zondag 18 mei 2014

De weerbarstige realiteit van het westerse boeddhisme

Zo als zoekende westerling op reis in Azië is het natuurlijk een klassieke topos om geïnteresseerd te raken in het boeddhisme. En in deze zal ik mijn volgelingen ook niet teleurstellen. Ik heb menig tempel bezocht. Zo hier en daar heb ik wat wierook gebrand. Ik heb What the Buddha taught van Walpola Rahula gelezen. Ik heb twee nachten te midden van monniken doorgebracht en daarbij tevens 's ochtends voor dag en dauw hun dagelijkse vuurritueel bijgewoond.

Santenkraam, er is denk ik geen andere taal een beter woord om de tempels van de Japanse Shingon-sekte te beschrijven.

Dit alles past natuurlijk in het gekende patroon van de zweverige gelukszoeker in het Verre Oosten. Maar ik heb geprobeerd dit cliché ietwat te ontkrachten, door mij ook te verdiepen in de keerzijde van het westers boeddhisme. Want dat is wellicht de eerste concessie aan de realiteit die gedaan moet worden door de serieuze Dharma Bum. Dat een persoon geboren en getogen binnen een westerse cultuur en maatschappij die het boeddhisme omarmt, automatisch ook een westerse invulling aan de levensbeschouwing geeft.

Dat is uiteraard niks nieuws. Evengoed heeft het boeddhisme in zijn tocht van India naar Japan, via China en Korea, meerdere kleinere en grotere invloeden van de plaatselijke gebruiken, rituelen en denkwijzen ondergaan. Het feit dat het boeddhisme in feite een gedecentraliseerde stroming is, maakt het bij uitstek geschikt voor allerhande aanpassingen en interpretaties. Dit blijkt alleen al in Japan uit de veelheid van stromingen en sektes binnen het boeddhisme die in heden en verleden tot bloei zijn  gekomen.

Wat dat betreft is het dus niet gek dat ook in het Westen het boeddhisme een voedingsbodem heeft gevonden en er westerse interpretaties van het boeddhisme zijn ontstaan, die ontegenzeggelijk geïnspireerd zijn op inheemse wijsgerige en levensbeschouwelijke tradities. Vandaar dat ik tijdens mijn verblijf in de Oriënt ook Cruel Theory - Sublime Practice: Toward a Revaluation of Buddhism ter hand heb genomen. Het boek bestaat uit drie essays van evenzovelen auteurs, die ik in een drietal beschouwingen zal pogen te bespreken.

 Ik heb eens gehoord dat als je drie argumenten paraat hebt, dat je dan moet beginnen met het op één na beste argument, vervolgens het minste argument moet geven en om het beste argument tot het laatst moet bewaren. Bij het lezen van Cruel Theory - Sublime Practice moest ik aan die les in retorica denken. Het eerste essay van Tom Pepper kon mij bij tijd en wijle zeer bekoren, het opstel van Glenn Wallis was duidelijk minder en het afsluitende stuk van Matthias Steingass vond ik geweldig. Al bij al een lezenswaardige publicatie die een scherpe blik werpt op de weerbarstige realiteit van een imperfecte levensbeschouwing.

donderdag 20 maart 2014

Liever Turks dan Wilders

Bij het lezen van het boek The Rise of Western Christendom, Triumph and Diversity, A.D. 200 - 1000 van Peter Brown stuitte ik op een interessant citaat in de inleiding tot de herziene derde editie. Het was een citaat van ons aller Geert Wilders, uitgesproken tijdens een redevoering in Rome op 25 maart 2011:
Rome is the cradle of our Western civilization - the most advanced and superior civilization the world has ever known. ... the history of Rome ... serves as a warning ... [for Rome] suffered a loss of belief in its own civilization. The Romans ... did not perceive the immigration of the Barbarians as a threat until it was too late. ... But then on 31st of the year 406, the Rhine froze and tens of thousands of Germanic Barbarians crossed the river, flooded the Empire and went on a Rampage, destroying every city they passed. ... The fall of Rome was a traumatic experience.

Het bewijs, wellicht ten overvloede, maar toch

Het beeld dat de blonde Limburger oproept, is een beeld van hordes barbaren die de beschaafde wereld om zeep helpen en de aanzet geven tot eeuwen van verval en achterlijkheid. En wat hij er natuurlijk mee wil zeggen, is dat als we niet oppassen eenzelfde doemscenario ons nu weer wacht. De islam in al haar verschrikkelijke uitwassen staat klaar om de hoogstaande joods-christelijk cultuur omver te werpen en ons zo doende wederom in de donkere middeleeuwen te storten. De vraag is natuurlijk of het beeld dat Geert schetst over Rome en de barbaren ook iets met de historische werkelijkheid te maken heeft. En de historische werkelijkheid achterhalen, dat is de expertise van een historicus als Peter Brown. Ik citeer de eminente geleerde dus ook maar even:
The story of the fall of Rome has always left in the back of our minds a heavy sediment of fear and regret. Such a narrative is calculated to be disturbing. It presents a complacent empire, a silent build-up of pressure from outside , a sudden breakthrough, a murderous rampage and then, silence ... the extinction of civilization for many centuries. What is regrettable is that this narrative should erupt, from time to time, to serve the purposes of toxic political movements in contemporary Europe. For this reason it is particularly important to get the story right. What really happened in western Europe between 400 and 800 A.D.?

