogelijk nog rijker en gevarieerder dan op de voorgaande nummers. De titel verwijst wellicht eerder naar de initialen van de bassist Bent Sæther, dan naar de gebruikelijke betekenis van dit acroniem in het Engels, vermoed ik. De eerste drie nummers worden gezongen door Sæther, op Landslide is de gitarist Hans Magnus Ryan aan het woord. Een duidelijk ander geluid, ietwat meer melancholisch van toon naar mijn mening, wat wellicht ook te maken heeft met de aard van de tekst. Ook weer een zeer fraai nummer, met mooie samenzang.


Dan zijn we al aangekomen bij de kern van het album.  De nummers van Go to California en Painting the night unreal zijn uitgesponnen muzikale beschouwingen over de Amerikaanse Droom. Waarbij ze een soort contrast tussen dag en nacht vertegenwoordigen. De titel Go to California zegt natuurlijk al genoeg en de muzikale aankleding lost alle verwachtingen in. Je hoort de zon en de onbegrensde mogelijkheden op je af komen. De video ómvat overigens de sterk ingekorte singleversie, op het album wordt de grens van de acht minuten bereikt. Painting the night unreal begint ingetogen, maar eindigt grootser en meeslepend. Hier wordt de meer artificiële kant van de Verenigde Staten op de korrel genomen: that bald-eagle seal, so that we know it isn't real. De stijl van beide nummers is helemaal Californië, maar ook helemaal Motorpsycho. De band haalt, in beperkte mate, de karakteristieke instrumentale exercities van stal, die we kennen van eerdere albums als Trust Us. In beperkte mate, want er is hier geen sprake is van  de eigenzinnige post-rock-achtige composities zonder duidelijk refrein en couplet die dat legendarische dubbelalbum kenmerken.

Het daaropvolgende The Slow Phaseout is wat mij betreft het minst overtuigende nummer van het album. Ik vind het wat te inwisselbaar. Desondanks was het een van de twee uitverkoren singles, dus de band was zelf blijkbaar een andere mening toegedaan. Het is ook weer niet helemaal verkeerd, een middelmatige Motorpsycho-compositie is immers beter dan wat er zoal op de radio te horen is. Blindfolded is daarentegen dan wel weer een persoonlijke favoriet. Ik heb dan ook een zwak voor de nummers gezongen en geschreven door Hans Magnus Ryan. Maar dit is ook wel een van zijn betere composities. De productie is weeral van een hoog niveau. Rijk doch subtiel en uiterst smaakvol.


Het sluitstuk When you're dead is in zekere zin een curiosum. Want het wordt gezongen door de drummer Håkon Gebhardt en daarmee is het een van de slechts drie nummers op alle reguliere Motorpsycho-albums waar hij achter de microfoon kruipt. De haast naïef aandoende meditatie op de dood is aangekleed als een soort begrafenismars, zoals we die wel kennen uit New Orleans. Het geheel heeft een opmerkelijk luchtig en ontwapenend karakter, wellicht mede dankzij de nauwelijks verholen Noorse tongval van Gebhardt. Een mooie, stemmige afsluiting van een klassiek album.

Helaas verliet Håkon Gebhardt de band kort na het in 2002 verschenen album It's a love cult. De band ging langzaam weer de wat harder rockende kant uit en daar had de drummer blijkbaar geen zin in. Er werd uiteraard wel weer een nieuwe drummer aangetrokken, maar de klassieke kernbezetting die tien jaar had standgehouden kwam daarmee ten einde. Daarna heeft Motorpsycho nog zeker muziek van betekenis gemaakt, het ambitieuze conceptalbum The death defying unicorn uit 2012 is in dezen met name vermeldenswaardig. Maar de energie en dadendrang van het eerdere werk is wat mij betreft toch ongeëvenaard. Ik ben er inmiddels van overtuigd dat deze periode van 1993 tot 2003 hun hoogtijdagen waren en mag mezelf dus gelukkig prijzen dat ik daar nog een paar jaar van nabij mee heb mogen maken. De vroegtijdige melancholie van mijn zijde was dus ietwat voorbarig.

donderdag 5 oktober 2017

De opkomst en ondergang van Brian Wilson of de mythe van Smile

De Beach Boys roepen in het collectieve geheugen nog altijd vooraleerst associaties op met surfen, zon en het naiëf-optimistische Californische levensgevoel. Dat de schepper van de muziek van de Beach Boys, Brian Wilson, niet alleen een van dé muzikale geniën van zijn tijd was, maar ook een uiterst tragisch leven heeft gekend, is niet bij een ieder bekend. 

In 2014 verscheen de film Love and Mercy, die twee scherp contrasterende periodes uit het leven van de artiest onder de loep neemt. De eerste episode is de glansrijke vroege carrière van de Beach Boys, culminerend in de gedoemde sessies voor het album Smile, dat in 1967 had moeten verschijnen. Verweven daarmee zijn flash-forwards naar de late jaren ' 80, wanneer een nieuwe liefde in het leven komt van de fysiek en mentaal gebroken Brian, die dan onder curatele staat van de slinkse nep-psychiater Eugene Landy.