Wat gebeurde er nou echt in West-Europa tussen 400 en 800 na Christus? Dat is een vraag die Wilders natuurlijk helemaal niet interesseert. Dat de werkelijkheid wel eens complexer zou kunnen zijn dan een clichématige clash tussen beschaving en barbarij, daar heeft onze favoriete demagoog natuurlijk niks aan. Hij is alleen maar geïnteresseerd in het aanwijzen van zondebokken, het scheppen van verdeeldheid en het zaaien van haat. Peter Brown zet in zijn boek helder uiteen dat de vroege Middeleeuwen wellicht het eind van de klassieke oudheid betekende, maar niet het eind van elke vorm van beschaving. De Europese beschaving kreeg alleen een ander aanzien en vele aspecten van onze cultuur die we als typisch westers beschouwen vinden juist hun oorsprong in de 'donkere' Middeleeuwen en niet in de Oudheid.

Een aanrader!
En het mooie aan Brown's boek is dat het niet slechts een beperkte blik op West-Europa biedt. Want hoewel de titel The Rise of Western Christendom anders doet vermoeden, besteedt hij ook in ruime mate aandacht aan het oostelijk christendom en de islam. En daar komen we natuurlijk bij een ander favoriet stokpaardje van Wilders, dat de islam inherent een achterlijke cultuur zou zijn. Als we echter sec de geschiedenis beschouwen, dan valt daarin weinig hard bewijs voor zulks een stelling te vinden.

Nu zullen de fellow travelers van de PVV natuurlijk met het weerwoord klaarstaan dat de islam van vandaag niet de islam van de vroege middeleeuwen is. Maar de islam was juist in de zevende en achtste eeuw bij uitstek een vitale en expansionistische beweging, die, veel meer dan in onze huidige tijd, de christelijke westerse wereld tot op het bot wist te tarten. In de huidige wereld zijn de groepen als de Taliban en Al Qaida de verliezers van de globalisering, die geen realistische bedreiging vormen voor het  globale machtsevenwicht. Fareed Zakaria stelt dan ook terecht in zijn recensie van The World is Flat van Thomas Friedman dat strijd tegen het Islamisme in wezen een achterhoede-gevecht is.
Terrorism remains a threat, and we will all continue to be fascinated by upheavals in Lebanon, events in Iran and reforms in Egypt. But ultimately these trends are unlikely to shape the world's future. The countries of the Middle East have been losers in the age of globalization, out of step in an age of free markets, free trade and democratic politics. The world's future -- the big picture -- is more likely to be shaped by the winners of this era. And if the United States thought it was difficult to deal with the losers, the winners present an even thornier set of challenges.

Gedurende de Tachtigjarige Oorlog was het motto van de Geuzen Liever Turks dan Paaps. Een tijdloze klassieker. En ik ben uiteraard een goed patriot en ik weet de vrijheidslievende idealen van de Geuzen en hun rechtvaardige strijd tegen het Spaanse juk zeker op waarde te schatten. Daarom lijkt het mij ook niet verkeerd om de wapenspreuk van de Geuzen een nadere wending te geven: Liever Turks dan Wilders. Ik zou zelf liever ingezetene zijn van een welwillende Islamistische staat dan moeten leven in een land dat geregeerd wordt door de crypto-fascistische Wilders. Geert Wilders is immers niet minder fundamentalistisch dan de meest radicale moellahs in Pakistan.

Ah, de goeie ouwe tijd!

maandag 10 februari 2014

Schaatsen hoort niet meer thuis op de Olympische Spelen.

Leuk die Olympische Spelen, alleen jammer van dat schaatsen. Nederland raakt langzamerhand in een overweldigende staat van euforie na alweer een een-twee-drie. Ik denk echter dat de prestaties van de mannen en vrouwen in Sotsji wel enigszins in een relativerend perspectief mogen worden geplaatst. Dat van de eerste negen te vergeven medailles er zeven naar lieden van Duitschen bloed gingen, is een teken aan de wand. Langebaanschaatsen is in Nederland wintersport nummer één, maar overal elders is het op zijn best randverschijnsel. Dat het Olympisch schaatstoernooi hier in Zweden niet bepaald de tongen los maakt is nog zeer zacht uitgedrukt. Zelfs vrienden van mij die graag sport kijken weten nauwelijks van het bestaan van de discipline af.

Het Open NK van Sotsji...


Dit alles is uiteraard wel eens anders geweest. In de jaren tachtig vierde Tomas Gustafson triomfen vergelijkbaar met Sven Kramer en hij is nog altijd een bescheiden bekendheid. Toevallig kwam ik hem vorig jaar eens op de racefiets hier in de buurt tegen. Een vriendelijke man. Hij wist te vertellen dat hij vroeger wel bij zijn goede vriend Yep Kramer over de vloer kwam en daar ook wel de jonge Sven meemaakte. Maar zoals gezegd is van langebaanschaatsen als sport hier nog weinig over. Het is zeker wel een populair tijdverdrijf om op de bevroren meren er op de schaats op uit te gaan. Maar dat is dan altijd in de vorm van een soort avontuurlijk tijdverdrijf (waarbij niet zelden zelfs de met verraderlijk ijs bedekte kustwateren per schaats worden ontdekt) dan een competitieve sport. Ik zou ook niet weten of er zich überhaupt nog een 400-meterbaan in Zweden bevindt.

En ik denk dat de casus van Zweden typerend is voor veel landen. Schaatsen stelt buiten Nederland gewoon nul komma nul voor. Dat het nog altijd een Olympische sport is, heeft meer te maken met het feit dat het Internationaal Olympisch Comité een nogal conservatieve organisatie is, dan dat het nou daadwerkelijk een van de meest vooraanstaande wintersporten is. Schaatsen op de Olympische Spelen is vooral een relict uit het verleden.

Ten slotte is er nog de kwestie of de buitengewone overmacht van de Nederlandse schaatsequipe louter te verklaren is door een uitgekiende professionele voorbereiding. De Noor Lunde Pedersen liet weten dat hij zijn hand voor Sven Kramer niet in het vuur wenst te steken en de Noorse krant VG onthulde dat het in Nederland ontbreekt aan een goed doortimmerd systeem om bloeddoping tegen te gaan. Dit terwijl het wielrennen ons heeft geleerd dat bloeddoping waarschijnlijk de meest effectieve vorm van doping is, die de prestaties significant kan verbeteren en zonder een goed bloedpaspoort feitelijk niet op te sporen is.

En laat mijn insteek bij doping nou zijn dat ik vermoed dat waar rook is, vuur is. Mag ik dat zeggen? Ja, dat mag ik zeggen. Zelfs de makke NOS kon vorig jaar in de nasleep van de Armstrong-affaire niet langer ontkennen dat zelfs het ogenschijnlijk onschuldige schaatsen niet langer kon pretenderen roomser dan de Paus te zijn als het om doping ging. Zeker niet, nadat de gepensioneerde schaatsbobo zijn mond voor de camera's voorbij praatte. Zelf zou ik Sven Kramer nog wel het voordeel van de twijfel geven als boegbeeld van een nieuwe, schone, generatie, als ik niet beter wist. En helaas meen ik beter te weten. Er is mij uit betrouwbare bron ter ore gekomen dat Sven Kramer niet op een boterham met pindakaas aan de top is gekomen. Dus voor hem steek ook ik mijn hand niet in het vuur.

Nu valt wellicht nog te zeggen, dat hij nu schoon rijdt en dat rest jeugdzondes betreft. Het effect van bloeddoping houdt echter niet op na het gebruik. Het zorgt ervoor dat je harder kunt trainen en het trainingseffect is navenant groter. Hoe lang dit effect aanhoudt laat zich raden. Als een atleet jarenlang op bloeddoping hard traint, dat onder begeleiding van een arts doet en zijn lichaam niet uitwoont, dan valt te verwachten dat hij of zij ook nadat hij stopt met dopinggebruik nog altijd een sterkere fysiek heeft dan als hij zonder bloeddoping had gesport. Er is hier ook over gepubliceerd, als het relevante artikel vind, zal ik het hier invoegen. Maar los van het fysieke aspect, is iemand die willens en wetens vals speelt gedurende zijn of haar carrière mijns inziens sowieso geen waardig kampioen.

WA en Poetin spreken af: geen onverwachte controles voor Sven en Ireen.

Het wordt wat mij betreft dus tijd om de roze bril af te zetten als het om schaatsen gaat. Het is geen sport die op mondiaal topniveau wordt bedreven en de door de Nederlanders geleverde prestaties geven eerder aanleiding tot gefronste wenkbrauwen dan tot gejuich. De Nederlandse media zou er goed aan doen om de sport wat kritischer en met meer distantie te benaderen. En het IOC zou het langebaanschaatsen een wat minder prominente plek op de winterspelen kunnen geven. De vrijkomende medailles zouden dan, wat mij betreft, mooi vergeven kunnen worden aan de dames en heren veldrijders.

dinsdag 14 januari 2014

Het verdriet van Europa

Het is inmiddels bijna 100 jaar geleden dat de duisternis over Europa neerdaalde en het Belle Epoque ten einde kwam. We kunnen ons afvragen hoe veel verder we nu zijn gekomen. Zijn de wonden geheeld, is de oude orde hersteld? In vele opzichten vormde de Eerste Wereldoorlog een cesuur sans précédent in de Europese geschiedenis. Vervolgens kwam 14-18  (met name in Nederland) natuurlijk in de lange slagschaduw van 39-45 terecht, al was het maar omdat vaak genoeg gesuggereerd is dat het tweede conflict het eigenlijke sluitstuk van het, eerste onafgesloten conflict vormde. Op die hardnekkige veronderstelde causaliteit kom ik later wellicht nog terug, maar in dit artikel wil ik de aandacht vestigen op een belangwekkend boek aangaande de Eerste Wereldoorlog dat enige jaren geleden door de Britse econoom-historicus Niall Ferguson is geschreven: The pity of war (in het Nederlands verschenen als De erbarmelijke oorlog).