The Beach Boys begon als het bandje van de drie broers Wilson en wat aanverwanten, dat zong over de geneugten van surfen en snelle auto's. Hoewel alleen drummer Dennis Wilson ook echt zelf surfer was, maar dat maakte het publiek niet uit. De composities van Brian werden allengs complexer en geraffineerder, waardoor de muziek op de platen al snel niet meer door de band maar door de beste sessiemuzikanten van Los Angeles werd gespeeld. De karakteristieke meerstemmige zang was vaak de enige concrete bijdrage van de jongens aan hun hits. Met uitzondering van Brian dus, die de muzikale productie van a tot z overzag. 

Brian was in de studio en thuis achter de piano in zijn element. Op het podium echter bepaald minder en aan reizen had hij ook al een hekel. De druk van de platenbazen om zowel onafgebroken hits te produceren, als constant op tournee te zijn, nam met het groeiend succes al maar verder toe. Om zich te kunnen concentreren op het schrijven en produceren nieuwe muziek, besloot Brian vanaf 1964 niet meer met de band op tournee te gaan. En die keuze wierp zijn vruchten af, die in twee woorden samen te vatten zijn: Pet Sounds

De weg die Brian Wilson aflegde om op zijn 23e een van de onbetwist beste muzikale scheppingen van de twintigste eeuw af te leveren, is fascinerend en wordt in de film geweldig in beeld en geluid gebracht. Met name de sessies voor Pet Sounds in de studio zijn een genot voor oog en oor.  Paul Dano, die de jong Brian speelt, is geweldig gecast, hij verbeeldt de complexe en breekbare combinatie van onschuld en genialiteit op onnavolgbare wijze.



Pet Sounds was echter in eerste instantie geen groot financieel succes. En bij de rest van de band viel een rijk georkestreerd sterk persoonlijke plaat zonder enige verwijzing naar zon en zee ook niet in ongemeen goede aarde. Met name neef Mike Love, zou zijn gal nogal expliciet gespuwd hebben en hebben geëist dat de tekst en titel van Hang on to your ego gewijzigd zou worden in I know there's an answer. Dit omdat de oorspronkelijke versie zou verwijzen naar drugs [in retrospectief niet zonder ironie, aangezien we nu weten Mike Love verreweg het grootste ego had van alle bandleden]. De volgende single, Good Vibrations, was zo mogelijk muzikaal nog complexer dan Pet Sounds, maar was wel een onverbiddelijke bestseller. Hierdoor won Brian weer flink wat krediet terug bij band en platenbonzen en kreeg hij carte blanche voor het volgende album: Smile.

(Spoiler alert)
Smile geldt als een van de grote nooit voltooide meesterwerken uit de muziekhistorie en de verwachte opvolger van Pet Sounds kwam er dus nooit. De ontstaansgeschiedenis van Smile is met de nodige mythes omgeven en over de schuldvraag van het falen zijn boeken volgeschreven. De film schetst een mooi beeld van de sfeer rond deze sessies en zonder expliciet vingerwijzen worden er wel een aantal hints gegeven aangaande de oorzaken van dit grootse mislukken.

De film legt de nadruk op de psyche van Brian, zeker met oog op de andere helft van de film een voor de hand liggende keuze. Het beeld wordt geschetst van een gedreven kunstenaar, die in de loop van het opnameproces de controle over zichzelf en zijn schepping langzamerhand kwijtraakt. Zijn gedrag wordt steeds excentrieker en de muziek gaat in Brians hoofd een eigen leven leiden. In de film komt het niet expliciet aan bod, maar het is bekend dat hij er van overtuigd raakte dat de sessies voor het nummer Mrs. O'Leary's Cow (Fire) een brand in de buurt had veroorzaakt:



Toen Brian Wilson in 2004 als solo-artiest de nummers van Smile opnieuw opnam, was hij nog altijd bang voor Mrs. O'Leary's Cow (Fire). Het was op Brian Wilson presents Smile het enige nummer dat zonder zijn inmenging tot stand kwam. Wat overigens geen probleem was, aangezien het een grotendeels instrumentale compositie betreft. Smile was dus meer dan een trauma geworden. Maar of het falen volledig aan de geestestoestand van Brian (en overmatig drugsgebruik) is te wijten, is volgens mij de vraag.

Smile was wellicht in zijn opzet reeds gedoemd te falen. Brian had tijdens de productie van Good Vibrations voor het eerst een modulaire aanpak toegepast. Hierbij werd het nummer niet in een keer gespeeld, maar werden verschillende kortere fragmenten (door middel van tape splicing) achter elkaar vast geplakt. Een revolutionair, maar tijdrovend proces. Voor een nummer ging het nog, maar voor een gigantisch project als Smile was het gezien de technische beperkingen van de jaren '60 waarschijnlijk te hoog gegrepen. Zeker omdat de afzonderlijke nummers grotendeels alleen nog maar in het hoofd van Brian bestonden en er een legendarische hoeveelheid materiaal werd opgenomen.

Een goed gefocuste solo-artiest had het misschien nog tot een goed einde weten te brengen. De lang uitlopende sessies zorgden er echter voor dat de sluimerende spanningen binnen de Beach Boys hoog op liepen. Zo hoog dat externe mede-songwriter Van Dyke Parks op en gegeven moment de handdoek in de ring gooide. Hij schreef de teksten en die waren voor (weerom) Mike Love een steen des aanstoots. Waar Pet Sounds met introspectieve teksten over de liefde al sterk afweek van het surf-sjabloon, ging Smile pas echt van de gebaande paden. Het voert te ver om de uiteenlopende thema's van het album hier te bespreken. Daar kun je een heel boek over schrijven. Laat ik volstaan met een citaat uit het prijsnummer van Smile, het ironisch getitelde Surf's Up:
Hung velvet overtaken me
Dim chandelier awaken me
To a song dissolved in the dawn
The music hall a costly bow
The music all is lost for now
To a muted trumpeter swan
Columinated ruins domino
Dat is nog eens andere koek dan Surfin' U.S.A. zullen we maar zeggen. En de weerstand die dit bij de band opriep, komt uiteraard ook in Love and Mercy aan bod. Het valt overigens te zeggen dat Brian Wilson met deze nieuwlichterij wel helemaal in tune was met de tijdgeest. Op 26 mei 1967 brachten de Beatles Sgt. Pepper's Lonely Hearts Club Band uit (dat sterk geïnspireerd was door Pet Sounds, dat op zijn beurt weer schatplichtig was aan Rubber Soul, maar dat terzijde), waarmee de Summer of Love werd ingeluid. The Beach Boys hadden 50 jaar geleden dus The Beatles potentieel het gras voor de voeten weg kunnen maaien met een avant-gardistisch psychedelisch opus. Maar het mocht niet zo zijn.

De mythische Smile-tapes
De sessies werden in april 1967 een halt toe geroepen en de tapes verdwenen in de spreekwoordelijke vault. Capitol Records had Smile gedurende sessies al uitgebreid gepromoot en dat was het startpunt van de mythevorming. Zeker nadat er gauw de gekste verhalen de ronde gingen doen over de opnames en er her en daar fragmenten van nummers opdoken. Zo zond CBS in april 1967 een fragment van Surf's Up uit, met Brian alleen achter de piano. De kijkers vonden het prachtig. Maar het nummer verscheen al maar niet op plaat.  Pas in 1971 werd Surf's Up op het gelijknamige album uitgebracht. Onder auspiciën van Carl Wilson, want de confrontatie met het trauma Smile kon Brian nog altijd niet aan.

Want dat was helaas het jammerlijke gevolg van het debacle Smile. Brian Wilson verloor zijn zelfvertrouwen en nam genoegen met een bijrol binnen de Beach Boys. Nog maar mondjesmaat schreef hij nieuw materiaal of droeg hij actief bij aan de productie van albums. Hij trok zich terug en in zijn donkerste periode bracht hij naar het schijnt drie jaar in bed door. Op een gestaag dieet van fastfood, televisie en drugs. In de jaren zeventig liet hij nog eenmaal echt van zich spreken met weerom een verkapt solo-album The Beach Boys Love You. Een lichtelijk bizar en verknipt werkstuk, maar niet zonder kwaliteit en bepaald charmant, zeker omdat dit keer vrijwel alle teksten van de hand van Brian zijn. Het geeft daarmee een aardig inkijkje in zijn wereld. Typerend is het aan de fameuze talkshowgastheer gewijde Johnny Carson, vermoedelijk ontsproten aan een tv-kijkend bestaan in bed.

Zoals te verwachten was dit excentrieke uitstapje geen succes bij het grote publiek en Brian werd voorgoed naar de zijlijn van The Beach Boys verbannen. De fysieke en mentale aftakeling zette door en het is derhalve een wonder dat juist Brian de enig overlevende is van de gebroeders Wilson. Dat Brian het overleeft heeft, is wellicht te danken aan Eugene Landy, hoewel Brian's huidige fragiele mentale en fysieke staat waarschijnlijk ook deels hem te danken is. Landy is de antagonist van de andere helft van Love and Mercy en die zal ik nu verder laten voor wat het is. De oudere Brian wordt gespeeld door John Cussack, die een mooie breekbare man neerzet, maar niet even overtuigend is als Paul Dano, naar mijn mening. De film als geheel is een aangrijpende aanrader en de onverwachte combinatie tussen muziek en psychische problematiek komt wonderwel fantastisch uit de verf.

Wat is er vervolgens geworden van die verstofte opnames van Smile? Nadat Brian Wilson in 2004 met zijn band en Van Dyke Parks een reconstructie had gemaakt van wat Smile als album had moeten worden, verscheen dan in 2011 eindelijk The Smile Sessions. Een uitgebreid uittreksel uit de archieven. Want ondanks geruchten dat Brian een deel van de tapes verbrand zou hebben, zijn alle opnames zorgvuldig bewaard. En nu dus eindelijk ook voor het grote publiek beschikbaar. Dankzij de computer is het tegenwoordig een stuk eenvoudiger om van fragmenten een afgerond album te smeden. En aangezien de nummers op Smile nooit echt een definitief canonieke vorm hebben kunnen krijgen, nodigt dit gegeven liefhebbers uit om zelf een eigen versie van Smile samen te stellen. Laat ik ter afsluiting een fraaie stereo-versie delen, op YouTube zijn er nog veel meer te vinden.

woensdag 10 september 2014

Intermezzo: een nieuwe begin

Ik ben in wezen een moralist. Ik wil goed doen. Dat heb ik onder ogen gezien. Aan mezelf en mijn omgeving stel ik hoge eisen en ik heb ook nog de neiging ongenadig hard te oordelen. Hoewel ik dat harde oordeel niet altijd met anderen deel.