Dat de Eerste Wereldoorlog gewonnen werd door Frankrijk en Groot-Brittannië is met het oog op het resultaat eigenlijk moeilijk vol te houden. Het was een klassieke pyrrusoverwinning. De westerse geallieerden wisten de koloniale bezittingen van Duitsland te verdelen, maar daar tegenover stond ook voor hun een groot verlies. En die koloniën waren ze binnen veertig jaar toch allemaal weer kwijt. Het is sowieso de vraag wat het hele negentien/twintigste-eeuwse koloniale verhaal heeft opgeleverd. Ferguson suggereert dat het met name voor Groot-Brittannië nogal wat extra kapitaal opleverde, wat in de Eerste Wereldoorlog goed van pas kwam. Ferguson poneert zelfs de stelling dat het niet zo zeer industriële productie, als wel economische kapitaalkracht uiteindelijk de doorslag gaf in het verloop van de oorlog. En het kapitaal dat Groot-Brittannië had vergaard in de loop van de negentiende eeuw legde dus meer gewicht in de schaal dan het Kruppstaal uit het Ruhrgebied. Maar nu verklap ik een deel van Fergusons conclusies reeds.

Niet het gehele boek is met zo'n afstandelijke rationeel-wetenschappelijke blik geschreven als de delen waarin hij de economische toestand van de grootmachten analyseert. Het is deels ook een duidelijk Brits geschiedenisboek. En een centrale vraag met betrekking tot de rol van Groot-Brittannië in de oorlog is of het wel de moeite waard was om Duitsland de oorlog te verklaren. Ferguson komt met een duidelijk antwoord op die vraag: de oorlogsverklaring was "nothing less than the greatest error of modern history," omdat Duitsland volgens hem uiteindelijk geen reële bedreiging vormde voor de Britse belangen. Groot-Brittannië stond er financieel veel beter voor dan Duitsland en had in wezen weinig belangen op het Continent. Als Duitsland Frankrijk zou hebben verslagen en vervolgens, zoals Ferguson veronderstelt, een Bismarckiaanse proto-EU had gevormd, dan was dat in wezen alleen maar ten goede gekomen aan de Britse diplomatieke en handelsrelaties met Europa. En op koloniaal vlak waren Rusland en Frankrijk de belangrijkste rivalen van Groot-Brittannië, de mantra keep your friends close, but keep your enemies closer was immers de leidende gedachte geweest bij de vorming van de Triple Entente. Duitsland was in 1914 dus geen directe bedreiging voor The Empire. En daarom schrijft Ferguson de escalatie van het conflict voor een belangrijk deel op Brits conto: "it was the British government which ultimately decided to turn the continental war into a world war, a conflict which lasted twice as long and cost many more lives".

Ferguson is thuis in de economie en de Duitse taal en cultuur en dat is te merken. Waar andere Angelsaksische geschiedschrijving vaak een nogal eenzijdig perspectief biedt, weet Ferguson de Duitse motieven gedurende het verloop van het conflict goed weer te geven. De Franse, Russische, Oostenrijk-Hongaarse en Ottomaanse kant van de zaak komt minder aan bod, maar dat wijst er alleen maar op dat de auteur zich van zijn beperkingen bewust is en zich met name richt op de elementen van de geschiedenis waar hij daadwerkelijk wat interessants over te vertellen heeft. Allereerst weet hij een aantal hardnekkige mythes door te prikken over de tijdgeest waarbinnen de Europese machtspolitiek tot een militaristisch kruitvat uitgroeide. En hij weet, zoals gezegd, de invloed van geld en kapitaal op het handelen van de strijdende partijen helder te duiden. Daarnaast gaat hij ook nog in op het complexe begrip publieke opinie en de rol propaganda in de vorming van het beeld van de oorlog bij burgers, soldaten en nageslacht. Ook wordt er aandacht besteed aan de motivatie van soldaten om te gaan vechten, om door te blijven vechten en om uiteindelijk te stoppen met vechten. Tenslotte wordt er ook nog nadrukkelijk aandacht besteed aan het na-oorlogse economische beleid, de herstelbetalingskwestie en de uiteindelijk tragische gevolgen daarvan.

Maar ik zal niet al die aspecten bespreken. Wie daar meer over wil weten moet immers maar het boek lezen, waarin de auteur zijn volledige argumentatie ontvouwt. Kortgezegd valt samen te vatten dat het militarisme niet een extreem sterke kracht was. Wat wel de oorzaak is van de Oorlog komt minder goed naar voren, maar de suggestie van ongelukkige samenloop van omstandigheden wordt gewekt. En wie het boek The Guns of August van Barbara Tuchman heeft gelezen, die weet dat het het wellicht eerder een gebrek aan daadkracht van de leidende partijen was om een oorlog te vermijden, dan een daadwerkelijke wil om een oorlog te beginnen.

De leiders hadden geen zin om de oorlog te stoppen, dus kwam er een oorlog. Oorlog werd niet als iets slechts gezien. Dat een oorlog voor alle strijdende partijen nadelig zou kunnen zijn, was niet aan de orde. En er was ook geen besef van de enorme economische inzet die nodig zou zijn om de oorlog te winnen. Het concept 'totale oorlog' was nog onbekend. Zowel Groot-Brittannië, Frankrijk als Duitsland kwamen ernstig gehavend uit de oorlog. Voor Oostenrijk-Hongarije en het Ottomaanse Rijk betekende de oorlog de doodsteek. En de gevolgen van de revoluties, die veroorzaakt werden door het dramatische strijdverloop aan het Oostfront, in Rusland zijn genoegzaam bekend. Een tijdperk kwam ten einde, een generatie liet het leven en er kwam een nieuw (inherent labiel?) staatkundig evenwicht tot stand.


De enige juiste kijk op de geschiedenis?
Fergusons boek is extra actueel nu in Groot-Brittannië nogal een rel is ontstaan doordat de conservatieve minister van onderwijs Micheal Gove de zogenaamd linkse historici de maat neemt en stelt dat de moed en het patriottisme van de soldaten in de Grote Oorlog te weinig aandacht krijgt. Ook vindt hij dat het voor eens en altijd duidelijk moet worden gemaakt dat toch echt alleen Duitsland schuld had aan het uitbreken van de oorlog en dat Groot-Brittannië van elke blaam gezuiverd dient te worden. Het is in dit verband goed te weten dat de revisionistisch geschiedschrijving van Ferguson allerminst marxistisch of links geïnspireerd genoemd kan worden. Ferguson is juist een rechtgeaarde conservatief. Dat uitgerekend Niall Ferguson, na gedegen historisch onderzoek, tot de conclusie komt dat de oorzaak van de Eerste Wereldoorlog minder zwart-wit is dan ons traditioneel vaak voorgespiegeld wordt, geeft te denken over de validiteit van de opvattingen van Gove. Waarschijnlijk is het juist de eenzijdige blik op de geschiedenis van Micheal Gove, die gestuurd wordt door politieke opvattingen.

maandag 6 januari 2014

De leegte, het verval en de pretentie


Kan een film drijven op uiterlijk vertoon alleen? Dat was de vraag die ik mezelf stelde na het zien van de film van het jaar 2013 (volgens NRC dan): La Grande Bellezza van Paolo Sorrentino. Het is een film die gaat over het materieel rijke, maar geestelijk arme, Roomse leven van verveelde jetsetters op leeftijd. Van een verhaal is eigenlijk geen sprake. We volgen slechts de escapades van Jep Gambardella (Toni Servillo), een playboy die in een grijs verleden naam heeft gemaakt als auteur, maar die na zijn glansrijke debuut een eeuwigdurend writers block kent.

De man en het niks

Feitelijk gebeurt er niks noemenswaardigs in de film. De muziek is prachtig en de beelden zijn oogstrelend. Maar verder is er leegte. En dat bijna drie uur lang. Het is niet zo dat er niks vermakelijks gebeurt. Er zijn af en toe lichtelijk amusante scenes en er worden zo nu en dan wat spitsvondige bon mots gebezigd. Maar uiteindelijk is het niks meer dan een optocht van verveelde en verwende oude mensen die niet weten wat ze met hun leven aan moeten. Tja.

Dit alles dus gesitueerd in Rome. De Eeuwige Stad. Al millennia lang in verval, maar nog altijd van een tijdloze schoonheid. Door dit decor bewegen onze helden op leeftijd zich van het ene bacchanaal naar de andere opgecokete polonaise. Het verval van een generatie. Zij die ooit dachten de wereld te kunnen verbeteren met hun schoonheid en hun idealen, hebben hun verlies genomen en trachten met botox de schone schijn op te houden. Waar ze het allemaal van doen is volstrekt onduidelijk. Maar dat doet er eigenlijk niet toe. De creditcard is waarschijnlijk gewillig.

Ik zal ook maar het eind verklappen, omdat ik toch niemand deze film echt kan aanraden. Ik zou gewoon zelf naar Rome gaan en daar de bloemetjes buiten zetten. In plaats van naar een misselijkmakend geriatrisch carnaval op het witte doek te moeten kijken. Maar goed, onze vriend Jep onthult op het eind waarom hij al veertig jaar een leeg leven leidt en nooit meer aan scheppend werk is toegekomen. Hij had eerst getracht een Roman over Niets te schrijven, zoals Flaubert, maar dat lukte niet. Vervolgen was hij op zoek gegaan naar de Grote Schoonheid (als in de titel), maar die zoektocht is dus op niks uitgelopen. Tja.

Als groteske desillusie is de film wellicht geslaagd, maar als film naar mijn mening niet. Uiteraard kan geclaimd worden dat het hier grote Grote Kunst over de schoonheid en het niets betreft, maar volgens mij heeft de keizer in dit geval gewoon geen kleren aan. Ik sta best welwillend tegenover l'art pour l'art, maar dat wil niet zeggen dat een pretentieuze vergulde drol geen drol is. De lof die de film ten deel valt, lijkt mij een gevalletje van holle vaten klinken het hardst. La Grande Bellezza is een film die sterft in schoonheid.