Daarnaast werd me steeds duidelijker dat ik weinig of geen voldoening uit mijn werk als promovendus haalde. En dat dat gemis een van de oorzaken van mijn somberheid was. Mijn dagelijkse bezigheden aan de universiteit drukten als een loden last op mijn schouders en hadden sterke negatieve invloed op mijn stemming. Dus besloot ik met mijn werk te stoppen. Eén grote vraag had ik echter nog niet beantwoord: In wat voor werk zou ik wél de nodige voldoening scheppen?

Ik ben bij mezelf, bij vrienden en bij een therapeut te rade gegaan om een antwoord op die vraag te vinden. Wat vind ik belangrijk? Ik wil nuttig werk verrichten. Hoe zou ik willen leven? Als een ontdekkingsreiziger met een stabiele basis. Wat is het doel? Een moreel goed leven lijden. Wat was de praktijk tot nu toe? Dat ik zoekende ben, zonder dat ik echt weet wat ik zoek.

Nadat ik me realiseerde wat ik miste, ben ik op zoek gegaan naar een manier om het moreel tekort, dat ik voelde en zo zelf ervoer, aan te vullen. Uiteindelijk was de kernzin, die ik samen met mijn therapeut vaststelde, dat ik "de maatschappij niet tot last, maar tot nut wil zijn." Dat is een harde, maar ook praktisch toepasbare zin.

De gewetensvraag bij uitstek: "What would Kant do?



In mijn vorige werk was ik de maatschappij voor mijn gevoel niet netto tot nut. Dat was uiteraard mijn gevoel. Maar wel een gevoel gebaseerd op praktische ervaringen. Als je veel positieve terugkoppelingen krijgt in je werk (bonussen, prettig klantcontact, goede evaluaties, juichende recensies, applaus), dan heb je het idee dat je het goed doet en je niemand tot last bent. Die ervaringen had ik maar mondjesmaat en eigenlijk alleen in het lesgeven (dat slechts een zeer klein deel van mijn takenpakket uitmaakte) en in sociale contacten rond het werk. Het onderzoek wat ik uit moest voeren, was in de praktijk een bron van negatieve ervaringen. En ik kreeg zo het idee dat ik mijn salaris niet verdiende, omdat ik niks significant positiefs produceerde.

Dat wilde ik dus niet meer. De eerste stap die ik nam op de weg tot het eerzaam burgerschap, was me aanmelden als bloeddonor. Het doneren van bloed was voor mij een duidelijk geval van jezelf fysiek inzetten voor het algemeen nut: de volksgezondheid. En de positieve terugkoppeling is ook aanwezig in de vorm van gratis eten en drinken en een symbolisch geschenk na afloop van het aderlaten.

Dit was de eerste stap en ik voelde me er goed bij. Dat gaf mij de moed om op dezelfde weg verder te gaan. Bloed doneer je eens in de drie maanden dat betekent dat je dus ook maar vier keer per jaar een positieve bijdrage levert. Het echte doel was natuurlijk om in de dagelijkse bezigheden een bijdrage aan de samenleving te leveren. Wat is de meest basale wijze om een bijdrage aan de samenleving te leveren? Mensen helpen die hulp nodig hebben. Dus besloot ik aan de slag te gaan in de thuiszorg.

Gelukkig beschikte ik in mijn sociale netwerk over de juiste contacten en kon ik uiteindelijk een tijdelijke voltijdbaan bemachtigen. Dat het een tijdelijke betrekking betreft, komt me eigenlijk wel goed uit. Want misschien is mijn theoretische gedachtegang over praktisch hulp bieden in de praktijk niets meer dan een theorie. Maar dat moeten we nog zien. Hoewel ik over geen enkele werkervaring in de zorgsector beschik, heb ik me de eerste twee meeloopdagen redelijk weten te handhaven. Aan het eind van deze week word ik helemaal in het diepe gegooid en dan zullen we zien of ik me naar boven weet te worstelen.

Een praktische introductie tot Kants 'categorische imperatief'.

In elk geval is het nu al een zeer interessante en leerzame ervaring. Ik heb nu nog geen idee hoe lang ik vol zal houden. Een paar maanden of een paar jaar? De kans is groot dat ik een minder directe manier vind om de mensheid tot nut te zijn, maar die wel nog beter aansluit bij mijn kwaliteiten, opleiding, ervaring en persoonlijkheid. In wezen is het schrijven van een blog in eerste instantie voor mij een oefening om mijn gedachten en emoties te ordenen en te uiten. Maar het is natuurlijk ook mogelijk dat het anderen hulp, steun en inspiratie kan  bieden. Die pretentie heb ik niet, maar dat de mogelijkheid bestaat, geeft me toch een positief gevoel.

Ik wil trouwens met mijn vertoog niet zeggen dat wetenschappelijk of enig ander werk moreel minderwaardig is. Allerminst. Ik zou ook niemand willen aanraden mijn voorbeeld te volgen. Ik heb alleen mijn omstandigheden, afwegingen en redenatie willen schetsen. Waarom ik mezelf niet geschikt acht voor werk in de wetenschap, is wellicht stof voor een ander artikel. Ik heb me eerder al wel eens door mijn negatieve gevoelens laten leiden om een hard oordeel over de wetenschappelijke praktijk te vellen. Wat ik daar schreef zei misschien wel meer over mij dan over de wetenschap.