De Gouden Drol 2013 gaat naar La Grande Bellezza!

dinsdag 24 december 2013

Heeft de wetenschap het antwoord op alle denkbare vragen?

Nadat ik in een eerdere tirade van leer was getrokken tegen de zingevende pretenties van de wetenschap, kwam de te verwachten reactie dat mijn betoog niet meer dan een stroopredenering betrof. Ik zou een stroman aanvallen, een standpunt dat niemand daadwerkelijk wenst te verdedigen. Het kwam dan ook goed uit, dat ik in de boekwinkel een boek tegenkwam waarin het door mij bestreden standpunt met verve verdedigd wordt. In The Atheist's Guide to Reality, Enjoying Life without Illusions verkondigt de filosoof Alex Rosenberg dat de wetenschap het antwoord kan geven op de vraag wat de zin des levens is. En hij houdt daarmee niet op, hij stelt ook dat een wetenschappelijk geïnspireerd moreel nihilisme de enige rationeel verdedigbare levensbeschouwing is voor de moderne atheïstische mens. Toe maar, dat vraagt om een reactie van mijn kant. En ik zal dus een poging wagen.

"The physical facts fix all the facts."

Het simplistische harde deteminisme spat van de pagina's. Hij begint het boek door te stellen dat hij er al van uit gaat dat zijn weldenkende lezers per definitie atheïsten zijn. Het geloof in God is immers niets anders dan jezelf systematisch voor de gek te houden. Een aanval op God à la Dawkins of Hitchens ziet hij als een hopeloos achterhoedegevecht. We moeten vooruit kijken en op zoek gaan naar een rationeel alternatief voor religie dat antwoord kan geven op de vragen die traditioneel binnen het bereik van de religie en levensbeschouwing vallen. En wat hem betreft kan de wetenschappelijke studie van de fysieke wereld ons het antwoord op die vragen bieden.

Volgens Rosenberg heeft de wetenschap een helder antwoord op een aantal gevoelige vragen, die de mensheid al millenia lang bezighouden:

  • Is there a God? No.
  • What is the nature of reality? What physics says it is.
  • What is the purpose of the universe? There is none.
  • What is the meaning of life? There is none.
  • Why am I here? Just dumb luck.
  • Does prayer work? Of course not.
  • Is there a soul? Is it immortal? No.
  • Is there free will? Not a chance!
  • What happens when we die? Everything pretty much goes on as before, except us.
  • What is the difference between right and wrong, good and bad? There is no moral difference between them.
  • Why should I be moral? Because it makes you feel better than being immoral.
  • Is abortion, euthanasia, suicide, paying taxes, foreign aid or anything elde you don't like forbidden, permissible, or sometimes obligatory? Anything goes.
  • What is love, and how can I find it? Love is the solution to a strategic interaction problem. Don't look for it; it will find you when you need it.
  • Does history have any meaning or purpose? It's full of sound and fury, but signifies nothing.
  • Does the human past have any lesson for the future? Fewer and fewer, if it had any to begin with.

Het indrukwekkende succes van de natuurkunde als basis voor onze groeiende kennis over de fysieke wereld en de gigantische verklarende kracht van Darwins evolutietheorie zijn voor Rosenberg aanleiding om tot deze stellige uitspraken te komen. Hij vindt dat er uiteindelijk rationeel gezien geen andere levenbeschouwing verdedigbaar is dan het nihilisme, maar volgens hem is het wel een aangenaam nihilisme. Als het om normen en waarden gaat zijn er geen normen en waarden die intrinsiek goed zijn. Normen en waarden zijn onderhevig aan natuurlijke selectie en de normen en waarden die nu door de meeste mensen op Aarde gedeeld worden (en waarvan een deel vervat zijn in de Universele verklaring van de rechten van de mens), zijn de normen en waarden die na duizenden jaren van selectiedruk de meeste fitness blijken te hebben. En we kunnen dus best volgens die normen en waarden leven, maar we moeten niet denken dat ze intrinsieke waarde hebben.

Tot zover kan ik nog met de standpunten van Rosenberg leven. Hoewel ik het niet met hem eens ben, vind ik zijn redenatie interessant. De vraag is natuurlijk of normen en waarden daadwerkelijk door middel van evolutionaire principes worden geselecteerd. Hij raakt nog wat verder van mijn pad af, als hij gaat beweren dat het bewustzijn een illusie is. Wat we denken en waarnemen heeft geen aanwijsbare betrekking op materiële dingen en is dus per definitie waardeloos. Al onze handelingen worden geleid door hersenprocessen die geen concrete afspiegeling in het bewustzijn hebben. Rosenberg is zich er van bewust dat hij zich op filosofisch glad ijs beweegt en hij komt dan ook zelf met het klassieke tegenargument: What is it like to be a bat?