Als afsluiter een vrolijk deuntje over tuinmeubilair:



maandag 16 december 2013

Friedrich, de melancholie, de muziek en de zee


Een van mijn favoriete schilderijen. Der Mönch am Meer van Caspar David Friedrich. De reproductie doet, uiteraard, geen recht aan het onovertroffen origineel. De overweldigende natuur en de eenzame mens op het doek gevangen. Dit is meer dan romantiek, dit is melancholie. Ik heb het schilderij gelukkig een paar keer in het echt mogen aanschouwen in Berlijn en het raakte me diep. Zoals eigenlijk de meeste werken van Friedrich wel een zeker effect op me hebben. Onlangs mocht ik in Stuttgart nog twee fraaie hoogtepunten uit zijn oeuvre aanschouwen. Maar zoals gezegd is dit mijn persoonlijke favoriet.

Wellicht wordt de ervaring in retrospectief nog versterkt, omdat ik het nu bepaalde muziek met dit schilderij associeer. Muziek die niet alleen hetzelfde onderwerp heeft (bij de zee staan), maar die wat mij betreft ook dezelfde thematiek omvat. Over de thematiek valt lang uit te weiden. Maar laat ik eerst maar even de muziek er bij halen: Standing By The Sea van Hüsker Dü.


Wellicht dat de meeste mensen Friedrich met de muziek van de negentiende-eeuwse romantiek associëren, maar dat doe ik dus niet. Ik associeer het met Amerikaanse punkrock uit de jaren tachtig van de twintigste eeuw. Het nummer is afkomstig van het album Zen Arcade uit 1984. Uiteraard valt er nu een hele boom op te zetten over de overeenkomsten tussen de minimalistische, wellicht zelfs zen-achtige, composities van respectievelijk Hüsker Dü en Friedrich. Maar dat laat ik achterwege, die redenering mag u op een ander moment uit mij proberen te trekken. Ook irrelevant is de vraag of de heren van Hüsker Dü met het schilderij bekend waren. Waarschijnlijker is dat beide artistieke uitingen voortkwamen uit de gevoelens die elk oplettend mens ervaart als hij overweldigd wordt door de natuur: het sublieme. Dat kunst in eerste plaats de functie heeft om schoonheid te verbeelden, is een vaak gehoorde stelling, niet in de de laatste plaats een stelling die door de filosoof Roger Scruton verdedigd wordt.


De positie van Scruton is verdedigbaar, maar ik wil er graag bij aantekenen dat kunst niet alleen een uiting kan zijn van schoonheid (beauty), maar ook van het sublieme (sublime). Het contrast tussen beauty en sublime is bepaald geen recent verzinsel. De Engelse landschapsarchitecten van de achttiende eeuw ontworpen de Britse landschapstuin in een poging het sublieme element van de natuur te herscheppen. Het was nadrukkelijk een reactie op de formele Franse tuinen van de zeventiende eeuw, die gezien kunnen worden als een culminatie van de drang naar pure schoonheid en de wens om de grillige natuur te temmen. In de romantiek werd de sublieme ervaring van overweldigend natuurschoon verder de kunst binnen gezogen, door onder meer Caspar David Friedrich. En feitelijk is het nummer van Hüsker Dü niet veel minder dan dat, een lyrische muzikale impressie van de ervaring die een mens meemaakt als hij of zij aan zee staat.

Want dat is een essentieel punt, dat het in beide werken niet alleen over de natuur gaat, maar ook over de mens. Zoals gezegd drukken ze wat mij betreft diep menselijke gevoelens uit, zoals onder meer melancholie, overweldiging of eenzaamheid. Tot slot de tekst van het lied: 

There was no one all around
There was no one there but me
I was staring out a window
I was standing by the sea

 

The waves kept on repeating
Each one crashing to the shore
And my footprints nowhere leading
As they disappeared once more

 

Your senses are bombarded
By the roaring that you hear
In a shell you can hear the ocean
When you put it up to your hear

 

There was no one all around
There was no one there but me
I was staring out a window
I was standing by the sea 

maandag 28 oktober 2013

Zomergasten (deel 5)

Wilfiried de Jong: Zo daar zijn we weer. Dit deel van de uitzending veel muziek, eigenlijk alleen maar muziek

Oskar: En film, vergeet het visuele aspect niet! Film en muziek tezamen vormen eigenlijk het perfecte Gesamtkunstwerk, als je het mij vraagt. Hoewel er natuurlijk ook wat te zeggen valt voor de opvatting van Schopenhauer dat muziek het beste de metafysische schoonheid kan communiceren en dat door verdere opsmuk de esthetiek slechts verwatert.

W. Je hebt er duidelijk weer zin in.

O. We zitten hier toch nog altijd bij de VPRO, of niet soms?

W. *zucht* We gaan terug in de tijd met Neil Young, een opname uit 1979 afkomstig van de concertfilm Rust never sleeps.

O. Neil Young wordt naar mijn mening te vaak weggezet als een matig zanger, wiens enige muzikale bijdrage van belang zijn technisch eenvoudige, repetitieve en langgerekte gitaarsolo's zouden zijn. Los van zijn klasse als tekstdichter en componist, bewijst hij hier nog maar eens dat hij ook een uitmuntend zanger is. Kijk maar eens op YouTube naar de moeite die het Thom Yorke kost om hetzelfde nummer zuiver te zingen.

W. Wat is belangrijker de technische vaardigheid als muzikant of de kwaliteiten als componist?

O. *zucht* Weer een lekkere vraag zeg... Je moet dit soort dingen holistisch bekijken. Het gaat om het totaalbeeld. Het punt is dat Neil Young aan de in theorie vrij belachelijke tekst van After the Gold Rush zo'n sterk persoonlijke interpretatie meegeeft, dat het een haast mystieke sfeer oproept. Bij mij in elk geval, maar dat is uiteraard zeer persoonlijk

W. Ok, laten we dan maar gaan luisteren, zodat de kijkers hun eigen persoonlijke oordeel kunnen vormen.



W. Na de introspectieve performance van Neil Young gaan we nu door naar de explosieve tijd van de punk.

O. Ja, maar merk wel op dat Neil Young juist tijdens Rust never sleeps een expliciete ode gaf aan de punk in de persoon van Johnny Rotten en dat Neil Young een rol had in de counter culture van de jaren '60, een stroming die te vergelijken met de punk-beweging van eind jaren '70. Het contrast is wellicht dus niet zo groot als het aanvankelijk toeschijnt.

W. Maar is het niet zo dat de punk zich juist afzette tegen rock-dinosaurussen zoals Young?

O. Er was zeker verzet tegen overgeproduceerde en pretentieuze doch inhoudsloze rockmuziek. Het is echter de vraag of Neil Young daar toe gerekend mag worden. Zijn lo-fi album Tonight's the night was bijvoorbeeld zijn tijd ver vooruit en eind-jaren '80 - begin jaren '90 werd Neil Young met name binnen de undergound sterk geherwaardeerd en diende hij als directe inspiratie voor bands als Dinosaur Jr, Sonic Youth en Pavement.

W. Goed, we gaan nu in elk geval kijken en luisteren naar een intens optreden van de Zweedse punkband Ebba Grön.



W. Wat speelden ze hier precies?

O. Ze vertolkten het nummer Staten & kapitalet van de Zweedse progband Blå tåget. In Zweden was de prog-rock sterk verweven met links activisme, dus dat een punkband een prog-nummer covert is in die zin niet zo verrassend. Het nummer gaat over de verwevenheid tussen de staat en het grootkapitaal. Een thema dat in Zweden zeer relevant was en wellicht nog steeds is. Zweden is traditioneel een vrij centralistisch land en de sterke positie van de overheid werd natuurlijk nog eens verstevigd door het decennialange regeringsregime van de sociaaldemocraten. Daarnaast is de industrie traditioneel sterk verweven met het Zweedse establishment; veel van de grootste concerns zijn familiebedrijven, die diep geworteld zijn in de macht. En hoewel de sociaaldemocraten in theorie de arbeiders als basis hadden, spanden ze in praktijk vaak samen met de captains of industry om het land te regeren. En tegen die samenzwering verzet het nummer zich.

W. Hoe kijk jij hier tegen aan?

O. Ik denk dat rol van de overheid kleiner is geworden. Ook in Zweden, waar inmiddels al enige jaren de sociaaldemocraten het regeringspluche moeten missen. Dus ik denk dat context waarbinnen Staten & kapitalet werd geschreven niet helemaal vergelijkbaar is met de situatie heden ten dage. We zijn steeds meer overgeleverd aan de grillen van de markt. Maar toch verwachten de burgers nog altijd vrij veel van de overheid. Ze verwachten dat de overheid de randvoorwaarden voor welvaart creëert, terwijl aan de andere kant er naar minder regels, minder overheidsbemoeienis en meer marktwerking wordt gestreefd. Er wordt een opgeblazen verwachtingspatroon gecreëerd door overheid, pers én burgers over wat de overheid kan doen om de welvaart vergroten. Een verwachtingspatroon dat onmogelijk waargemaakt kan worden en dus wel tot teleurstelling en desillusie moet leiden. Zelf ben ik er niet van overtuigd dat meer marktwerking en meer kapitalisme het antwoord is op de vraag hoe onze samenleving vorm te geven. Zeker zolang bedrijven voornamelijk aandeelhouders willen dienen in plaats van consumenten, burgers en de beschaving als geheel. Wat de rol van de overheid in deze dan wel moet zijn, weet ik niet. Het communisme heeft wel aangetoond dat de staat onmogelijk alles kan plannen en zelfstandig de economie draaiende kan houden. Voor een prikkelende, deels fictieve, kijk op het grootse falen van de Sovjet-economie kan ik het boek Red Plenty van Francis Spufford van harte aanbevelen. In het kapitalisme heb ik niet heel veel vertrouwen, maar ik heb er eerlijk gezegd ook niet heel verstand van, dus ik aarzel om er al te boude uitspraken over te doen. Een gevaarlijke tendens die het kapitalisme volgens mij kenmerkt, is dat roofbouw of mens en milieu wordt goedgepraat met beloftes over economische groei. Terwijl het volgens mij zeer de vraag is of economische groei moreel te rechtvaardigen is als het ten kostte gaat van andere mensen, de Aarde en de toekomst van de mensheid en andere levensvormen op onze planeet.

W. Grote woorden weeral. Grotere woorden dan ik zelf had gevonden bij de toch als nihilistisch bekend staande punkbeweging.

O. Later zullen we met The Clash trouwens nog een goed voorbeeld krijgen van een allesbehalve nihilistische punkband.

W. Goed, maar eerst Sonic Youth.

O. Ja, dit fragment heb ik gekozen omdat, behalve dat het een geweldige uitvoering van een klassiek nummer is, het ook, samen met de volgende clip, iets kan illustreren over repertoire en receptie binnen de populaire muziek. Uiteraard valt te bediscussiëren of Sonic Youth niet eerder tot de avant-garde moet worden gerekend dan tot de popmuziek, maar dat twistpunt wil ik nu even buiten beschouwing laten.