Thomas Nagel trachtte de materialistische aanvallen op het zelfstandig bewustzijn te ontkrachten met een klassiek geworden gedachte-experiment. Stel je voor dat je een vleermuis bent. Kun je als mens je voorstellen hoe het is om een vleermuis te zijn? We kunnen ons wellicht voorstellen dat het bezitten van echolocatie vergelijkbaar is met wat een sonar-technicus aan boord van een onderzeeër beleeft. Maar dan stellen we ons eigenlijk voor hoe het is om als mens in een vleermuislichaam gevangen te zijn en echolocatie te kunnen gebruiken. We kunnen ons uiteindelijk niet voorstellen hoe het is om daadwerkelijk een vleermuis te zijn. 

Other organisms have their own kind of subjective experiences, and even the most extensive neurological study won't capture what it's like to have those experiences. Neuroscience can only show what goes on in the bat's brain when it's having its echo-locating experiencs. It cannot tell us what having those experience is like.

Hier heeft Rosenberg dus een probleem. Want hoewel hij eerder hoog op heeft gegeven over het verklarende vermogen van de neurowetenschappen, loopt hij nu op tegen de beperkingen ervan. Hij redt zich uiteindelijk uit deze, door hem zelf opgezette, val met twee kunstgrepen. Ten eerste zegt hij dat het tegenargument vals speelt, doordat het eisen stelt aan de wetenschap die onredelijk zijn. En ten tweede komt hij met wetenschappisme (scientism) op de proppen, als eenvoudig lapmiddel voor de gaten die de wetenschap (science) niet kan vullen. Hij komt er, na het bespreken van een aantal andere voorbeelden en gedachte-experimenten, uiteindelijk op uit dat de filosofische critici zoals Nagel de wetenschap voor een onmogelijke en onredelijke uitdaging stellen, doordat de vraag niet met wetenschappelijke middelen beantwoord kan worden:

The challenge to neuroscience of explaining what it's like to be a bat turns out to be the demand that it solve that mystery whit its hand tied behind its back. It's no surprise that science can't solve a problem posed this way. After all, science isn't magic.

Hij gaat vervolgens ook nog in op de Monadologie van Leibniz, waarin gesteld wordt dat "waarneming niet verklaard kan worden door mechanische principes, door vormen en bewegingen en dat niets dat afhankelijk is van waarneming daardoor verklaard kan worden". Rosenberg vind dat zulke redenaties het gevolg zijn van misleiding door ons onbetrouwbare bewustzijn. Argumenten die puur op introspectie gebaseerd zijn, zijn niet vergelijkbaar met objectief wetenschappelijk bewijs. Daardoor zijn de redenaties van Leibniz en Nagel uiteindelijk geen bedreiging voor scientism:

So, when it comes to to the presistent question of what the minde is, scientism can disregard objections that are based on Leibniz's thought experiment or Nagel's. It can disregard the argument that subjectivity is not physical, so there must be nonphysical mind, person, self, soul that has the subjective experience. It can disregard denials that the mind is the brain.

Is this intellectually responsible? Yes. Our evidence for the truth of physics as the complete theory of reality is much stronger than our evidence for the truth of the conclusion of any thought experiment that relies on introspection. Plus, introspection is wrong about so much, it can't carry any weight against science. Scientism is safe to conclude that there are flaws in Nagel's argument and Leibniz's. We don't know where the slips occur but we know that their conclusions are false.

To repeat, it would be intellectually irresponsible for neuroscience to disregard these arguments. They present in a wonderfully effective way some of the great scientific challenges that face neuroscience. It's a challenge scientistic non-neuroscientists are confident neuroscience will eventually resolve. The challenges of neuroscience are not problems for scientism.

Ik heb Rosenberg hier uitvoerig geciteerd, omdat hij hier duidelijk maakt wat scientism voor hem betekent. Het geloof dat de wetenschap uiteindelijk alle vragen kan beantwoorden, inclusief de vragen die de wetenschap nu nog niet kan beantwoorden. Dat is een geloof dat ik niet deel, maar het is goed dat hij uiteindelijk ook toegeeft dat een deel van zijn zogenaamd rationeel-wetenschappelijke wereldbeeld op geloof is gebaseerd.

Vrije wil of determinisme? Volgens Rosenberg heeft de wetenschap het laatste woord in deze kwestie.

Ook zijn argumenten tegen de vrije wil, die voortkomen uit zijn strikte determinisme, vind ik persoonlijk niet echt overtuigend. Rosenberg zegt dat de vrije wil één van de illusies is die voortkomen uit introspectie. Introspectie is volgens hem per definitie onbetrouwbaar en aangezien het universum door de onbreekbare natuurwetten geregeerd wordt, is voor de vrije wil van het individu geen plaats. Ik laat mij in mijn persoonlijke overtuigingen welbewust ook door introspectie leiden, dus ik accepteer zijn argumenten op dit gebied logischerwijs niet.

Hij maakt tegen het eind van het boek expliciet duidelijk dat hij de wetenschap niet als heilsleer ziet en ook niet als peiler onder een mogelijk seculier-humanistisch alternatief voor religie. Hij gaat er immers van uit dat er geen hoger doel is en dat de wetenschap daar dus onmogelijk naar kan streven. Hij is dan ook kritisch op zij die de wetenschap in een niet-nihilistisch verband plaatsen:

Even so adamant an atheist as Richard Dawkins has succumbed to the delusion that a substitute for religion is required and available form science. People ask Dawkins, "Why do you bother getting up in the morning if the meaning of life boils down to such a cruel pitiless fact, that we exist merely to help replicate a string of molecules?" His answer is that "science is one of the supreme things that makes life worth living."