W. Bedoel je dat popmuziek een zelfde soort uitvoeringstraditie begint te krijgen als klassieke muziek en jazz?

O. Ja, ongeveer. Ik denk niet dat de nogal verschillende tradities in de jazz (meer improvisatie) en klassieke muziek (meer strikte, vastomlijnde interpretaties van canonieke werken) direct toepasbaar zijn op de popmuziek. Maar ik denk wel dat ze invloed hebben op hoe er met repertoire wordt omgegaan. Hoewel je Sonic Youth qua composities eerder met jazz dan met klassiek zou associëren, wijkt hun uitvoering van het nummer van hun meesterwerk Daydream Nation nauwelijks af van de originele opname. Er is dus sprake van een vrij strikte conservatieve interpretatie, die waarschijnlijk eerder schatplichtig is aan de staande praktijk binnen de klassieke muziek.

W. Dat is wellicht wat verrassend gezien de reputatie van Sonic Youth als een wild-experimenteel gezelschap. Doet het ook af aan reputatie?

O. Nee wat mij betreft niet, het maakt alleen duidelijk dat ze conservatiever zijn in de uitvoering van hun muziek dan in het componeren er van. Opvallend is ook dat de band zeer gehecht was aan hun oude instrumenten, die ze vaak zelf hadden gecustomized om speciale tonen en klanken voort te kunnen brengen. De band belandde dan ook bijna in een muzikale crisis toen vrijwel al hun instrumenten gestolen werden. Uiteindelijk bleek een nieuw instrumentarium juist een kans om hun geluid te herontdekken.

W. Maar hier weten ze het geluid van het album in elk geval heel dicht te benaderen, ondanks dat het twintig jaar na dato is.


W. And now for something completely different of niet?

O. Nou in elk geval voor mensen die niet bekend zijn met het rijkgeschakeerde oeuvre van de Flaming Lips!

W. Een nogal eigenzinnige interpretatie van I am the Walrus, gevolgd door een eclectische samenwerking met de noiseband Lightning Bolt.

O. Het is alleen wel de vraag in hoeverre deze interpretatie meer of minder bizar is dan het origineel van The Beatles. Uiteindelijk is deze versie wellicht minder iconoclastisch dan het op het eerste gezicht lijkt, aangezien wat mij betreft volledig recht wordt gedaan aan de geest van het nummer, als zoiets al bestaat. In elk geval wat mij betreft dus een zeer waardige toevoeging aan de vaak toch wat matige hedendaagse Beatles-receptie.

W. Ja, want vaak lijkt men in de popmuziek, als het gaat om het hergebruik van tijdloze klassiekers, toch niet veel verder te komen dan coverbands die feesten en partijen afgaan?

O. Dat is in elk geval de grootste gemene deler, ja. Maar onder de interessantere hedendaagse muzikanten zie je toch ook steeds meer de neiging om een eigengereide interpretatie te geven aan verstofte evergreens en zo een receptie-praktijk te scheppen waarmee de popmuziek wellicht eindelijk het maaiveld der middelmaat kan ontstijgen.



O. Het daaropvolgende fragment heb ik met name gekozen, omdat ik geen genoeg kon krijgen van het visueel-muzikale spektakel waarmee de Flaming Lips mij steeds maar weer mee weet te verrassen. Puur genieten dus.

W. Dat is ook wel eens mooi, een fragment waar geen ellenlange filosofische essays aan vastgekleefd zitten...



W. Na het zintuiglijke geweld van The Flaming Lips is het wellicht tijd voor wat gas terug?

O. Helaas, ik ken geen genade. Het ergste moet nog komen. Tien minuten harde stoner-rock!

W. Mijn god, nu zullen de kijkcijfers wel tot een historisch dieptepunt zakken.

O. Het zij zo.



W. Pfff, dat was wat zeg. Wat voor beelden zagen we, is dat de originele videoclip?

O. Om duistere redenen is het zeventien minuten lange Demon Box nooit op singel uitgebracht en is er ook geen videoclip bij gemaakt. Wat we zojuist mochten aanschouwen is het resultaat van nijvere huisvlijt van een psychonaut, een echte fan. Hij of zij heeft het nummer ietwat ingekort en er beelden uit de b-film The Sadist bijgeplakt. Een gouden greep, al zeg ik het zelf. De geniale riff waar het nummer rond is gebouwd is slechts een van de vele geniale riffs die het oeuvre van Motorpsycho rijk is. Hun oeuvre is trouwens nog wel meer dan alleen splijtende riffs, maar helaas is mijn tijd nu te beperkt om daar op in te gaan. Met pijn in het hart moest ik bijvoorbeeld een geniale vertolking van hun indie-klassieker Sinful, Wind-Borne uit 1996 buiten beschouwing laten, alleen al het slagwerk van drummer Håkon Gebhardt is ongeëvenaard en ook voor het vergeten meesterwerk Flick of the Wrist was helaas geen extra tijd beschikbaar.

W. Maar waarom dan wel kiezen voor zo'n compromisloos en rauw nummer?

O. Daarom, omdat ik me juist geen compromissen wil veroorloven.

W. Juist, het is de vraag of je publiek daarmee wilt afstoten of dat je hun juist zeer serieus neemt door hen de onverdunde neerslag van jouw smaak en opvattingen voor te schotelen.

O. Ik ben hier niet om stennis te schoppen of te provoceren en ik ga er vanuit dat de kijkers net als ik volwassenen zijn, met een volwassen instelling ten opzichte van zaken die wellicht op het eerste gezicht weinig aansprekend zijn, maar die bij nadere inspectie toch waardevol kunnen zijn. Waardevoller wellicht dan lichtverteerbare crowd-pleasers.

W. Dan graven weer wat verder terug in de tijd. The Clash speelt hier een nummer over de Spaanse Burgeroorlog en links militant activisme in de jaren '70. Als ik het goed heb.

O. Ja, dat klopt wel ongeveer. The Clash is een band die mij na aan het hard staat. Hun muzikale veelzijdigheid en tekstuele betrokkenheid, zijn zaken die mij erg aanspreken, zeker aangezien het allemaal uitgevoerd is met gepaste no-nonsense punk-instelling. Geen overdadige orkestratie, maar toch een rijk muzikaal geluid. Op het album London Calling bereikten ze wat mij betreft een unieke balans van vorm en functie, van tekst en muziek en van ornament en klare lijn, ongehoord sinds Bob Dylan  Blonde on Blonde uitbracht en daarna wellicht pas weer geëvenaard door Radiohead met Ok Computer.



O. En omdat The Clash toch niet voor niks te boek staat als zijnde the only band that matters, hier nog een paar parels uit hun hoogtijdagen. Het charisma van Joe Strummer barst van het scherm. En ook de kwaliteit van de band als geheel mag niet onvermeld blijven, in tegenstelling tot The Sex Pistols kon The Clash wel fatsoenlijk spelen, met een geweldige drummer, een groovende bassist en een gitarist aan wie we de term Guitar Hero te danken hebben.


 
W. En als passende afsluiting van dit toch soms ietwat vergaande deel van de avond, gaan we nu naar Jupiter en voorbij het oneindige. Met andere woorden: de slotscènes uit het sciencefiction-epos van Stanley Kubrick en Arthur C. Clarke 2001: A Space Odessey, maar dan met een andere soundtrack dan anders.

O. Ja, de beroemde beelden worden dit keer vergezeld door het nummer Echoes van Pink Floyd. Het past er wonderwel bij, naar mijn mening geeft het een extra dimensie aan de toch al rijke film.

W. Er wordt toch wel beweerd dat de synchroniciteit tussen muziek en film geen toeval is?

O. Het is inderdaad een hardnekkig gerucht dat Pink Floyd dit nummer specifiek voor deze scène heeft geschreven, iets wat de band zelf altijd heeft ontkend.

W. Het resultaat is er in ieder geval niet minder om. Hoe zou je de scene willen interpreteren?

O. Daar ga ik me nu niet aan wagen, omdat ik vrees dat ik me daar ongetwijfeld aan zal vertillen. Wellicht is het wel goed te weten wat er in de film aan deze scene vooraf ging. Je ziet een astronaut die met een ruimteschip naar Jupiter is gereisd, omdat een mysterieuze monoliet op de maan een ongekend sterk radiosignaal in de richting va Jupiter zond. Deze monoliet werd op de maan opgegraven, nadat er een magnetische anomalie op die locatie was ontdekt. De monoliet is van een onbekend materiaal en is ogenschijnlijk niet van natuurlijke oorsprong. Als onze astronaut, genaamd David Bowman, na vele omzwerving uiteindelijk eenzaam Jupiter bereikt, treft hij daar eenzelfde monoliet zwevend in de ruimte aan. Hij besluit de monoliet te benaderen, waarna er vreemde vervormingen in werkelijkheid, ruimte en/of tijd optreden. Wellicht heb ik nu al te veel gezegd, aangezien een deel van de achtergrond alleen maar in het begeleidende boek van Arthur C. Clarke terug te vinden is.

W. Dankjewel, het is voor mij in elk geval al iets duidelijker dan de eerste keer dat ik de film zag en je hebt volgens mij niet te veel verklapt. Het doet sowieso niks af aan het audiovisuele spektakel dat ons te wachten staat.

O.Ik leid het fragment graag in met een kort citaat uit het boek 2001: A Space Odessey van Arthur C. Clarke.

W. Mooi, dan wens ik de kijkers alvast een fijne innerlijke reis met het volgende toe en hoop ik u allen na de onderbreking weer bij leven en welzijn terug te zien.

O. Bowman's voice died into silence of utter bewilderment. He was not alarmed; he literally could not describe what he was seeing. 

He had been hanging over a large, flat rectangle, eight hundred feet long and two hundred wide, made of something that looked as solid as rock. But now it seemed to be receding from him; it was exactly like one of those optical illusions, when a three-dimensional object can, by effort of will, appear to turn inside out--its near and far sides suddenly interchanging.

That was happening to this huge, apparently solid structure. Impossibly, incredibly, it was no longer a monolith rearing high above a flat plain. What had seemed to be its roof had dropped away to infinite depths; for one dizzy moment, he seemed to be looking down into a vertical shaft--a rectangular duct which defied the laws of perspective, for its size did not decrease with distance... 

The Eye of Iapetus had blinked, as if to remove an irritating speck of dust. David Bowman had time for just one broken sentence which the waiting men in mission control, nine hundred miles away and eighty minutes in the future, were never to forget:

"The thing's hollow--it goes on forever--and--oh my God!--it's full of stars!"