Alex Rosenberg is een filosoof die de uiterste consequenties van zijn redenaties niet schuwt; rationeel denken kan volgens hem alleen leiden tot deterministisch nihilisme. De morele implicaties daarvan zijn volgens hem minder radicaal dan men wellicht zou kunnen verwachten. Uiteindelijk zijn altruïstische en aangename normen en waarden door natuurlijke selectie in menselijke culturen ruimschoots aanwezig zijn en hoeven we ons geen zorgen te maken over wat Darwin omschreef als nature, red in tooth and claw. Ik weet niet of ik het met die conclusies eens ben. Wellicht hecht mijn onbetrouwbare (?) bewustzijn te veel waarde aan humanisme, om volledig te kunnen vertrouwen op Rosenbergs hardvochtige conclusies.

maandag 16 december 2013

Friedrich, de melancholie, de muziek en de zee


Een van mijn favoriete schilderijen. Der Mönch am Meer van Caspar David Friedrich. De reproductie doet, uiteraard, geen recht aan het onovertroffen origineel. De overweldigende natuur en de eenzame mens op het doek gevangen. Dit is meer dan romantiek, dit is melancholie. Ik heb het schilderij gelukkig een paar keer in het echt mogen aanschouwen in Berlijn en het raakte me diep. Zoals eigenlijk de meeste werken van Friedrich wel een zeker effect op me hebben. Onlangs mocht ik in Stuttgart nog twee fraaie hoogtepunten uit zijn oeuvre aanschouwen. Maar zoals gezegd is dit mijn persoonlijke favoriet.

Wellicht wordt de ervaring in retrospectief nog versterkt, omdat ik het nu bepaalde muziek met dit schilderij associeer. Muziek die niet alleen hetzelfde onderwerp heeft (bij de zee staan), maar die wat mij betreft ook dezelfde thematiek omvat. Over de thematiek valt lang uit te weiden. Maar laat ik eerst maar even de muziek er bij halen: Standing By The Sea van Hüsker Dü.


Wellicht dat de meeste mensen Friedrich met de muziek van de negentiende-eeuwse romantiek associëren, maar dat doe ik dus niet. Ik associeer het met Amerikaanse punkrock uit de jaren tachtig van de twintigste eeuw. Het nummer is afkomstig van het album Zen Arcade uit 1984. Uiteraard valt er nu een hele boom op te zetten over de overeenkomsten tussen de minimalistische, wellicht zelfs zen-achtige, composities van respectievelijk Hüsker Dü en Friedrich. Maar dat laat ik achterwege, die redenering mag u op een ander moment uit mij proberen te trekken. Ook irrelevant is de vraag of de heren van Hüsker Dü met het schilderij bekend waren. Waarschijnlijker is dat beide artistieke uitingen voortkwamen uit de gevoelens die elk oplettend mens ervaart als hij overweldigd wordt door de natuur: het sublieme. Dat kunst in eerste plaats de functie heeft om schoonheid te verbeelden, is een vaak gehoorde stelling, niet in de de laatste plaats een stelling die door de filosoof Roger Scruton verdedigd wordt.


De positie van Scruton is verdedigbaar, maar ik wil er graag bij aantekenen dat kunst niet alleen een uiting kan zijn van schoonheid (beauty), maar ook van het sublieme (sublime). Het contrast tussen beauty en sublime is bepaald geen recent verzinsel. De Engelse landschapsarchitecten van de achttiende eeuw ontworpen de Britse landschapstuin in een poging het sublieme element van de natuur te herscheppen. Het was nadrukkelijk een reactie op de formele Franse tuinen van de zeventiende eeuw, die gezien kunnen worden als een culminatie van de drang naar pure schoonheid en de wens om de grillige natuur te temmen. In de romantiek werd de sublieme ervaring van overweldigend natuurschoon verder de kunst binnen gezogen, door onder meer Caspar David Friedrich. En feitelijk is het nummer van Hüsker Dü niet veel minder dan dat, een lyrische muzikale impressie van de ervaring die een mens meemaakt als hij of zij aan zee staat.

Want dat is een essentieel punt, dat het in beide werken niet alleen over de natuur gaat, maar ook over de mens. Zoals gezegd drukken ze wat mij betreft diep menselijke gevoelens uit, zoals onder meer melancholie, overweldiging of eenzaamheid. Tot slot de tekst van het lied: 

There was no one all around
There was no one there but me
I was staring out a window
I was standing by the sea

 

The waves kept on repeating
Each one crashing to the shore
And my footprints nowhere leading
As they disappeared once more

 

Your senses are bombarded
By the roaring that you hear
In a shell you can hear the ocean
When you put it up to your hear

 

There was no one all around
There was no one there but me
I was staring out a window
I was standing by the sea